Bemmelen, Jacob Maarten van (1898-1982)

 
English | Nederlands

BEMMELEN, Jacob Maarten van (1898-1982)

Bemmelen, Jacob Maarten van, hoogleraar in het strafrecht, de strafvordering en de criminologie ('s-Gravenhage 20-4-1898 - Dordrecht 12-1-1982). Zoon van Johan Frans van Bemmelen, hoogleraar in de dierkunde, en Adriana Jacoba Paulus. Gehuwd op 12-7-1922 met Clara Adriana Petronella Kluit. Uit dit huwelijk werden 4 zoons geboren. Na echtscheiding (13-5-1966) gehuwd op 23-5-1966 met Johanna Maria Leenders. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Bemmelen, Jacob Maarten van

Jacob Maarten van Bemmelen werd geboren in een professorenfamilie: zijn grootvader, naar wie hij werd vernoemd, was hoogleraar in de anorganische scheikunde te Leiden en zijn vader sinds 1907 hoogleraar in de zoölogie te Groningen. Zelf volgde hij in Groningen eerst het gymnasium om daarna in deze stad rechten te gaan studeren. Op 27 juni 1922 behaalde hij de meestertitel. Ruim een jaar later, op 3 november 1923, promoveerde hij bij J. Simon van der Aa, hoogleraar in het strafrecht, op het proefschrift Van zedelijke verbetering tot reclasseering. Geschiedenis van het Genootschap tot Zedelijke verbetering der Gevangenen 1823-1923 . Na vervolgens een jaar leraar aan een HBS te zijn geweest werd Van Bemmelen in 1924 advocaat in Rotterdam; in 1928 volgde daar zijn benoeming tot substituut-griffier bij de rechtbank.

Sedert 1929 verving Van Bemmelen in Leiden de hoogleraar in het strafrecht A.J. Blok, die ernstig ziek was. Op 6 mei 1931 werd hij in diens plaats benoemd tot gewoon hoogleraar in het strafrecht, de strafvordering en de criminologie. De keuze viel op hem, mede wegens zijn didactische gaven. Hij zou deze leerstoel bekleden tot aan zijn emeritaat in 1968, een lange periode, die alleen ongewild werd onderbroken in de bezettingsjaren. Op 30 mei 1942 zag Van Bemmelen zich namelijk met velen van zijn collega's gedwongen om principiële redenen ontslag te vragen om pas na de bevrijding in zijn functie te worden hersteld. Hoe fel hij zich keerde tegen de maatregelen van de Duitse bezetter, bleek al eerder toen hij op 23 november 1940 de tekst opvroeg van de tegen het ontslag van joodse hoogleraren gerichte protesttoespraak van zijn collega R.P. Cleveringa en voor de vermenigvuldiging en verspreiding ervan zorgdroeg. Een gevolg van dit alles was vermoedelijk dat ook Van Bemmelen van 7 augustus 1942 tot 3 juni 1943 als gijzelaar gevangen zat in Sint-Michielsgestel, waar hij de waardering van lotgenoten oogstte door hen verdienstelijk te portretteren.

Zijn Leidse professoraat aanvaardde Van Bemmelen in 1931 met de oratie De beteekenis van het strafrecht voor den normalen mensch . De leeropdracht voor de criminologie zou hij behouden tot 1956, toen W.H. Nagel hem als hoogleraar in dit vakgebied opvolgde. Bekendheid had Van Bemmelen ondertussen op dit terrein verworven door zijn boek Criminologie. Leerboek der misdaadkunde , uit 1942. Op het gebied van het strafrecht geldt als zijn belangrijkste publikatie het tweede deel over bijzondere delicten van het Hand- en leerboek van het Nederlandse strafrecht uit 1954. Van Bemmelen deed hierin een poging systeem te brengen in de in het Wetboek van Strafrecht bijeengebrachte delicten, door de rechtsgoederen in kaart te brengen die door deze delicten in gevaar worden gebracht. Als Van Bemmelens beste werk wordt echter beschouwd zijn Strafvordering. Leerboek van het Nederlandsche strafprocesrecht , dat van 1936 tot 1957 zes drukken beleefde. Het blonk uit door de onderhoudende toon en door de rijkdom aan interessante details. De originaliteit en vindingrijkheid van Van Bemmelen waren trouwens al gebleken in zijn preadvies uit 1938 over de rechtsmiddelen in strafzaken, uitgebracht voor de vergadering van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging, en zouden later opnieuw tot uiting komen in zijn preadvies uit 1958 over de strafrechtelijke bescherming van internationale belangen.

Als hoogleraar in het strafrecht in Leiden werd Van Bemmelen in 1932 'ambtshalve' lid van de redactie van het Tijdschrift voor Strafrecht . Na met ingang van 1 januari 1936 de redactie van het Weekblad van het Recht te hebben verlaten, waarvan hij twee en een half jaar deel had uitgemaakt, trad hij tevens toe tot de redactie van het Nederlandsch Juristenblad . In beide redacties heeft hij, tot zijn uittreden in 1968 op zeventigjarige leeftijd, veel werk verzet. In deze en andere wetenschappelijke tijdschriften schreef hij zelf over tal van onderwerpen, veelal aansluitend bij de actualiteit. Zo trok hij in 1963 sterk de aandacht door samen met zijn Utrechtse collega prof. W.P.J. Pompe in het Nederlands Juristenblad (38 (1963) 11-12) te pleiten voor het verlenen van gratie aan de zogeheten 'vier van Breda', vier leden van de Duitse bezettingsmacht die wegens de door hen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland begane misdaden een levenslange gevangenisstraf ondergingen in de gevangenis van Breda. De publieke opinie werd door dit pleidooi echter zodanig in beroering gebracht dat - afgezien van de vrijlating van één van hen, om gezondheidsredenen in 1966, onder een storm van kritiek - gedurende de daaropvolgende 26 jaar geen minister van Justitie aan deze gedachte uitvoering heeft kunnen geven. De door Van Bemmelen en Pompe veronderstelde 'edelmoedigheid van het Nederlandse volk' ging niet zover als zij dachten.

Van Bemmelen heeft veel gedaan om de toegankelijkheid van en het begrip voor het strafrecht te vergroten. Voor studenten schreef hij in 1951 het in 'zakformaat' uitgegeven leerboek Ons strafrecht , waarin ook het penitentiaire recht aan bod komt. Tot het grote publiek richtte hij zich in dagbladartikelen, waarvan een aantal werd gebundeld onder titels als Gedenkt der gevangenen uit 1954 en Op de grenzen van het strafrecht uit 1955.

Van Bemmelen was van huis uit onkerkelijk en liberaal. Hij had een warme belangstelling voor mensen, een belangstelling die zich uitstrekte tot verdachten en veroordeelden. De eerste maanden na de bevrijding in mei 1945 werd Van Bemmelen belast met de verantwoordelijkheid voor de opsporing en de detinering van politieke delinquenten. In de reclasseringsorganisaties vervulde hij belangrijke functies. Hij kende het gevangeniswezen.

Van Bemmelen is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling en toepassing van het militair recht. In 1936 was hij medeoprichter en eerste voorzitter van de Vereeniging voor Miltair Recht, in 1940 plaatsvervangend-president van de krijgsraad in Den Haag en van 1946 tot 1955 lid van de redactie van het Militair-Rechtelijk Tijdschrift . Daarmee waren Van Bemmelens veelzijdige belangstelling en ijver ten aanzien van het recht nog niet uitgeput. Opvallend was ook zijn interesse voor rechtsgeschiedenis, waarvan hij in zijn proefschrift al blijk had gegeven. In zijn leerboeken grijpt hij dikwijls op de geschiedenis terug, en ook zijn rectorale oratie van 1954 over Universiteit en strafrecht zoekt aanknopingspunten in het verleden.

In het buitenland was Van Bemmelen een man van gezag. Geruime tijd was hij vice-president van de Association internationale de Droit pénal en van de International Society of Criminology. In 1961 werd hij uitgenodigd voor een bezoek aan de Verenigde Staten, waar hij als deskundige een aantal penitentiaire inrichtingen bezocht. Ook voor de eenmaking van het recht van Nederland, België en Luxemburg heeft hij zich tot aan het einde van zijn leven ingespannen.

Reeds vóór 1940 bracht Van Bemmelen in Leiden een instituut voor de beoefening van het strafrecht en de criminologie tot stand; dit was pionierswerk. Over de positie die Van Bemmelen in het Nederlandse strafrecht heeft ingenomen, zegt G.E. Langemeijer in het Nederlands Juristen Blad (57 (1982) 106): 'Typisch een aanhanger van wat toen [in 1923] de moderne richting in het strafrecht heette, was hij iemand bij wie de beginselen van die richting niet alleen een theoretische overtuiging, maar ook in zeldzame mate uiting van zijn persoonlijke karakter waren'. J. Remmelink noemde hem in 1986 in het Gedenkboek. Honderd jaar Wetboek van Strafrecht (83) een individualist, die geen school heeft gesticht, maar door zijn hand- en leerboeken het Nederlandse strafrecht sterk heeft beïnvloed. Zijn opvolger in Leiden, de bij hem gepromoveerde A.L. Melai, schreef dat Van Bemmelen weinig neiging had tot abstracte bespiegelingen of dogmatische vingeroefeningen, als niet een betere - want rechtvaardiger en doelmatiger - strafrechtspleging daarvan het mogelijke gevolg was (Delikt en delinkwent 12 (1982) 157). Velen herinneren hem zich als een innemend, hulpvaardig mens, moedig en lankmoedig, die bergen werk kon verzetten

A: Bescheiden uit de nalatenschap van Van Bemmelen in de Afdeling Westerse handschriften van de Universiteitsbibliotheek te Leiden.

P: W. Domela Nieuwenhuis Nyegaard en M.J.D.A. Hanssen, Bibliografie van prof.mr. J.M. van Bemmelen [tot 1968]', in Tijdschrift voor Strafrecht 77 (1968) 353-362.

L: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: D. Wiersma, 'Jacob Maarten van Bemmelen', in Le droit pénal international. Recueil d'études en hommage à Jacob Maarten van Bemmelen (Leiden, 1965) ix-xvii; Ch.J. Enschedé, 'Bij het aftreden van mr. J.M. van Bemmelen als hoogleraar en redacteur van dit tijdschrift op 1 september 1968', in Tijdschrift voor Strafrecht 77 (1968) 171-172; A.D. Belinfante, In plaats van Bijltjesdag. De geschiedenis van de Bijzondere Rechtspleging van de Tweede Wereldoorlog (Assen, 1978); W.H. V[ermeer], in Militair-Rechtelijk Tijdschrift 72 (1982) 73; Peter Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van 'foute' Nederlanders, 1945-1955 (S.l., 1989).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 106.

Th.W. van Veen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013