Eijkman, Christiaan (1858-1930)

EIJKMAN, Christiaan (1858-1930)

Eijkman, Christiaan, bacterioloog en voedingsdeskundige (Nijkerk 11-8-1858 - Utrecht 5-11-1930). Zoon van Christiaan Eijkman, kostschoolhouder, en Johanna Alida Pool. Gehuwd op 30-8-1883 met Aaltje Wigêri van Edema. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Na haar overlijden (8-1-1886) gehuwd op 21-7-1888 met Bertha Julie Louise van der Kemp. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Eijkman, Christiaan

Christiaan Eijkman doorliep de openbare MULO te Zaandam, waarvan zijn vader directeur was. Hij schoolde zich bij in wiskunde en oude talen en slaagde in 1875 voor het vergelijkend examen dat toegang gaf tot de opleiding tot arts aan de Militaire Geneeskundige School, die was toegevoegd aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam. In 1883 promoveerde hij aldaar cum laude tot doctor in de geneeskunde. De fysioloog Thomas Place was zijn promotor. In dat zelfde jaar vertrok hij naar Nederlands-Indië, vergezeld van zijn echtgenote. In 1885 keerde hij met ziekteverlof naar Nederland terug.

Eijkman bekwaamde zich in de loop van 1886 in de bacteriologie, aanvankelijk onder leiding van de bacterioloog Joseph Forster te Amsterdam, later bij Robert Koch in Berlijn. In oktober werd hij toegevoegd aan de missie C.A. Pekelharing/C. Winkler, die voor 'onderzoek naar de aard en oorzaak der beri-beri' naar Indië vertrok. In 1888 werd Eijkman aangesteld tot directeur van het inmiddels opgerichte laboratorium bij het militair hospitaal te Weltevreden. Daarnaast kreeg hij de opdracht het directoraat van de 'Stovia', de School tot opleiding van inlandsche artsen, op zich te nemen. Hij doceerde aldaar fysiologie en organische scheikunde. In 1893 richtte hij het Tijdschrift voor inlandsche geneeskunde op.

Toen in 1898 een hoogleraarsbenoeming in Utrecht volgde, keerde Eijkman naar Nederland terug. Hij aanvaardde daar het ambt van hoogleraar in de gezondheidsleer, geneeskundige politie en gerechtelijke geneeskunde met een rede Over gezondheid en ziekte in heete gewesten. In 1912/1913 was hij rector magnificus van de Rijksuniversiteit te Utrecht.

Spoedig werd Eijkman in wijder kring een vermaard geleerde, wiens ontdekking van antineuritische vitamine hem de Nobelprijs in 1929 ten deel zou doen vallen. Die ontdekking was door Eijkman gedaan na zijn verblijf in Indië, al hadden persoonlijke en medisch-wetenschappelijke ervaringen daar zijn aandacht juist gericht op de in deze koloniën heersende tropische ziekten. Opgeleid in de strikt natuurwetenschappelijke sfeer van de experimentele fysiologie was hij reeds tijdens zijn eerste verblijf in Indië geconfronteerd geweest met de verwoestende werking van tropische ziekten. Hij werd zelf getroffen door malaria, waarvan de verwekker in 1880 door Alphonse Laveran was ontdekt. Daarom richtte hij toen al zijn aandacht geheel op micro-organismen; na zijn terugkomst in Indië had hij in Weltevreden gespeurd naar de verwekkers van tropische ziekten en naar middelen om deze te bestrijden.

De commissie-Pekelharing was onder de indruk geraakt van de mogelijkheden in het onderzoekingsveld van tropische ziekten voor de bacteriologie. Deze indruk had zelfs tot een overschatting geleid: bij terugkeer in Nederland werd het vermoeden uitgesproken dat ook beri-beri verwekt zou worden door een bacterie. Lange tijd ondersteunde Eijkman deze theorie. Het was hem opgevallen dat hoenders, die hij in zijn laboratorium hield, een 'uitgebreide, perifere zenuwdegeneratie' kregen die overeen kwam met de verschijnselen van beri-beri. Deze kippen kregen gekookte, witte rijst, afkomstig van het militair hospitaal. Door wisseling van kok moesten de kippen het doen met rauwe, ongepelde rijst, waarna de gezonde dieren niet meer ziek werden en de zieke genazen. Deze beroemd geworden waarneming bracht Eijkman tot de theorie dat het zilvervliesje van de rijst een stof zou bevatten die het vergif dat de hoenderpolyneuritis veroorzaakte, zou tegengaan. Hij dacht dus aan een 'antistof in het zilvervliesje, die werkte tegen het gif van de bacterie.

In 1898 besprak Eijkman, met deze hypothese als achtergrond, de relatie tussen voeding en beri-beri uitvoerig in een drietal artikelen in het Nederlandsch tijdschrift voor geneeskunde 2e reeks 34 (1898) 185-209, 233-247 en 275-303. Inmiddels had hij bewerkt dat van regeringswege door A.G. Vorderman in 1896 een onderzoek werd gedaan in honderd Indische gevangenissen naar het gebruik van ongepelde rijst bij de gevangenen. In de gevangenissen waar men de geheel gepelde rijst gebruikte vond Vorderman een significant hoger aantal beri-be-rilijders dan in de gevangenissen waar onafgewerkte rijst werd toegediend. Hiermede kwam het beri-berivraagstuk onder een bredere aandacht, daar voedingskwesties ook van belang waren voor het Nederlands-Indisch leger. Eijkmans hypothese over het ontstaan van beri-beri was onjuist. Zijn opvolger G. Grijns bestudeerde in Weltevreden de aard van de stof in het zilvervliesje. Hij opperde de theorie dat beri-beri een ziekte was die het gevolg was van het ontbreken van een levensnoodzakelijke stof, een 'partiële honger'. Aanvankelijk was Eijkman door de onderzoekingen van Grijns niet overtuigd. Pas in 1916 erkende hij beri-beri als een deficiëntie ziekte. In 1926 werd de werkzame factor, het vitamine B1, door B.C.P. Jansen en W.F. Donath in het geneeskundig laboratorium te Weltevreden geïsoleerd.

Eijkman was een van de eerste tropenfysiologen. Zijn kritische geest toetste de leerstellingen over de tropenanemie die bij Europeanen voorkwam, die het gevolg zou zijn van de hoge temperatuur. Hij toonde aan dat de gezonde Europeaan in de tropen geen verhoogde lichaamstemperatuur heeft, niet aan bloedarmoede lijdt en dat zijn stofwisseling niet verschilt van die van de inlandse bewoners. Daarmede werd de aandacht gericht op de tropische hygiëne. Eijkman onderzocht de bacteriologische betrouwbaarheid van het drinkwater, waarbij hij op vernuftige wijze gebruik maakte van lichtgevende bacteriën ter controle van de doelmatigheid van diverse filters. Daarbij ontging hem het probleem van de filtreerbare virussen niet. Ook was hij geïnteresseerd in hondsdolheid; in 1900 ondernam hij speciaal voor dit onderzoek een studiereis naar Parijs.

Eijkman was in zijn werk zo geboeid door het leven van de micro-organismen, dat Jansen hem heeft gekarakteriseerd als een onwillige vader van de vitaminenleer. Het is hem zwaar gevallen de visie van Grijns naar waarde te schatten. Zijn Nobelprijsvoordracht in 1929, geschreven in de schemering van zijn levensavond, bevat vele omissies in deze zin. Naast deze hoogste wetenschappelijke onderscheiding vonden zijn kwaliteiten allerwege erkenning in de vele lidmaatschappen van wetenschappelijke instellingen, in de benoemingen in commissies op het terrein van de gezondheidszorg en onderscheidingen (zie werk van B.C.P. Jansen, p. 6 en p. 7). Van al deze stelde hij de benoeming tot Foreign Associate of the National Academy in Washington het meeste op prijs. In 1923 werd een Eijkman-medaillefonds opgericht, dat tot doel heeft het onderzoek op het gebied van de tropische hygiëne te bevorderen.

P: Bibliografie in onder L genoemd werk van B.C.P. Jansen.

L: J.J. van Loghem, in Nederlandsch tijdschrift voor geneeskunde 74 (1930) 5464-5465; G. Grijns, in Nederlands tijdschrift voor hygiëne, microbiologie en serologie 5 (1930) 109-117; J.M. Baart de la Faille, 'Christiaan Eijkman', in T.P. Sevensma, Nederlandsche helden der wetenschap (Amsterdam, 1946) 299-333; B.C.P. Jansen, Het levenswerk van Christiaan Eijkman 1858-1930 (Haarlem, 1959); J.F. Reith, 'Christiaan Eijkman en Gerrit Grijns', in Voeding 32 (1971) 180-195.

I: B.C.P. Jansen, Het levenswerk van Christiaan Eijkman 1858-1930 (Haarlem, 1959). Afbeelding tegenover titelblad.

A.M. Luyendijk-Elshout


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013