Addens, Nanno Gerhard (1892-1971)

 
English | Nederlands

ADDENS, Nanno Gerhard (1892-1971)

Addens, Nanno Gerhard, landbouwer en landbouwhistoricus (Bellingwolde 15-10-1892 - Groningen 14-8-1971). Zoon van Harm Addens, landbouwer, en Harmke Boelmans. Gehuwd met Hilje Aafiena Jager op 2-7-1924. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Addens ontving onderwijs aan de lagere school en Franse School te Bellingwolde, de HBS te Winschoten en de Rijks-HBS te Veendam en vervolgens aan de Rijkslandbouwwinterschool te Groningen (diploma 1911). Daarna volgde hij gedurende enige winters de cursorische voordrachten vanwege de Vereeniging voor Hooger Landbouwonderwijs te Groningen. Van 1911 tot 1918 was hij werkzaam in het ouderlijk bedrijf, van 1918 tot 1945 exploiteerde hij dit bedrijf voor eigen rekening.

Het leven van N.G. Addens is in twee perioden te verdelen. De cesuur valt in de eerste jaren na de verschijning van zijn Gedenkboek van de Groninger Maatschappij van Landbouw (1937). Was hij aanvankelijk werkzaam als landbouwer, nadien kwam het accent van zijn arbeid meer en meer op landbouwhistorisch gebied te liggen. Na het verlaten van de landbouwwinterschool verbreedde hij de verkregen basiskennis door zelfstudie, waarbij hij speciale belangstelling aan de dag legde voor landbouweconomische vraagstukken. Om de achtergrond van de moderne ontwikkelingen beter te kunnen begrijpen, verdiepte hij zich ook in historische literatuur. Reeds in 1919 publiceerde hij zijn eerste artikel, weldra gevolgd door vele andere. De onderwerpen, die hij daarin behandelde, lagen op het terrein van het landbouwboekhouden en arbeids- en loonvraagstukken. Ook op organisatorisch gebied trad hij al spoedig op de voorgrond. In 1918 werd hij o.m. bestuurslid van de Vereeniging tot exploitatie van proefboerderijen in de klei- en zavelstreken van de provincie Groningen, in 1921 lid van het hoofdbestuur van de Groninger Maatschappij van Landbouw en van 1923-1928 was hij lid van het dagelijks bestuur van deze landbouworganisatie. In totaal is Addens bestuurslid geweest van meer dan 40 instellingen, waarvan hij vele als voorzitter, secretaris of penningmeester heeft gediend. Talloze malen heeft hij zich in verschillende functies belast met het opstellen van beleidsnota's en preadviezen, die hij met veel zorg redigeerde. De geschiedenis van de instellingen, waarvan hij bestuurslid was, kende hij als geen ander.

Het besluit van het dagelijks bestuur van de Groninger Maatschappij van Landbouw om hem het schrijven van het gedenkboek ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Maatschappij toe te vertrouwen, bepaalde de verdere levensloop van Addens. Zes jaren lang trok hij zich terug in zijn studeerkamer. Het resultaat was een standaardwerk, waarmee zijn naam als landbouwhistoricus gevestigd was. Geleidelijk maakte hij zich nu los uit de landbouwwereld om zich meer en meer te kunnen wijden aan historisch onderzoek. Het voorzitterschap van de commissie die de oprichting van het Landbouw-Economisch Instituut te 's-Gravenhage voorbereidde (1939-1940) en het daarop volgend lidmaatschap van het dagelijks bestuur (1941-1946) en van het hoofdbestuur (1946-1949) van deze instelling markeert deze overgang. Zoals hij wegens zijn bestuurskwaliteiten tot vele functies bij het landbouwverenigingswezen geroepen werd, zo trad hij nu in historische kringen steeds meer op de voorgrond, o.m. als lid van de Provinciale Groningse Archeologische Commissie (1937-1965), lid en voorzitter van de Groninger Heerdencommissie (1938-1964) en lid van de Raad van Advies van het Nederlands Economisch-Historisch Archief (sinds 1944).

Groot is zijn betekenis als stimulator van het landbouwhistorisch onderzoek geweest. Vele historici heeft hij laten profiteren van zijn grote kennis. Hij speelde een belangrijke rol bij de oprichting van de Studiekring voor de Geschiedenis van den Landbouw, waarvan hij vele jaren voorzitter en bestuurslid was, en bij de oprichting van het Nederlands Agronomisch-Historisch Instituut te Groningen (penningmeester 1949-1965). Ook was hij de drijvende kracht achter de instelling van de leerstoel voor agrarische geschiedenis aan de Landbouwhogeschool te Wageningen. Na 1945 liet hij de exploitatie van zijn boerderij aan anderen over om zich geheel aan historisch onderzoek te kunnen wijden. Zijn grootste publicistische activiteit ontplooide hij in deze periode. Addens streefde bij het schrijven steeds naar de grootst mogelijke perfectie. Zijn publikaties muntten uit door een volledige beheersing van de stof en grote betrouwbaarheid.

Zijn optreden werd gekenmerkt door bescheidenheid en een groot gevoel voor stijl. Zonder in chauvinisme te vervallen, was hij vóór alles Groninger. Politiek was hij liberaal georiënteerd, kerkelijk Nederlands Hervormd. Als erkenning van zijn verdiensten op landbouworganisatorisch en landbouwhistorisch gebied ontving hij in 1967 het doctoraat honoris causa van de Landbouwhogeschool.

P: Gedenkboek [der] Groninger Maatschappij van Landbouw, 1837-1937 ([Groningen], 1937); De 'vraagpunten' der Groninger Maatschappij van Landbouw (1852-1941). (Wageningen, 1950); Fonds ten behoeve van den Landbouw in de provincie Groningen 1878-1953 (Groningen, 1954); De vereeniging voor Hooger Landbouwonderwijs te Groningen (Groningen, 1960); 'Een eeuw drainage in Groningen', in Groninger Volksalmanak 1952, 90-122; Het Tien Karspelen Zijlvest tot zijn reglementering ([Groningen], 1963).

L: W.J. Formsma, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1972-1973. Levensberichten 49-57; L.S. Meihuizen, 'Doctor h.c. N.G. Addens als landbouwhistoricus', in Groninger Landbouwblad 46 (1968) 293a-293b; J.M.G. van der Poel, in Economisch- en Sociaal-Historisch Jaarboek 36 (1973) 347-350.

J.M.G. van der Poel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013