Monté Verloren, Johan Philip de (1901-1974)

 
English | Nederlands

MONTÉ VERLOREN, Johan Philip de (1901-1974)

Monté Verloren, Johan Philip de (bekend onder de naam De Monté ver Loren) rechts-historicus, hoogleraar, dijkgraaf (Zeist 24-6-1901 - Zeist 8-4-1974). Zoon van Johan Willem Diederik Ernst Lodewijk de Monté verLoren, directeur der Nederlandsche Hypotheek- en Pandbriefbank, en Judith IJssel de Schepper. Hij was ongehuwd. afbeelding van Monté Verloren, Johan Philip de

Stammend uit het oorspronkelijk Hoornse patriciërsgeslacht VerLoren bracht Johan Philip zijn jeugd door in Zeist, bezocht het Stedelijk Gymnasium te Utrecht, waarna hij zich, 1921, deed inschrijven als student in de rechtsgeleerdheid aan de Utrechtse Rijksuniversiteit. Dat naast het recht ook de geschiedenis zijn belangstelling genoot, bleek toen reeds, want aleer hij, 9 maart 1927, het doctoraal examen aflegde had hij door twee publikaties (zie bibliografie onder P) van zijn voorliefde voor de wetenschappelijke rechtsgeschiedenis getuigd; ook gedurende de voorbereiding op zijn promotie verscheen nog een rechtshistorische studie van zijn hand. Betroffen de laatste twee artikelen het middeleeuwse strafrecht, het onderwerp van de lijvige dissertatie De historische ontwikkeling van de begrippen Bezit en Eigendom in de landsheerlijke rechtspraak over onroerend goed in Holland, waarop hij, 28 november 1929, cum laude te Utrecht bij prof. D.G. Rengers Hora Siccama promoveerde, was - evenals zijn eerste publikatie - van privaatrechtelijke aard.

Zijn juridische en geschiedkundige kennis en wetenschappelijke accuratesse bevorderden zijn benoeming, 1930, tot secretaris van de Hoge Raad van Adel, die hij 13 jaar zou dienen. Door zijn buitengewone werkkracht wist hij, naast zijn beroepsarbeid, een twintigtal recensies en ruim tien verhandelingen te publiceren en bovendien, 25 augustus 1932 tot hoogheemraad van het Groot-Waterschap van Woerden verkozen zijnde, als plichtsgetrouw waterschapsbestuurder te fungeren. De van de Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht (Ver. O.V.R.) aanvaarde opdracht, de door wijlen jhr.mr. Th.H.F. van Riemsdijk getranscribeerde archiefstukken betreffende de grafelijke justitie in Holland te ordenen en uit te geven, resulteerde in een driedelige, 1932-1934, in de Werken van voormelde vereniging uitgekomen editie. Uit deze periode zijn twee werken nog te noemen: zijn monografie over middeleeuws grondbezit in Oost-Nederland (1939), welke tien jaar later een herdruk zou beleven, en zijn bijdrage in de reeks Geschiedenis der Nederlandsche rechtswetenschap met een wetenschapsgeschiedenis betreffende het strafrecht vóór de totstandkoming der moderne wetboeken (1942). Inmiddels had zijn consciëntieuze medewerking aan het waterschapsbestuur geleid tot zijn aanstelling, 4 augustus 1941, tot dijkgraaf van het Groot-Waterschap.

Het jaar daarop, 14 september 1942, volgde zijn benoeming tot gewoon hoogleraar in oudvaderlands recht en inleiding tot de rechtsgeleerdheid aan de Utrechtse universiteit. In zijn, 9 november 1942, gehouden inaugurele rede Stem in staat in den loop der eeuwen vatte hij zijn inzichten samen in de ontwikkeling der bevoegdheid van mensen en groepen om deel te nemen aan de regeling der rechtsorde. In 1945 kwam een voorlopig einde aan zijn professoraat, want bij de zuivering van het hoger onderwijs werd hem ongevraagd eervol ontslag, met behoud van wachtgeld, verleend. Dit pijnlijk incident heeft hij met filosofische waardigheid kunnen verwerken, omdat hem daarbij geen laakbare handelingen, gezindheid of houding gedurende de bezettingstijd verweten werden. Dit ontslag verminderde echter geenszins zijn leidende activiteit in het waterschapsbestuur, noch zijn wetenschappelijke produktiviteit. Reeds in 1946 verscheen de eerste uitgave van zijn Hoofdlijnen .. ., waar in 80 bladzijden een beknopt maar glashelder overzicht van de Noordnederlandse rechtsgeschiedenis werd gegeven en waarvan de auteur nog de 5e editie van 240 bladzijden zou beleven. Vervolgens kwamen in 1948 twee historische studiën uit over de rechterlijke organisatie ('Verfassungsgeschichte'), waarin hij de Groningse Ommelanden en het Utrechtse Kromme Rijngebied in zijn onderzoek betrok. Weer een tiental recensies en vele artikelen deed hij inmiddels verschijnen. In de Raad van Beheer der Van de Poll Stichting, opgericht ter bevordering en verbreiding van de kennis der geschiedenis van Zeist, die hem bijzonder dierbaar was, heeft hij sinds het begin (1951) als lid en sinds 1956 als ondervoorzitter zitting gehad. Als de altijd ter beschikking staande adviseur van de stichting, wier archief lange tijd in zijn huis onderdak vond, leidde en controleerde hij de uitgave van de door Ph.J.C.G. van Hinsbergen verzamelde Bronnen voor de geschiedenis van Zeist (Assen, 1957-. dln.). Sinds 1951 eveneens belast met het wetenschappelijk toezicht op de omvangrijke uitgave der geschiedenis van de graven van Limburg Stirum, waaraan historici uit Nederland en Duitsland meewerkten, besteedde hij ruim twintig jaar veel tijd aan vaak langdurige besprekingen en eigen onderzoekingen.

In 1954 kreeg hij als leeropdracht, het oudvaderlandse recht aan de Universiteit van Utrecht te onderwijzen. Het jaar daarop kwam zijn aanstelling als beheerder van het Instituut voor Rechtsgeschiedenis der Rijksuniversiteit. Op 1 oktober 1957 werd hij weer tot gewoon hoogleraar op deze leerstoel benoemd waarmee hij in zijn eer hersteld was. De Monté ver Loren betoonde zich een begenadigd docent, die de ontwikkeling van het Nederlandse recht boeiend wist te onderwijzen, een voorbeeldig promotor, die met levendige belangstelling adviserend en kritiserend zijn promovendi leidde, tevens echter hun vrijheid eerbiedigend om eigen inzichten te ontwikkelen, en een humaan examinator, die zijn voorkeur voor het mondelinge gesprek trouw bleef ook toen het toegenomen aantal studenten zijn collegae al had doen overgaan op schriftelijke toetsing. Zelf bezitter van een in vele jaren gevormde bibliotheek, heeft hij zijn bibliografische wetenschap en zijn praktische aanschaffingservaring in dienst gesteld van het Instituut voor Rechtsgeschiedenis, waar een van de rijkste en kostbaarste rechtshistorische bibliotheken van Nederland kon worden opgebouwd. Voor het in 1968 opgerichte Algemeen-Rechts-historische Studentendispuut Salvius Julianus was De Monté ver Loren een gewaardeerde en beminlijke 'custos scientiae'. Niet onvermeld blijve zijn betrokkenheid bij het uit zijn familie afkomstige en als museum ingerichte 'Huis Verloren' te Hoorn, waaraan hij - gedegen kenner van het antieke interieur - een deel van het familiemeubilair schonk. Na zijn emeritaat (15 september 1971) heeft hij zijn opvolger, prof.mr. J.E. Spruit, geadviseerd bij diens bewerking van de Hoofdlijnen ... voor de 5e druk. Na de plechtigheid van 19 november 1971 te Zwammerdam, waar hij ter gelegenheid van de onthulling door koningin Juliana van het beeld van keizer Frederik Barbarossa een toespraak hield als dijkgraaf van het Groot-Waterschap van Woerden, nam ook dit ambt een einde op 31 december 1971. Na nog ruim twee jaar wetenschappelijke arbeid stierf hij in 1974 onverwacht te midden van zijn bezigheden.

De door De Monté ver Loren in woord en geschrift geformuleerde wetenschap der Nederlandse rechtsgeschiedenis legde sterker dan voorheen de nadruk op het 'veranderende' aspect in de ontwikkeling van het inheemse recht en nam dus afstand van vroegere voorstellingen van een 'Germaanse rechtsorde' naar analogie van het nu eenmaal eerder 'statisch' gepresenteerde recht van Justinianus. Daarbij moest hij het rechtsbegrip bevrijden van een van oudsher bestaande neiging. Germanistische rechtsverschijnselen te vatten in het kader van een Romanistische of moderne dogmatiek, zonder dat hij nochtans verviel in een vrijblijvende beschouwelijkheid van een vaag Germanendom, zoals elders wel geschiedde. Hoewel zijn onderwijs zich hoofdzakelijk beperkte tot de publiekrechtelijke ontwikkeling, droeg hij mede bij tot het vrijmaken van de weg naar juister inzicht in het Germanistisch 'eighen', dat tot dusver als nagenoeg identiek aan het Romanistische 'dominium' werd voorgesteld. Voorbereid in zijn dissertatie verschijnen in zijn Hoofdlijnen ... en enkele andere werken implicite gedachten over het middeleeuwse eigendomsbegrip, die inmiddels door anderen uitdrukkelijk onder woorden zijn gebracht. Niet alleen juridisch inzicht en historische kennis stelden hem tot deze vernieuwende denkwijze in staat, óók zijn sterke betrokkenheid tot het platteland en het agrarisch bedrijf, welke tevens zijn werkzaamheden als dijkgraaf zo'n innig accent gaf. Want in zover droeg hij wel de fakkel van befaamde voorgangers verder, dat hij in de landbouw de bepalende economie van de middeleeuwse maatschappij zag.

A: Collectie-De Monté ver Loren in Universiteitsmuseum te Utrecht.

P: Niet gepubliceerde bibliografie van de hand van J.E. Spruit in onder A genoemde collectie.

L: J.E. Spruit en O. Moorman van Kappen, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 42 (1974) 386-388.

I: J.H. Heimel, Prof.mr.dr. Johan Philip de Monté ver Loren (1901-1974) (Zeist 2004) omslagfoto [De Monté ver Loren in 1972].

F. Doeleman


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013