Been, Johannes Hendrik (1859-1930)

 
English | Nederlands

BEEN, Johannes Hendrik (1859-1930)

Been, Johannes Hendrik, schrijver van jeugdboeken en archivaris (Brielle 8-2-1859 - Brielle 23-12-1930). Zoon van Dirk Been, winkelier, en Cornelia van der Hidde(n).

Johan Been groeide op als zoon van een Brielse winkelier in garen en band, die tevens de kost verdiende als marskramer. Hij was een nakomertje en werd door zijn ouders en twee oudere zusters met veel zorg omringd. Op de lagere school bleek hij goed te kunnen leren en over een grote fantasie te beschikken. Nadat Johan de wens te kennen had gegeven predikant te worden, stuurden zijn ouders hem in 1872 naar het plaatselijke gymnasium. Hier werd de middenstanderszoon met zijn armelijke kleding en Brielse dialect echter al snel het slachtoffer van spot en pesterij van de scholieren uit gegoede kringen, wat zijn leerprestaties niet ten goede kwam. Ook het onbegrip van de leraren voor zijn ontluikend dichterlijk talent maakte zijn middelbare-schooljaren weinig vreugdevol. Toen de ouders bovendien vermoedden dat financiering van de voorgenomen theologiestudie op onoverkomelijke moeilijkheden zou stuiten, besloot Johan in de zomer van 1876 vol spijt en verbittering om zijn gefnuikte ambities het gymnasium te verlaten. Hij schreef zich in aan de normaalschool, waar hij na een vlotte studie op achttienjarige leeftijd de akte voor hulponderwijzer behaalde.

In 1877 kreeg Been een aanstelling als onderwijzer in het dorp Nieuwenhoorn, eveneens op Voorne. Met ingang van 1 januari 1879 kon hij echter terugkeren naar zijn geboorteplaats door de benoeming aan de Brielse armenschool. Hij trok in bij zijn ouders en zusters en beoefende aanvankelijk zonder veel overtuiging het onderwijzersvak. Al snel bleek Been een geboren verteller, die de schooljeugd met zijn verhalen wist te boeien. Hij raakte vertrouwd met de kinderwereld en leerde hun reacties kennen. Op den duur ging hij ertoe over zijn vertellingen op schrift te zetten om ze vervolgens te publiceren. Vanaf 1888 verschenen zijn eerste verhalen, ondertekend met het pseudoniem Ammon van Brielle, als feuilleton in plaatselijke kranten.

Been had van jongs af een grote belangstelling voor geschiedenis; vooral het roemruchte verleden van Brielle trok hem. Heel wat vrije uren werden door hem doorgebracht in het rijke stadsarchief, waar hij in de oude stukken allengs goed thuisraakte. Het was dan ook niet verwonderlijk dat het Brielse gemeentebestuur hem op 25 maart 1895 tot stadsarchivaris benoemde. Deze functie oefende hij uit naast zijn baan als onderwijzer. Sindsdien stond Been overdag voor de klas en was hij in zijn vrije tijd in het archief werkzaam. De arbeid die hij daar verrichtte, bestond overigens hoofdzakelijk uit het maken van uittreksels en het vervaardigen van klappers. Van de zo noodzakelijke inventarisatie van het toen nog grotendeels ongeordende archief is het nooit gekomen.

Intussen was Been verder gegaan met schrijven. Onder zijn eigen naam verschenen de eerste jeugdboeken, Zeemansbloed in 1895 en Twee zeemanszoons in 1898, die de geschiedenis vertellen van zoons van zeeloodsen die tegen de uitdrukkelijke wens van hun vaders kiezen voor een leven op zee. Die liefde voor de zee zou een vast thema in zijn werk worden, hetgeen opmerkelijk mag heten voor iemand die zo bang was voor varen dat hij zelfs een tochtje in een roeiboot niet aandurfde. Beens eerste boeken kenden niet veel succes, en daarom publiceerde hij zijn volgende werken onder het weinig originele pseudoniem Hendrik Eben. Daartoe behoren onder andere De tocht naar Paradijsland uit 1898, Drie jongens op reis uit 1901 en het twee jaar later verschenen Uit de gedenkschriften van een schooljongen . Het zijn enigszins sentimentele verhalen met sterk autobiografische elementen en met situaties en personen ontleend aan het leven in Brielle.

De kennis van het verleden die Been als archivaris opdeed, kwam zijn schrijverschap ten goede. Bevatten zijn verhalen aanvankelijk nauwelijks historische feiten, na 1895 komt daarin geleidelijk verandering. Zo publiceerde hij kort na zijn benoeming een aantal geschiedkundige vertellingen voor volwassenen met onderwerpen ontleend aan de Gouden Eeuw en de 'Fransche Tijd', zoals Maerten Harpertsz. Tromp. Een zeemanszoon uit de 17de eeuw uit 1896, Daden en dagen van admiraal Dubbel Wit uit 1899 en Het Keezenboek uit 1900. Deze werken zijn doortrokken van patriottisme en liefde voor het Oranjehuis en sloegen bij de lezers erg aan.

Om het succes van zijn boeken te vergroten, kreeg Been van uitgeverij Kluitman in Alkmaar - die het meeste van zijn werk heeft uitgegeven - de raad de door hem gebruikte historische gegevens te dramatiseren en met meer spanning en avontuur en in een levendiger stijl voor de jeugd te bewerken. Dit advies nam hij ter harte en niet zonder resultaat: het betekende het begin van zijn grote populariteit. Het eerste boek dat hij - sinds 1905 weer onder de naam Joh. H. Been - op deze wijze schreef, was in 1906 De drie matrozen van Michiel de Ruijter . Twee jaar daarna verscheen zijn klassiek geworden jongensboek Paddeltje. De scheepsjongen van Michiel de Ruijter , en veel later, in 1920, het vervolg, Om de schatten van Il Tigretto . In deze werken worden in een wat gedragen stijl, maar met de nodige humor, de lotgevallen beschreven van een of meer jeugdige schepelingen op de 17e-eeuwse oorlogsvloot, met daaromheen een aantal historische figuren. Volgens dit patroon schreef Been daarna nog een groot aantal andere werken en met evenveel succes, waartoe overigens ook de opgenomen illustraties van gerenommeerde tekenaars als J.C. Braakensiek, J.H. Isings en L. Raemaekers bijdroegen. Zijn naam als auteur van kinderboeken werd er definitief mee gevestigd. Zo verwierf Been eindelijk de erkenning en het aanzien, zowel bij het lezerspubliek als bij de critici, waarnaar hij in zijn jonge jaren vergeefs had gestreefd.

Op den duur viel het Been steeds moeilijker zijn onderwijsbaan te combineren met het archiefwerk en het schrijverschap. Op 1 januari 1910 nam hij daarom ontslag als onderwijzer. Toen hij als auteur begon, waren de extra inkomsten die hij hieraan ontleende meer dan welkom, want na de dood van zijn vader in 1897 moest hij zowel zijn moeder als zijn beide ongehuwde zusters financieel ondersteunen. Van een huwelijk en het stichten van een gezin kwam het niet. Vrijwel zijn gehele leven is hij bij hen in het ouderlijk huis in de Voorstraat blijven wonen. In deze omstandigheden was Been evenwel in staat vele uren aan het schrijven te besteden en een indrukwekkend aantal titels op zijn naam te brengen, niet alleen van boeken, maar ook van verhalen en historische beschouwingen in verschillende kranten en tijdschriften. Op latere leeftijd kon hij het rustiger aandoen, omdat hij toen geheel van zijn pen kon leven.

De wereld van Johan Been was eigenlijk niet groter dan Brielle, en hij was zelf de eerste om dat toe te geven: 'Ik drink uit een klein glaasje, máár het is mijn eigen glas'. Zijn grote belezenheid als autodidact, de eigen fantasie, alsmede de uit het stadsarchief opgedolven gegevens waren steeds voldoende voor een boeiend verhaal. Reizen deed hij niet. Zijn horizon werd gevormd door de stadssingels en de Maasoevers, waarlangs men hem dagelijks kon zien wandelen: sjofel gekleed, met hoed en wandelstok, zijn onafscheidelijke hond aan zijn zijde. De grote populariteit die de beroemdste ingezetene van Brielle in den lande genoot - zelfs koningin Wilhelmina las zijn boeken - straalde mede af op het oude stadje. Voor het behoud van zijn historisch erfgoed heeft Been zich steeds bijzonder ingespannen. Nog op zijn sterfbed voltooide hij een historisch openluchtspel voor het zeshonderdjarig bestaan van Brielle. Toen hij kort na de opvoering overleed, hing van het stadhuis de vlag halfstok.

Johan Been behoort tot de bekendste schrijvers van Nederlandse jeugdboeken uit de eerste helft van de 20e eeuw. Zijn veelal didactisch getinte verhalen vol liefde voor het vaderland, trouw aan het vorstenhuis en onderworpenheid aan het gezag, waarin het roemrijke 17e-eeuwse verleden wordt verheerlijkt in de persoon van grote zeehelden als De Ruyter, Tromp en Witte de With, plaatsen hem nog geheel in de 19e-eeuwse romantische traditie. Van vernieuwende elementen in de jeugdliteratuur is bij hem nog niets te bespeuren

A: Collectie-J.H. Been in het gemeentearchief te Brielle en collectie-J.H. Been in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Bibliografieën in de onder L genoemde artikelen van J. Klok, 586 en F.T. Bijlsma, 3-4.

L: Behalve herdenkingsartikelen o.a. in Nieuwe Rotterdamsche Courant , 23-12-1930; door E. Wiersum, in Nederlandsch Archievenblad 38 (1930/1931) 49-53; door N., in Eigen Haard 57 (1931) 17; door H.P. Berdenis van Berlekom, in Handelingen en Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1931-1932 (Leiden, 1932) 1-14: J.A. Leerink, 'Johan H. Been deed roem herleven', in Elseviers Weekblad , 2-4-1960; J. Klok, 'Johan Been (1859-1930)', in Spiegel der Historie 2 (1967) 581-586; F.T. Bijlsma, Johan Been (NBLC-Monografieën, serie E, nr. 4 ('s-Gravenhage, 1973); idem, 'Johan Been', in Lexicon van de jeugdliteratuur (Alphen aan den Rijn [etc.], 1982-); Harry Bekkering [e.a.], De hele Bibelebontse berg. De geschiedenis van het kinderboek in Nederland & Vlaanderen van de Middeleeuwen tot heden (Amsterdam, 1990) 304-305; Jan Horstink, 'Zeeman aan wal met watervrees', in Haagsche Courant , 15-9-1990.

A.J.C.M. Gabriëls


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013