Creijghton, Josephus Hendrikus Cornelis (1901-1975)

 
English | Nederlands

CREIJGHTON, Josephus Hendrikus Cornelis (1901-1975)

Creijghton, Josephus Hendrikus Cornelis, (bekend onder de naam Creyghton), rooms-katholiek religieus, journalist en publicist (Nijmegen 17-2-1901 - Nijmegen 19-4-1975). Zoon van Nicolaas Jacobus Creijghton, banketbakker, en Cornelia Meijsing.

afbeelding van Creijghton, Josephus Hendrikus CornelisJozef Creyghton groeide op als derde kind en oudste zoon in een gezin van negen kinderen. In zijn geboorteplaats Nijmegen bezocht hij het gymnasium op het St. Canisius-College, dat geleid werd door jezuïeten. Tot deze orde trad hij in 1922 als 21-jarige toe. Na het noviciaat in 'Mariëndaal' bij Grave studeerde hij van 1924 tot 1927 filosofie in het studiehuis van zijn orde te Oudenbosch en vervolgens tot 1931 theologie aan het Theologisch College in Maastricht. Op 15 augustus 1930 werd hij in die stad tot priester gewijd. Het liefst was Creyghton daarna begonnen aan een studie kunstfilosofie - zijn grote liefde -, maar de ordeleiding besliste anders. Zij zond hem naar Rome om aan de Gregoriana, de pauselijke universiteit, kerkelijk recht te studeren; het is de enige keer geweest dat men hem zag huilen. Aan het eind van zijn studie, in 1934, ontving hij de doctorstitel in de filosofie en de theologie, waarna hij van 1935 tot 1938 aan de Gregoriana ethica, moraaltheologie en kerkelijk recht doceerde.

In Rome startte ook Creyghtons journalistieke carrière. Van 1935 tot 1937 redigeerde hij het door de Gregoriana uitgegeven religieuze tijdschrift Periodica de re morali, canonica, liturgica en vanaf 1936 leverde hij bijdragen aan de zondagseditie van de Nederlandse rooms-katholieke krant De Maasbode . In zijn rubriek schreef hij niet alleen over de christelijke moraal en het kerkelijk recht, maar ook over actuele maatschappelijke thema's als het fascisme en de internationale spanningen, zoals die in de pauselijke encyclieken werden behandeld.

In 1938 keerde Creyghton naar Nederland terug. Eerst was hij een jaar lang leraar aan het studiehuis 'Berchmannianum' van zijn orde in Nijmegen. In 1939 vertrok hij naar Maastricht om daar aan het Theologisch College van de jezuïeten moraaltheologie en kerkelijk recht te doceren. Ook werkte hij mee aan de modernisering van het maandblad Studiën. Tijdschrift voor Godsdienst, Wetenschap en Letteren van de Nederlandse jezuïetenprovincie. Zelf schreef hij daarin onder het pseudoniem 'Dr. Hans Nicolaas' over kunst en onder eigen naam over religieuze thema's.

Na de Duitse inval van mei 1940 kwam er een einde aan Creyghtons wekelijkse journalistieke bijdragen aan De Maasbode . Oorlogsomstandigheden zorgden er verder voor dat hij tijdens de bezetting verscheidene malen moest verhuizen. Zo vorderden in Maastricht de Duitsers gebouwen van de orde, en werd het retraitehuis in Spaubeek, waar Creyghton in de zomer van 1943 verbleef, bij een bombardement vernield. Vanuit Heerlen, waar hij sindsdien woonde, verhuisde hij medio 1944 naar Amsterdam. Hij vond er onderdak in de pastorie van de kerk 'De Zaaier' aan de Rozengracht en maakte hier de bevrijding mee.

In Amsterdam publiceerde Creyghton in oktober 1944 illegaal in een oplage van vijfhonderd exemplaren de brochure Project voor de uitgave van een weekblad , waarin hij zijn - onder invloed van oorlog en bezetting ontstane - ideeën uiteenzette voor de oprichting van een nieuw, door jezuïeten geleid opinietijdschrift. Het moest een op de actualiteit gericht, cultureel-maatschappelijk periodiek worden, waarin de praktijk van het rooms-katholieke geloof een belangrijke plaats zou krijgen. Creyghton stond een weekblad 'van grooten stijl' voor ogen, indrukwekkend van formaat, omvang en inhoud en met een mooie typografie en opmaak.

Na de bevrijding werkte Creyghton, onder hoede van de ordeleiding en met inschakeling van leken in de organisatie en redactie, zijn plannen voor het nieuwe tijdschrift verder uit. Op 29 maart 1946 verscheen het eerste nummer van De Linie , zoals de naam van het blad luidde, in een oplage van 25.000 exemplaren. Bij aanvang telde de kernredactie zeven leden: twee jezuïeten en vijf leken. Bekende rooms-katholieke hoogleraren leverden bijdragen aan rubrieken, terwijl ook politici en schrijvers als gastauteur optraden. Onmiddellijk werd door Creyghton, als hoofdredacteur, de toon gezet. Het doel - zo schreef hij op de voorpagina van het eerste nummer - was de strijd aan te binden met 'de veelkoppige draak van het hedendaagse communisme, de poliep van de plutocratie, het onmetelijke weekdier der burgerlijke gemakzucht, het serpent der onnoemelijke haat en de haai van het egoïsme (...) De linie wordt getrokken, de schansen opgericht'.

De Linie baarde opzien in de perswereld, en het was vooral Creyghtons onverschrokken en agressieve toon die daarbij opviel: 'De Linie zal al het mogelijke doen om katholiek en christelijk Nederland te alarmeren. (...) Ernst is het ons', zo waarschuwde hij. Met scherpte werd de confrontatie gezocht met communisten, socialisten en humanisten. Een roemrucht debat met de communistische Amsterdamse wethouder B.S. Polak (1945-1948) zou er - naar verluidt - zelfs toe hebben geleid dat de laatstgenoemde door zijn partij werd verboden de discussie met Creyghton voort te zetten. Maar ook in eigen katholieke kring ging het er weinig zachtzinnig aan toe. Het blad was behoudend en predikte traditionele rooms-katholieke normen en waarden. De katholieke pers, de progressieve katholieken en ook de Katholieke Volkspartij kwamen onder vuur te liggen. Dit voortdurend polemiseren kwam Creyghton in 1950 zelfs op een reprimande van aartsbisschop J. de Jong te staan. Deze wees hem erop dat de artikelen van De Linie de katholieke eenheid op politiek gebied ondermijnden.

Moralisme was Creyghton niet vreemd. Kunst en literatuur dienden naar zijn mening allereerst een morele toets te doorstaan en pas daarna vanuit esthetisch oogpunt te worden bekeken. Exemplarisch is de ophef die ontstond toen hij op 23 augustus 1946 in een boekrecensie de populaire dichtbundel Voetreis naar Rome van de rooms-katholieke schrijver Bertus Aafjes aangreep voor een aanval op onchristelijke literatuur. Vanwege de daarin voor die tijd vrij openhartig weergegeven vrijages van Aafjes onderweg naar Rome, werd dit werk als losbandig beoordeeld en afgewezen. De gestrenge wijze waarop dit gebeurde, deed zelfs in katholieke kring denken aan regelrechte inquisitie.

Met de vele kritiek die De Linie opriep, werd in dit blad weinig omzichtig omgegaan. De replieken leidden maar al te vaak tot nieuwe debatten, waarin de redactie haar gelijk wilde halen. Haar werd dan ook bij herhaling verweten te zeer vervuld te zijn van het eigen gelijk. Ook in de keuze van zijn medewerkers trad Creyghton niet erg tactisch op. Zo trok hij enkele journalistieke randfiguren aan en hadden sommige redacteuren en medewerkers in het verleden geflirt met het fascisme; een vijftal van hen werd in naoorlogse zuiveringszaken berecht. Toen De Linie in haar kritiek op bijzondere rechtspleging en zuiveringen pleitte voor barmhartigheid, riep het blad ook op dit punt negatieve reacties op. Vooral de voormalige illegale pers sprak over het fascistoïde karakter van De Linie , niet alleen vanwege die bewuste medewerkers, maar ook om de over het algemeen hetzerige toon waarop het blad zich uitte.

Tot 1950 was Creyghton niet alleen hoofdredacteur, maar ook directeur van de Stichting 'De Linie'. Hij bleek uitstekend in staat zijn redactieleden te inspireren, maar het ontbrak hem aan managementkwaliteiten om de onderneming te leiden. Dit werd mede veroorzaakt door het feit dat hij veel energie stak in het internationaliseren van zijn Linie -apostolaat. Zo was Creyghton initiatiefnemer van, en gaf hij korte tijd zakelijk en inhoudelijk leiding aan De Vlaamse Linie , die vanaf oktober 1948 in Brussel werd uitgegeven. Ook in Duitsland deed hij pogingen een filiaal van De Linie op te richten.

Zakelijk gezien is De Linie geen groot succes geworden. Het aantal abonnees steeg aanvankelijk tot rond 35.000 in 1950, maar liep daarna geleidelijk terug tot circa 14.000 in 1960. De Linie is daarom nooit het breed verspreide gezinsblad geworden dat Creyghton voor ogen had gestaan. Mede uit zakelijke overwegingen - de jezuïeten moesten elk jaar veel geld bijpassen - werd in 1950 besloten de leiding van het tijdschrift aan een medebroeder toe te vertrouwen, terwijl Creyghton zelf redactionele bijdragen zou blijven leveren. Uiteindelijk trokken de jezuïeten zich in 1963 terug uit het blad, dat een nieuw leven begon als De Nieuwe Linie . Dit onafhankelijke, progressieve tijdschrift stond wel erg ver af van Creyghtons geesteskind uit 1946: ' De Nieuwe Linie is mijn van huis weggelopen dochter', zei hij hierover later.

Tot hij in 1954 van Amsterdam naar Maastricht verhuisde, bleef Creyghton voor De Linie schrijven. In 1958 werd hij godsdienstleraar aan het St. Aloysius-College in Den Haag, de stad waar hij veertien jaar zou blijven wonen. Hij kon zich toen meer wijden aan het uitwerken van zijn ideeën over het wereldfederalisme, waarin hij in deze Koude-Oorlogsjaren het antwoord zag op de bedreiging van de wereldvrede. Al in 1947 was Creyghton een van de oprichters geweest van de Wereldbeweging voor Federale Wereldregering. Na reeds enkele brochures aan dit onderwerp te hebben gewijd publiceerde Creyghton in 1962 Internationale anarchie. De weg naar een nieuwe wereldorde . Dit boek kreeg een vervolg in de oprichting van de Werkgroep Wereldunie, die in 1968 overging in de Stichting Werelduniebeweging Nederland. Creyghton was hiervan de grondlegger en inspirator en zou enkele jaren het internationale bureau in Den Haag leiden. In een brochure uit 1969, Emergency world government , pleitte Creyghton ervoor om alvast een wereldnoodregering in te stellen, die zich, buiten de nationale staten om, rechtstreeks tot de wereldburger zou moeten richten.

Sinds 1972 woonde Jozef Creyghton in Nijmegen, waar hij drie jaar later overleed. Een medebroeder karakteriseerde hem toen als 'boeiend en kleurrijk', 'vol speels vernuft [en] barstensvol ideeën', waarmee hij anderen wist te bezielen (Malmberg). Creyghton was enerzijds een erudiete intellectueel, een begaafd docent, publicist en debater, iemand met onmiskenbaar autoritaire trekjes en vasthoudend en vindingrijk in het verdedigen van zijn vaak rechtlijnige standpunten. Anderzijds had hij ook iets simpels, iets wereldvreemds; volgens de schrijver Anton van Duinkerken zal men hem in de hemel terugvinden bij de onnozele kinderen. Maar bovenal was Creyghton - 'de oom' zoals zijn bijnaam luidde - een gedreven religieus en idealist, die zijn vele initiatieven zag als persoonlijke missies, waarop hij nadrukkelijk een eigen stempel drukte.

A: Persoonlijk archief-J.H.C. Creyghton (o.a. dagboeken) in de Historische handschriftenverzameling van het Archief van de Nederlandse provincie der jezuïeten te Nijmegen.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties en talrijke tijdschriftartikelen o.a.: De tien geboden in het christelijk leven ('s-Hertogenbosch 1941); Credo. Het geheim van de apostolische geloofsbelijdenis ('s-Hertogenbosch 1941); De strijd tegen de nationale soevereiniteit [Brochure] (Z.pl. [1947]); Het regionalisme en de toekomst onzer samenleving [Brochure] (Maastricht 1956); Handvest van de Wereldunie (Bussum 1964); De weg. Het is hoog tijd dat de democratie de bescherming der wereldbevolking in handen neemt ('s-Gravenhage 1967).

L: Behalve necrologieën in Wereld Unie. Uitgave van de Werelduniebeweging Nederland 10 (1975) 3 (mei) 21-23 en door Felix Malmberg, in S.J. Bericht van de Nederlandse Jezuïeten 6 (1975) 4 (juni) 28-29: B.R.C.A. Boersema, De Linie, 1946-1963: een weekblad in handen van Jezuïeten. Onderzoek naar de pers als middel tot apostolaat (Amsterdam 1978).

I: B.R.C.A. Boersema, De Linie, 1946-1963: een weekblad in handen van Jezuïeten. Onderzoek naar de pers als middel tot apostolaat (Amsterdam 1978) 20.

J.L.M. Brauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013