Engelschman, Nico (1913-1988)

 
English | Nederlands

ENGELSCHMAN, Nico (1913-1988)

ENGELSCHMAN, Nico (pseudoniem Bob Angelo), politiek activist, sociaal hervormer, en acteur (Amsterdam 12-11-1913 – Amsterdam 27-10-1988). Zoon van Nathan Engelschman, handelsreiziger, en Hendrika van der Star.

afbeelding van ENGELSCHMAN, Nico

Niek Engelschman stamde uit een familie van arbeiders en kleine handelaren. Hij was de oudste van vijf zonen. Op de lagere schoolperiode na, die hij in Amersfoort doorbracht, woonde en werkte hij zijn leven lang in Amsterdam. Zijn joodse vader en zijn lutherse moeder behoorden na hun huwelijk godsdienstig noch politiek tot een bepaalde richting. Het volgen van een middelbare schoolopleiding was, vanwege de werkloosheid van zijn vader, financieel onmogelijk. Hij kwam als jongste bediende in dienst bij de NV Nederlandsch-Indische Maatschappij tot Voortzetting der Zaken Van der Linde & Teves en R.S. Stokvis & Zonen, waar hij van 1926 tot 1942 zou werken.

Engelschman werd lid van de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden ‘Mercurius’. De armoedige omstandigheden waaronder hij in het Amsterdam van de jaren twintig opgroeide, zetten hem aan het denken. De Russische Revolutie en het totstandkomen van de Sovjetunie maakten grote indruk op hem. Gretig las hij de werken van Karl Marx en Leo Trotski. In 1927 sloot hij zich aan bij de Arbeiders Jeugd Centrale en de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP). In maart 1932 ging Engelschman mee met de linkervleugel van deze partij toen die zich afscheidde als de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP). In 1935 volgden in snel tempo een aantal afsplitsingen en fusies, waarbij Engelschman en zijn jongere broer Hennie uiteindelijk kozen voor de revolutionaire koers van de Leninistische Jeugd Garde (LJG).

Hoewel onafhankelijk onderhield de LJG nauwe banden met de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP) van Henk Sneevliet; zo werd elke achttienjarige automatisch lid van die partij. Engelschman trad op als landelijk secretaris van de LJG en als voorzitter van de afdeling Amsterdam. Hij was redacteur van Arbeidersjeugd, De Jonge Leninist en De Rood Gardist. Vanuit zijn ouderlijk huis aan het Hygiëaplein voerde hij het secretariaat. Deze drukke werkzaamheden zorgden er – naar eigen zeggen – voor dat hij lange tijd niet over zijn gevoelens hoefde na te denken.

De ongeveer 250 revolutionair-socialisten van de LJG zagen weinig heil in de burgerlijke democratie en definieerden de maatschappelijke verhoudingen in termen van klassenstrijd. Fel ageerden zij tegen het beleid van de rechtse kabinetten-Colijn (1933-1939) om de jeugdwerkeloosheid door middel van gedwongen werkverschaffing en salarisverlaging te bestrijden. Er werden protestbijeenkomsten belegd, en van de hand van Engelschman verscheen in 1936 het boekje Aanslag op de 160.000, want zo groot was de groep jeugdwerklozen inmiddels geworden. De revolutionair-socialistische jongeren organiseerden, zoals iedere jeugdbeweging, lezingen en studieweekends. Daarnaast werd er gewandeld, gesport, gezongen en toneelgespeeld. Liederen en stukken waren vaak van eigen hand. Zo schreef Engelschman de – niet gepubliceerde – eenakter ‘Fascistische terreur’ (1936) over de bloedige onderdrukking door fascistische regimes in Europa. In deze jaren kreeg hij de ambitie acteur te worden.

Hoewel Engelschman in de jeugdbeweging wel een enkele maal verliefd was geworden op een jongen, werd hij zich pas op zijn 24ste volkomen bewust van zijn gevoelens voor het eigen geslacht. Hij begon zich te verdiepen in de geschiedenis van de homoseksualiteit en ging werk van homoseksuele schrijvers lezen. Via anderen kwam hij in contact met oudere homoseksuelen, onder wie jhr. J.A. Schorer, de oprichter van het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee, dat streed tegen artikel 248bis in het Wetboek van Strafrecht, waarin seksuele handelingen tussen minderjarigen en meerderjarigen van hetzelfde geslacht strafbaar werden gesteld. Engelschman wilde echter niet zozeer de wettelijke achterstelling van homoseksuelen bestrijden, als wel hun sociale achterstelling.

Engelschman besloot zich volledig aan deze emancipatiestrijd te wijden en met zijn politieke activiteiten te stoppen. Hij overlegde met Sneevliet, die zelf twee homoseksuele zonen had, en kreeg toestemming de LJG en de RSAP te verlaten. Officieel staakte hij zijn activiteiten wegens ziekte. Zijn netwerk, organisatorische ervaring en zijn redacteurschap kwamen Engelschman goed van pas toen hij in november 1939 begon met een tijdschrift voor homoseksuelen: Levensrecht. Maandblad voor Vriendschap en Vrijheid, waarvan het eerste nummer overigens pas in maart 1940 verscheen. Noodgedwongen bediende Engelschman zich daarbij van het pseudoniem ‘Bob Angelo’ om maatschappelijke uitstoting te voorkomen.

Evenals vele anderen van hun voormalige LJG-kameraden kwamen Engelschman en zijn broer tijdens de Duitse bezetting in het verzet terecht. In het ouderlijk huis maakte Hennie in de zomer van 1940 een van de allereerste illegale huis-aan-huisbladen. Later stencilde hij De Vonk. Orgaan van de werkers van Nederland, dat vanaf januari 1941 verscheen. Het blad ging verder met de strijd tegen het fascisme, zoals die door radicaal links al vóór mei 1940 was gevoerd, maar wenste geen partijpolitiek te bedrijven. De redactie van De Vonk vergaderde in het souterrain van Keizersgracht 518, de woning die Engelschman in 1943 betrok. Zelf zat hij nu eens bij zijn moeder – zijn vader was in december 1941 overleden – en dan weer bij vrienden ondergedoken. Later vertelde hij ‘verzet’ een groot woord te vinden. Zijn broer en hij hadden enkele joodse vrienden er doorheen geholpen.

Engelschman probeerde intussen zijn droom acteur te worden te verwezenlijken. Nadat aan zijn betrekking bij de Nederlandsch-Indische Maatschappij een einde was gekomen, probeerde hij medio 1942 tot de Tooneelschool toegelaten te worden. En hoewel Engelschman volgens de nazi-verordeningen geen jood was, wilde de Tooneelschool blijkbaar geen risico lopen: twee joodse grootouders kwamen hem op een weigering te staan. Wel mocht hij een half jaar hospiteren. Vervolgens nam hij les bij grote acteurs, eerst Louis van Gasteren, later Louis Saalborn. Door thuis illegale toneeluitvoeringen te geven, waaraan hijzelf meedeed, voorzag Engelschman gedurende de laatste bezettingsjaren in zijn levensonderhoud.

Direct na de bevrijding vond Engelschman werk bij Tooneelgroep 5 Mei 1945, voornamelijk bestaande uit acteurs die principieel hadden geweigerd zich aan te melden bij de Kultuurkamer. Terzelfder tijd speelde hij ook bij het Zuid-Nederlandsch Tooneel. In de zomer van 1946 besloot Engelschman zijn carrière als acteur ondergeschikt te maken aan zijn werk als activist. Enerzijds stond het reizen hem tegen, anderzijds wilde hij opnieuw de draad van Levensrecht oppakken.

Als revolutionair-socialist stond Engelschman duidelijk voor ogen op wie zijn maandblad zich diende te richten. De beter gesitueerde, intellectuele homoseksueel vond zijn weg wel, maar de homoseksuele handwerksman en kantoor- of winkelbediende moest in dit opzicht worden bijgestaan. Naar het voorbeeld van het Zwitserse Der Kreis besloot Engelschman, naast het uitgeven van een tijdschrift, ook een vereniging voor homoseksuelen op te richten. Nadat in september 1946 Levensrecht opnieuw was verschenen, werd op 7 december van dat jaar de eerste bijeenkomst van het Cultuur en Ontspannings Centrum (COC) belegd. Engelschman meende dat na de bezetting een nieuwe openheid was ontstaan en dat de maatschappelijke opvattingen over homoseksualiteit snel zouden veranderen. Maar hij vergiste zich daarin. De overheid bekeek namelijk de mogelijkheden het COC te verbieden en liet de zedenpolitie onderzoek doen. Engelschman werd geïntimideerd, en hoewel hij hiervan niet onder de indruk was, besloot hij voorzichtigheidshalve voorlopig niet openlijk aan de weg te timmeren.

Voor Engelschman was het COC een politieke strijdorganisatie. Homoseksuelen moesten in alle openheid volwaardige, gerespecteerde burgers kunnen zijn. Om die reden baseerde de vereniging zich vanaf 1951 op de universele verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties uit 1948. In zijn vermaarde nieuwjaarstoespraken hamerde Engelschman keer op keer op de gelijkwaardigheid van homoseksuelen. Hij vergeleek hun leefsituatie met een leven in de illegaliteit en stelde de afkeer van homoseksualiteit gelijk aan antisemitisme en racisme. Ontslag wegens seksuele geaardheid, afwijzing en uitstoting door familie en vrienden en fysiek en psychisch geweld zouden tot het verleden moeten gaan behoren. Om vooroordelen te slechten en acceptatie te bevorderen bepleitte het COC wetenschappelijk onderzoek naar homoseksualiteit. Daarnaast streefde de vereniging een rechtvaardige en humane beoordeling en behandeling van homoseksuelen na.

Naast zijn werk voor het COC was Engelschman in 1954 ook betrokken bij de oprichting van de Nederlandse Vrijgezellenbond, een vereniging voor ongehuwde volwassenen vanaf 25 jaar, die zich inspande voor verlaging van de fiscale lasten en verbetering van de huisvesting. Alleenstaanden waren in die jaren slecht gehuisvest – vaak bij een hospita met geringe privacy – en betaalden hoge huren. Engelschman werd de eerste landelijke voorzitter. Ook deze ontwikkeling werd nauwlettend door de politie gevolgd, omdat de vrees bestond dat het hier een mantelorganisatie van het COC betrof. Engelschman beloofde de politie bij het COC geen propaganda voor de bond te zullen maken en vice versa.

Bijna twee decennia lang was Engelschman het boegbeeld van het COC. Als directeur van het COC-bureau, als redacteur van het tijdschrift en als voorzitter van de vereniging ijverde hij onophoudelijk voor de emancipatie van een minderheid. Bij zijn terugtreden in 1962 werd hij tot erevoorzitter benoemd. Van 1965 tot 1967 was hij redacteur van Dialoog, het blad dat het gesprek met heteroseksuelen op gang wilde brengen.

Nadat Engelschman eerder langdurige relaties had gehad met achtereenvolgens Nol Biesterveld en Hans Flemming, was vanaf 1972 Jan Onrust zijn partner. Deze 37 jaar jongere verpleegkundige was gevallen voor diens charisma in COC-sociëteit ‘De Schakel’. Hun relatie zou duren tot Engelschmans dood.

Hoewel Engelschman zich wijdde aan het COC, zei hij het acteursvak niet vaarwel. Voor zowel het COC als de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) regisseerde hij in de jaren vijftig en zestig vele toneelstukken. Daarnaast bleef hij in bijrollen werkzaam als acteur voor theater en voor radio en televisie. Zo speelde hij vanaf 1959 bij de toneelgroep ‘Studio’, die, onder de artistieke leiding van Kees van Iersel, vanaf 1962 moderne stukken uitvoerde. In 1969/1970 was Engelschman op de televisie te zien in Floris, de populaire jeugdserie van de NOS. Verder speelde hij in drie speelfilms, namelijk Geen Paniek (1973), Keetje Tippel (1975) en Het verleden (1982). Hierna was hij nog geregeld te zien in bijrollen in diverse televisieseries Hij genoot van het vak, en oudere toneelspelers voor een bijrol waren schaars. Engelschman was dan wel geen topacteur, maar een karakterrol kon hij uitstekend neerzetten. Dit acteerwerk leverde hem, met het directeurschap van het COC en –in de jaren zestig – lezingen over homoseksualiteit en modern toneel, een bescheiden inkomen op.

Niek Engelschman overleed in 1988 op 74-jarige leeftijd. Deze kleine aimabele man, moedig en strijdvaardig, welbespraakt en soms onuitstaanbaar gedreven, werkte zich op van kantoorbediende tot acteur. De kennis en ervaring die hij had opgedaan in de politieke strijd voor de verbetering van het lot van de arbeidersklasse, gebruikte hij daarna om de emancipatie van de homoseksuelen te bevorderen. Zowel bij de revolutionair-socialistische partijtjes waarvan hij in de jaren dertig lid was, als bij het COC, waartoe hij in 1946 het initiatief nam, legde Engelschman de nadruk op zelforganisatie, bewustwording van de eigen maatschappelijke positie en het ontwikkelen van een gevoel van eigenwaarde. Het verzet tegen de heersende orde liep als een rode draad door Engelschmans leven.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties, artikelen in Arbeidersjeugd, De Jonge Leninist, De Rood Gardist, De Vonk, Levensrecht en Dialoog. Een overzicht (tot 1984) van de gezelschappen waarbij Engelschman speelde en de rollen en titels van stukken (toneel, televisie en film) waarin hij optrad in: Piet Hein Honig, Acteurs- en kleinkunstenaarslexicon (Diepenveen 1984) 263.

L: ‘Biografie III’, in De homosexueelen. 35 autobiographieën. Verz. en ingel. door Benno J. Stokvis (Lochem 1939) 49-53; Sal Santen, Sneevliet, rebel (Amsterdam 1971); Gé Nabrink, Seksuele hervorming in Nederland. Achtergronden en geschiedenis van de Nieuw-Malthusiaanse Bond (NMB) en de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH), 1881-1971 (Nijmegen 1978); Wim Bot, Tegen fascisme, kapitalisme en oorlog. Het Marx-Lenin-Luxemburgfront, juli 1940 – april 1942 (Amsterdam 1983); Hans Warmerdam en Pieter Koenders, Cultuur en ontspanning. Het COC, 1946-1966 (Utrecht 1987); Menno Eekman en Herman Pieterson, Linkssocialisme tussen de wereldoorlogen. Twee studies (Amsterdam 1987); Pieter Koenders, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid in Nederland, met nadruk op repressie van homoseksualiteit (Amsterdam 1996); Bart de Cort, De groep Gerretsen. Kroniek van een verzetsgroep, 1940-1945 (Amsterdam 1998); Corrie Verkerk, ‘Het huis van Niek Engelschman, 1913-1988’, in Het Parool, 17-1-2004 (PS); Bart de Cort, Solidariteit in anonimiteit. De geschiedenis van de leden van de Onafhankelijke Socialistische Partij (Breda 2004).

I: Hans Warmerdam en Pieter Koenders, Cultuur en ontspanning. Het COC, 1946-1966 (Utrecht 1987) 58 [Engelschman in 1940].

Hans Warmerdam


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013