Nederlands-Indonesische betrekkingen 1950-1963

 
English | Nederlands

Gegevens van record 1982

Nummer 1982
Datum 17-5-1951
Soort codetelegram(men)
Kenmerk Lamping 66
Opschrift/Bijlage(n)
Verzender(s) Lamping, A.Th. (info)
Ontvanger(s) Peters, L.A.H. (info)
Plaats van opmaak Djakarta
Plaats van bestemming Den Haag
Bewaarplaats Nationaal Archief
Bestand archief Minkol., codetel. 1951
Dossiernummer 2
Trefwoorden ambtenaren(zaken)
culturele samenwerking Nederland -Indonesië
geldwezen
leningen, Nederlandse garantie voor Indonesische -
Pellaupessy, M.A.
pensioenen
Rum, Moh. (Masjumi), hoge commissaris te Den Haag jan.-sept. '50; minister van Buitenlandse Zaken sept. 1950- april 1951; minister van Binnenlandse Zaken april 1952-juli 1953; eerste vice-premier maart 1956-maart 57
Supomo, leider missie Supomo '51-52; vanaf '56 ambassadeur van Indonesië te Londen '54-'56
Supomo, staatscommissie - tot herziening RTC-accoorden
unieverhouding/RTC-akkoorden, (Haags) overleg '51-'52 ter herziening/beëindiging van de -
Annotatie slotnoot:
Onder no 67 liet Lamping hier op 17 mei op volgen: 'Inzake culturele samenwerking komt de herzieningscommissie tot de slotsom, dat "geen reële behoefte aanwezig is om de culturele overeenkomst te continueren."
Aan haar advies ten aanzien van sociale onderwerpen ontleen ik het volgende:
De commissie is van mening, dat aan samenwerking met Nederland op sociaal gebied nog reële behoefte bestaat. Maar uit psychologisch oogpunt bezien is het niet nodig, dat deze samenwerking in Unieverband plaats heeft, doch langs internationaal gebruikelijke weg kan contact worden gezocht. Inzake de overeenkomsten, welke op sociaal gebied ter RTC en op de twee Ministersconferenties gesloten zijn, is de commissie van oordeel:
1. Artikel 3 lid 2 van het Uniestatuut kan verdwijnen;
2. Artikel 24 van het Uniestatuut kan eveneens verdwijnen;
3. Artikel 11 van de financieel-economische overeenkomst wordt niet nodig geacht;
4. Artikel 12 van de financieel-economische overeenkomst behoeft niet gewijzigd of ingetrokken te worden;
5. De overeenkomst inzake personele bijstand behoeft niet te worden ingetrokken;
6. Inzake de brieven MC II/C II/4, 12 en 12A, 9 17 en 17A, 15, 30 AB, 26 en 21, welke ter tweede Ministersconferentie gewisseld zijn, is de commissie van oordeel, dat het noodzakelijk is, dat Indonesië ernaar streeft zich van deze overeenkomsten los te maken en dat de pensioenen van Nederlandse ambtenaren in RI-dienst in principe in Indonesisch courant worden betaald.' T.a.p.

Op 24 mei liet Lamping hier onder no 78 aan Stikker op volgen: 'Ik vroeg Supomo of het rapport van zijn commissie inderdaad binnenkort aan de Regering zou worden aangeboden en wat dan verder ermede zou gebeuren. Zoals te verwachten antwoordde hij, dat zulks ter beslissing van de Regering zou liggen. 'Wij', zei Supomo, denken aan de mogelijkheid, dat op grond van het rapport bepaalde voorstellen aan de Nederlandse Regering ter bespreking zouden worden voorgelegd: wat 'wij'dan in eerste instantie zouden hopen is, dat een dergelijk voorstel niet botweg door de Nederlandse Regering zal worden afgewezen. Ook Supomo kwam met het reeds eerder door mij gerapporteerde denkbeeld commissaris naar Nederland zenden. Denkt men aan Pelaupessy of misschien aan Rum? Laatste zou kloppen met geheimzinnigheid die Rum in acht neemt tegenover vragen nopens zijn toekomstige bestemming. 'Ik ga niet naar Delhi, ik word ook geen burgemeester, maar ik weet wat ik wel ga doen', zei hij onlangs zonder zich verder te willen uitlaten.' NA, archief Minkol., codetel. 1951, 7. Zie ook recordnummer 2208.
Zie ook 1969: Lamping 63
1996: Lamping 68
2208: Lamping 93
PDF transcriptie (59 KB)