Schuil, Jouke Broer (1875-1960)

 
English | Nederlands

SCHUIL, Jouke Broer (1875-1960)

Schuil, Jouke Broer, legerofficier, schrijver en journalist (Franeker 20-3-1875 - Zandvoort 24-10-1960). Zoon van Martinus Schuil, musicus en componist, en Martha van der Meulen. Gehuwd op 15-12-1897 met Amalia Jacoba Hol, zangpedagoge. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

afbeelding van Schuil, Jouke Broer

Een romantische inslag - verering van Napoleon daarbij inbegrepen - bracht Schuil ertoe om, nadat hij de HBS te Harlingen had bezocht, in de zomer van 1892 te kiezen voor een loopbaan in het leger. Maar reeds tijdens zijn verblijf op de Koninklijke Militaire Academie in Breda openbaarde zich een andere kant van zijn zucht naar avontuur en schoonheid: hij waagde zich aan het schrijven van toneelstukken, waarvan er tot zijn vreugde één door amateurs zou worden opgevoerd.

In oktober 1896 vertrok Schuil als luitenant der infanterie naar Nederlands-Indië. Hij diende bij de garnizoenscompagnie van de Lampongse districten in Zuid-Sumatra en vanaf oktober 1899 bij het garnizoensbataljon in West-Borneo. Ook in deze buitengewesten leidde Schuil een soort dubbelleven: enerzijds kweet hij zich plichtsgetrouw van de hem opgedragen taken ter handhaving van rust en orde, anderzijds nam hij deel aan het culturele leven in de kolonie en bleef hij, voor zover de omstandigheden dat toelieten, belang stellen in het theater. Zijn echtgenote - een dochter van de componist Richard Hol -, die zich later bij hem voegde, bleek niet bestand tegen het tropische klimaat, hetgeen Schuil in 1903 deed besluiten terug te keren naar Nederland.

Na enkele jaren in Den Helder te hebben gewoond, vestigde het echtpaar zich in 1908 te Haarlem. Schuil was nog steeds beroepsmilitair, maar de aantrekkingskracht die het toneel op hem uitoefende, werd met het jaar groter. Het Indische blijspel in drie bedrijven Gedeballoteerd was de vrucht van zijn verblijf op Borneo; in 1905 zou het voor het eerst door Het Nederlandsch Tooneel in Amsterdam worden opgevoerd. Uit hetzelfde jaar dateert ook de dramatische schets Het offerlam , terwijl bij het Rotterdamsch Tooneelgezelschap eind 1906 het stuk Mésalliance en het jaar daarop Een geloovige in première gingen. De Nederlandsche Tooneelvereeniging nam in 1908 de komedie Fatsoen op het repertoire.

Schrijven ging Schuil gemakkelijk af, en zonder dat een van deze stukken tot grote hoogte reikte, waren ze onderhoudend genoeg om publiek te trekken en geregeld door bekende gezelschappen op de planken te worden gebracht. Standsverschillen en schijnheiligheid waren terugkerende thema's, nu eens uitgewerkt tegen een benepen vaderlandse achtergrond, dan weer tegen de koloniale. In Een geloovige laat Schuil zijn hoofdrolspeelster Threes zeggen: ''n Heel leven in Indië! Och, dominé, u weet nog niet wat 't beteekent, altijd te midden van cynische, nuchtere mensen te moeten leven, die meenen, dat er niets anders bestaat dan promotie en tractement!' (33), en in Gedeballoteerd kon men horen beweren dat een van de keerzijden van het leven in Indië was 'dat je brave, joviale menschen driftige, voor de omstanders onuitstaanbare zenuwlijders ziet worden' (57). Over zijn eigen Indische ervaringen zou Schuil zich niet expliciet uitlaten, hoewel hij er in zijn toneelwerk noch in zijn latere jeugdboeken een geheim van maakte respect te hebben voor militairen in het algemeen en in het bijzonder voor hen die in de Oost hadden gevochten. Aan de erecode van zijn kaste, met trouw en eerlijkheid als voornaamste deugden, hield hij onverkort vast.

In 1910 nam Schuils bestaan echter een andere keer. De uitnodiging van de directeur-hoofdredacteur van het Haarlem's Dagblad om toneelrecensent voor deze krant te worden aanvaardde hij meteen. 'Man, kom in mijn armen', zou hij spontaan hebben uitgeroepen. Klaarblijkelijk trokken de muzen hem toch meer dan Mars. Overigens kreeg Schuil pas in januari 1914 eervol ontslag als kapitein bij het 3e Regiment Infanterie - om, ten gevolge van de mobilisatie, een half jaar later de wapenrok weer aan te trekken. Kort na afloop van de Eerste Wereldoorlog zou hij met onbepaald en in september 1923 met groot verlof gaan.

In hetzelfde jaar, 1910, waarin Schuil als toneelrecensent aan de slag ging, werd ook zijn eerste jongensboek, Uit den kostschooltijd van Jan van Beek door uitgeverij Becht gepubliceerd. De hierin beschreven avonturen - gedeeltelijk gebaseerd op hetgeen hij in zijn jeugd had meegemaakt op een kostschool in Velp - vonden bij zijn jonge lezers zo'n gretig onthaal, dat hij in het genre verder ging. Schuils voorbeelden waren Mark Twain, Hector Malot en Charles Dickens; voor de vaderlandse schrijvers van jeugdboeken koesterde hij veel minder bewondering. Zo schreef hij in 1912 de kritiek op auteurs als Chr. van Abkoude en Johan Kieviet te delen; hun slechte taal, onmogelijke dialoog en burgerlijke geest ergerden hem. Schuil probeerde er betere boeken voor in de plaats te stellen, in chronologische volgorde: De Katjangs (1912), De A.F.C.-ers (1915), De Artapappa's (1920), Doodverklaard (1928) - in 1932 herdoopt in Rob en de stroper van Tjot-Idi - en ten slotte Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen (1930).

Schuil werd de schepper van een aantal jonge helden die, ondanks hun soms misselijke streken tegen leraren, huishoudsters en brave Hendrikken, in wezen eerlijk waren, moedig en sportief. Zij bezochten de HBS, hadden niet zelden innige banden met Indië, richtten samen geheime clubs op, gingen met elkaar op de vuist en ontdekten in crisissituaties het verschil tussen goed en kwaad. Een hoogtepunt, wat dit betreft, is De Artapappa's , te meer daar in dit boek een hoofdrol is weggelegd voor een 'kafferjongen' uit Zuid-Afrika. Latere beweringen dat in de beschrijving van diens karakter en gedrag Schuil zich zou hebben bezondigd aan racisme, raken kant noch wal.

Hoewel Schuil nooit had gevoetbald, bleek hij in De A.F.C.-ers de aantrekkelijkheden van deze sport - met de knokpartijen die er toen al bij hoorden - aanstekelijk te kunnen verwoorden. In al zijn boeken koos hij partij voor de jeugd in haar kleine of grote botsingen met ouders of gezag, met dien verstande dat tussen de regels door was te lezen dat zijn pappenheimers, eenmaal volwassen, pijlers van de Nederlandse maatschappij zouden worden.

Schuils creativiteit als toneelschrijver liep na 1910 terug. Doodenrit uit 1918 en De zedelijkheidsdictator uit 1920 waren minder geslaagde produkties, terwijl een handvol eenakters tot de categorie eendagsvliegen behoort. Als recensent daarentegen weerde hij zich in het Haarlem's Dagblad - en incidenteel in de Nieuwe Rotterdamsche Courant - voortreffelijk. Zonder zijn aanwezigheid leek geen voorstelling in Haarlem compleet. In de stadsschouwburg had Schuil een vaste plaats: eerste rij stalles, rechts vooraan. Top Naeff noemde hem in een royaal ogenblik de Nederlandse tegenhanger van George Bernard Shaw ('GBS'); hij was onze eigen 'JBS'. Schuils kritieken waren meestal opbouwend van aard; alleen wanneer het niet anders kon, doopte hij zijn pen in gal. Hij mocht het theater bovenal liefhebben, in 1941 liet hij het Haarlem's Dagblad weten: 'Ik schei uit, ik wil niet schrijven over Kulturkammer-toneel'.

Na de oorlog bleef Schuil de schouwburg frequenteren, maar zijn oude stiel nam hij niet meer op, nu met het argument dat de jongeren een kans behoorden te krijgen. Terugkijkend schatte hij Else Mauhs, Willem Royaards en Eduard Verkade het hoogst. Bewondering viel ook hemzelf ten deel: om zijn toewijding aan de schone kunsten, om de jongensboeken die lang na hun verschijningsdatum nog weinig van hun oorspronkelijke frisheid hadden verloren, en om zijn onvermoeibaar ijveren scholieren in contact met de cultuur te brengen. Wegens dit laatste gaf het gemeentebestuur van Haarlem in 1959 de schilder Kees Verwey opdracht een portret van Schuil te vervaardigen. Het doek zou een plaats krijgen in het trappenhuis van de stadsschouwburg.

Schuils toneelstukken waren inmiddels allemaal ten offer gevallen aan de tand des tijds. 'Herman Heijermans is de enige van mijn confraters ... die niet vergeten raakte', merkte hij in de jaren vijftig eens op, en op een ander moment verzuchtte hij: 'Als ik tegenwoordig aan de mensen vertel, dat ik toneelstukken heb geschreven, kijken ze me ongelovig aan'. Daarom deed het hem deugd dat de wederwaardigheden van de Katjangs en de A.F.C.'ers opeenvolgende generaties bleven boeien. Gaandeweg werd duidelijk dat Schuil 'classics' in hun soort had geproduceerd. Zijn levensavond - sedert juli 1938 was hij weduwnaar - sleet hij aan de Wagenweg in zijn vertrouwde Haarlem. Hij was erelid van verscheidene verenigingen, waaronder de bekende kunstenaarssociëteit Teisterbant. Volgens vrienden betreurde Schuil het wel dat hij, die hechtte aan onderscheidingen en niet gespeend was van ijdelheid, nooit een lintje kreeg opgespeld. Er een verdiend had hij zeker, al is het maar omdat weinigen aan Nederlandse jongens zoveel leesplezier hebben geschonken als de gewezen beroepsmilitair J.B. Schuil.

A: Collectie-J.B. Schuil in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Behalve in de tekst genoemde werken: 'Over jongensboeken van heden', in Haarlem's Dagblad , 12-11-1912; Met de eerste compagnie op mobilisatie [brochure] (S.l., 1915).

L: Behalve herdenkingsartikelen en necrologieën o.a. in Provinciale Zeeuwse Courant , 12-3-1955; door D. Koning, in Haarlems Dagblad , 19-3-1955; in Het Parool , 19-3-1955; door D. Koning, in Haarlems Dagblad , 25-10-1960; door P.W. Peereboom, in Haerlem Jaarboek 1960 (Haarlem, 1961) 49-52: E.E. Jonkheid-Peereboom, 'Necrologie mevr. A.J. Schuil-Hol', in Haerlem Jaarboek 1938 (Haarlem, s.a.) 42-45: S. Koster, Van schavot tot schouwburg. Vijfhonderd jaar toneel in Haarlem (Haarlem, 1970); H. van Gelder, 'J.B. Schuil. Ridderlijk eerlijk en fair', in 't Is een bijzonder kind, dat is ie ... (Bussum, 1980) 83-90; H. Verschuren, 'J.B. Schuil', in Lexicon van de jeugdliteratuur (Alphen aan den Rijn, 1982-); H. Bekkering, 'Ridderlijkheid, eerlijkheid en 'fair play'. De 19de eeuwse wereld van J.B. Schuil', in Bzzlletin 11 (1983) 35-44; Harry Bekkering [e.a.], De hele Biblebontse berg. De geschiedenis van het kinderboek in Nederland & Vlaanderen van de middeleeuwen tot heden (Amsterdam, 1990).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1336.

A. Lammers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013