Broek, Johannes Hendrik van den (1898-1978)

 
English | Nederlands

BROEK, Johannes Hendrik van den (1898-1978)

BROEK, Johannes Hendrik van den, architect (Rotterdam 4-10-1898 - 's-Gravenhage 6-9-1978). Zoon van Leendert van den Broek, timmerman en aannemer, en Maria Adriana Jongeneel. Gehuwd op 20-12-1923 met Sophia Jacoba Boosman (1900-2000). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

afbeelding van Broek, Johannes Hendrik van den Jo van den Broek groeide op in de Rotterdamse wijk 'Het Oude Westen' als zoon van een houthandelaar en aannemer. Zijn moeder voedde hem op met de bijbel, en het Nederlands-hervormde geloof van zijn ouders zou hij zijn leven lang trouw blijven. Als kind blonk hij uit in tekenen, en met zijn vader fietste hij langs vele Rotterdamse gebouwen, waarvan hij diep onder de indruk raakte. Maar ondanks deze vroege en wellicht onbewuste waardering voor architectuur weerhield zijn vader hem van een loopbaan in de bouw. Van den Broek senior vond het een 'rotvak' en zag zijn zoon liever als onderwijzer. En dus begon Jo in 1913, na voltooiing van de MULO, aan een opleiding aan de Rijkskweekschool voor onderwijzers in Nijmegen. Hier behaalde hij in 1917 zijn diploma.

Toen Van den Broek in de daaropvolgende twee jaar als dienstplichtig soldaat gemobiliseerd was, nam hij waarschijnlijk de beslissing alsnog architect te worden. Nadat hij in 1918 het staatsexamen had afgelegd, begon hij een jaar later aan de opleiding tot bouwkundig ingenieur aan de Technische Hoogeschool (TH) in Delft. Tijdens zijn studie werkte hij korte tijd op de architectenbureaus van M.J. Granpré Molière in Rotterdam en Gulden & Geldmaker in Amsterdam. Van den Broek studeerde in 1924 af bij de docent en architect J.F. Klinkhamer en werkte daarna tot 1927 op het bouwbureau van Klinkhamers voormalige compagnon, de architect B.J. Ouëndag in Amsterdam. Inmiddels was hij in 1923 getrouwd met Sophia Boosman. Uit dit huwelijk zou in 1926 hun enige dochter Tiny worden geboren.

Vanaf 1927 bewoonden Van den Broek en zijn vrouw een huis aan de Rotterdamse Mathenesserlaan, waar de daaropvolgende tien jaren ook zijn architectenbureau zou zijn gehuisvest. Tevens was hij van 1928 tot circa 1948 docent aan de avond-MTS in zijn woonplaats. In deze periode ging Van den Broek op den duur deel uitmaken van een kring van modernistische Rotterdamse architecten, zoals W. van Tijen, H.A. Maaskant, L.C. van der Vlugt en J.A. Brinkman.

Gedurende het decennium dat hij als zelfstandig architect actief was, werkte Van den Broek aan bijna driehonderd projecten, waarvan de ontwerpen voor de volkswoningbouw in Rotterdam een belangrijk deel uit maakten. Deze ontwerpen stonden vooral in het teken van het experiment, waarbij hij streefde naar een hygiënische en functionele volkswoningbouw. Hoewel Van den Broek zelf alkoofbouw verwezenlijkte - bijvoorbeeld in de Rotterdamse Millinxbuurt (1930-1933) - maakte hij ook ontwerpen waarbij de traditionele smalle en diepe alkoofwoning werd vervangen door een bredere tweebeukige woningplattegrond, waardoor de bezonning en ventilatie van de woning verbeterde. Voorbeelden van deze woningbouwexperimenten zijn diverse verkavelingplannen voor Bergpolder in Rotterdam (1930-1931), het prijsvraagontwerp 'Optimum' voor goedkope arbeiderswoningen (1934) en de woningbouw aan de Vroesenlaan in de wijk Blijdorp (1934). Bij het laatstgenoemde project introduceerde Van den Broek een half open bouwblok, waarmee hij afweek van de traditionele gesloten bouwblokken die in die tijd werden gebouwd.

In augustus 1937 beëindigde Van den Broek zijn werkzaamheden als zelfstandig architect en trad hij toe tot het bureau van J.A. Brinkman. Door ziekte van de laatstgenoemde kreeg Van den Broek spoedig de leiding van het bureau in handen. In deze nieuwe werkkring raakte hij betrokken bij opdrachten in de Rotterdamse haven, waaronder de vertrekhal van de Holland-Amerikalijn (1937-1938) en het kantoor- en havengebouw van Thomsen's Havenbedrijf aan de Lekhaven (1943-1948).

Na het Duitse bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 en opnieuw na het einde van de Duitse bezetting in mei 1945 was Van den Broek als architect intensief betrokken bij de wederopbouw van Nederland, en in het bijzonder bij die van Rotterdam. Direct na de verwoesting van de binnenstad kreeg het hoofd van de Gemeentelijke Technische Dienst, W.G. Witteveen, van de Duitsers de opdracht om een nieuw wederopbouwplan te maken. Van den Broek was een van de tegenstanders van het wederopbouwplan van Witteveen, omdat het was gebaseerd op de oude eigendomsverhoudingen en de historische stadsplattegrond van Rotterdam. Tijdens de bezetting leverde Van den Broek als lid van het Adviesbureau Stadsplan Rotterdam (ASRO) en van de Opbouwcommissie en secretaris van de Architectenwerkgroep Opbouw Rotterdam (OPRO) een bijdrage aan een nieuw stedenbouwkundig ontwerp, het zogeheten Basisplan van C. van Traa uit 1946. In tegenstelling tot Witteveens ontwerp ging dit plan uit van de nieuwe functies van de stad en werd het de officiële basis van de uitvoering van de wederopbouw van Rotterdam. In 1941 publiceerde Van den Broek, samen met Brinkman, Van Tijen en Maaskant de studie Woonmogelijkheden in het nieuwe Rotterdam. In deze studie introduceerden de auteurs de Wijkgedachte, een visie die de stedenbouwkundige ontwikkeling van een stad koppelde aan de sociale ordening van de stad op basis van wijken. De studie had grote invloed op de naoorlogse woonwijken van Rotterdam als Pendrecht en Alexanderpolder, waar de Wijkgedachte is toegepast.

Van den Broeks werkzaamheden als lid van de ASRO, de OPRO en de Opbouwcommissie vormden de opmaat tot zijn voorstellen voor de algehele institutionalisering en verwetenschappelijking van de naoorlogse woningbouw. Hij maakte deel uit van adviescommissies van het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting (1947), van de Stichting Studiegroep Efficiënte Woningbouw (1947-1965) en had de leiding bij de oprichting van de Consumenten-Stichting 'Goed Wonen' (1946). In 1948 vertegenwoordigde Van den Broek Nederland bij de oprichting van een internationale architectenorganisatie, de Union internationale des Architectes in Lausanne.

In 1947 werd Van den Broek benoemd tot buitengewoon hoogleraar - vanaf 1955 gewoon hoogleraar - in de Architectuur aan de afdeling Bouwkunde van de TH Delft. Zijn aantreden viel samen met de benoeming tot hoogleraar in de Stedenbouw van de functionalistische architect en stedenbouwkundige C. van Eesteren. Beide benoemingen moesten het onderwijs in Delft een moderne inhoud geven, waarbij werd afgerekend met het op de traditie geënte onderwijs van M.J. Granpré Molière, ook wel de Delftse School genoemd. Van den Broek was een bevlogen docent, met een scherp analytisch vermogen, die via debat en discussie tussen studenten en vakgenoten het architectuuronderwijs wilde vernieuwen. Met het oog hierop introduceerde hij de zogeheten Commentaarcolleges, waarin hij deskundigen uit de praktijk aan het woord liet en studenten de gelegenheid kregen met hen van gedachten te wisselen.

Belangrijk in Van den Broeks naoorlogse carrière was ook de samenwerking met J.B. Bakema, die in 1948 toetrad tot het bureau Brinkman & Van den Broek, dat toen werd omgedoopt in bureau Brinkman & Van den Broek & Bakema Architecten. Het was noodzakelijk de bureauleiding te versterken, aangezien Van den Broek vanaf 1948 drie dagen per week college gaf in Delft, en Brinkman te ziek was om alleen aan het hoofd van het bureau te staan.

Brinkman overleed in 1949, waarna het bureau vanaf 1950 verder ging onder de naam Van den Broek & Bakema Architecten. Deze samenwerking, die zo'n 25 jaar zou duren, leidde tot een omvangrijk en gevarieerd oeuvre dat in binnen- en buitenland tot stand werd gebracht en in grote mate het beeld zou bepalen van de naoorlogse architectuur en stedenbouw, zowel in nationaal als in internationaal opzicht. Hiertoe behoren grootschalige architectonische en stedenbouwkundige projecten, zoals winkelcentrum 'De Lijnbaan' in het centum van Rotterdam (1948-1953), het gebouw van Radio Nederland Wereldomroep in Hilversum (1949-1956), het kantoor van de Postcheque- en Girodienst in Arnhem (1960-1973), het woningbouwproject ''t Hool' in Eindhoven (1960-1973) en het huisvestingsproject voor mindervaliden 'Het Dorp' in Arnhem (1963-1969).

Kenmerkend voor bureau Van den Broek & Bakema was de functionalistische architectuur, met eigentijdse constructiemethoden en moderne materialen als beton en glas en een treffende combinatie van grootschaligheid en menselijke maat. Tijdens de samenwerking met Bakema werkte Van den Broek zijn ideeën met betrekking tot de efficiënte woningbouwplattegrond verder uit. Dit blijkt onder andere uit zijn ontwerp voor een eigen woonhuis op de voormalige buitenplaats 'Ypenhof' (1948-1952) aan de Kralingseweg in Rotterdam, waarin hij de zogeheten split-level introduceerde. Van den Broek en Bakema zouden de split-level toepassen in hun latere volkshuisvestingsprojecten, zoals in de woontoren van het Hansaviertel in Berlijn (1957-1960) en de woningbouw in de Amsterdamse Buikslotermeer (1962).

In de jaren vijftig en zestig bleek ten volle waartoe Van den Broeks veelzijdigheid en werkkracht in staat waren. Naast zijn activiteiten als architect en hoogleraarschap was hij initiator en bestuurslid van vele organisaties op het gebied van de architectuur. Verder was hij redactielid van verscheidene tijdschriften en had hij zitting in de jury van menige architectuurprijsvraag. Ook hield Van den Broek tal van lezingen over architectuur en woningbouw. Zo gaf hij ook na zijn vrijwillig terugtreden als hoogleraar in 1964 nog drie jaar lang verscheidene voordrachten voor de Delftse afdeling Bouwkunde, waarschijnlijk op verzoek van een aantal studenten.

Van den Broek leidde een actief religieus leven. Zo leidde hij als leek verscheidene uitvaartdiensten. Hij verbond zijn godsdienstige overtuiging met zijn ideeën over architectuur. Al in zijn inaugurele rede Creatieve krachten in de architectonische conceptie uit 1948 verknoopte Van den Broek zijn geloofsovertuiging met een definitie van functionalistische bouwkunde: een goed architectonisch ontwerp komt voort uit een diepgaand begrip van de functie van het gebouw. Zo diende een protestantse kerk volgens hem een ononderbroken en langgerekte plattegrond te hebben en moest het gebouw uitdrukking geven aan 'ener voor God tredende menselijke gemeenschap' (Ibelings, 61). Tussen 1954-1958 ontwierp en bouwde Van den Broek de Opstandingskerk in Schiedam.

Tijdens zijn werkzame leven had Van den Broek zich ontpopt als een praktisch organisator, die, geleid door een krachtig geloof in de maakbaarheid van de samenleving, mensen wist samen te brengen. Door de kennis en betrokkenheid waarmee hij zijn vak uitoefende, dwong hij respect af bij zijn omgeving. Van den Broek was een energieke persoonlijkheid met een groot gevoel voor humor. Hij was een vlotte en overtuigende spreker, die met harde stem en Rotterdams accent zijn mening niet onder stoelen of banken stak. Van den Broek, bij voorkeur gekleed in elegante pakken en rondrijdend in een Amerikaanse auto met afgezaagde staartvinnen, had een ontwikkelde smaak. Hij was een fervent kettingroker, hield van jazzmuziek en woonde graag voetbalwedstrijden bij.

In 1972 trad de inmiddels 74-jarige Van den Broek terug uit het architectenbureau, en gaandeweg trok hij zich ook steeds meer terug uit het maatschappelijk leven. Omstreeks 1975 verkochten Van den Broek en zijn vrouw hun woonhuis aan de Kralingseweg en verhuisden zij van Rotterdam naar een verzorgingsflat in Wassenaar. Van den Broek overleed op 79-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Den Haag.

A: Archief-J.H. van den Broek en het archief van Architectenbureau Van den Broek & Bakema in het Nederlands Architectuurinstituut te Rotterdam.

P: Bibliografie van Van den Broek (1933-1962) in de onder L genoemde publicatie Architektur und Städtebau, 221-222.

L: W. van Tijen en J.B. Bakema, 'Het bureau Van den Broek en Bakema', in Forum. Maandblad voor Architectuur en Gebonden Kunst 12 (1957) 6 (juli) 167-189 [Themanummer over het bureau Van den Broek & Bakema]; Architektur und Städtebau. Das Werk von Van den Broek und Bakema. Onder red. van Jürgen Joedicke (Stuttgart 1963); B. Bakker, 'Behalve intrigant ben ik ook zendeling, J.H. van den Broek (72)', in Tijdschrift voor Architectuur en Beeldende Kunsten 38 (1971) 405-409; W. Rothuizen, 'Van den Broeks bouwrevolutie. De magie van de schuifwand', in Haagse Post, 4-7-1981; Ir. J.H. van den Broek. Projekten uit de periode 1928-1948. Onder red. van Rudy Stroink (Delft 1981) [o.a. Biografische feiten: 125-128]; Jean-Paul Baeten, Een telefooncel op de Lijnbaan. De traditie van een architectenbureau: M. Brinkman, Brinkman en van der Vlugt, Van den Broek en Bakema (Rotterdam 1995); Ellen Smit, Inventaris van het archief J.H. van den Broek (1898-1978). Particulier archief 1919-1978 (1990) (Rotterdam 1999); eadem, 'Johannes Hendrik van den Broek (1898-1978)', in Het huis van de architect. Onder red. van Coert Peter Krabbe (Arnhem 1999); Van den Broek en Bakema 1948-1988. Architectuur en stedenbouw: de functie van de vorm. Onder red. van Hans Ibelings (Rotterdam 2000); C. Weeber, 'Puntdak of plat dak. Johannes Hendrik van den Broek, 1898-1978', in Delfts goud. Leven en werk van achttien markante hoogleraren. Onder red. van K.F. Wakker [e.a.] (Delft 2002) 213-221; Wouter van Stiphout, Maak een stad Rotterdam en de architectuur van J.H. van den Broek (Rotterdam 2005).

I: Ir. J.H. van den Broek. Projekten uit de periode 1928-1948. Onder red. van Rudy Stroink (Delft 1981) 128.

Ellen Smit


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013