Althoff, Adrianus Aloijsius Felix (1904-1943)

 
English | Nederlands

ALTHOFF, Adrianus Aloijsius Felix (1904-1943)

Althoff, Adrianus Aloijsius Felix (Lex), journalist en schrijver (Haarlem 12-9-1904 - Leusden 29-7-1943). Zoon van Jan Althoff, koopman, en Cornelia Petronella van Schie. Gehuwd met Elisabeth van Loenen op 2-2-1927. Uit dit huwelijk waren geen kinderen. afbeelding van Althoff, Adrianus Aloijsius Felix

Althoff volgde in zijn geboorteplaats lager onderwijs en doorliep er de vijfjarige HBS-A, waarna hij in 1924 als journalist in dienst trad bij het Haarlem's Dagblad. Hoewel opgegroeid in een rooms-katholiek gezin, ging hij op 1 februari 1932 over naar Het Volk, het dagblad van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) waar hij in Amsterdam chef van de nachtredactie werd. Grote indruk maakte in 1933 op hem het aan de macht komen van Hitler en zijn afkeer van de latere ontwikkelingen in Duitsland inspireerde hem tot een tweetal romans. Zijn debuut Een trein vertrok (Amsterdam, 1939) leverde hem bij mededinging naar de Kosmos-romanprijs een eervolle vermelding op. Deze en zijn volgende roman Honderd zonnen in de zomer (Amsterdam, 1940) spelen in nazi-Duitsland en in het milieu van het daar moeizaam op gang komende verzet. In de kritiek werd waardering uitgesproken over de sfeertekening en persoonsbeschrijvingen. Zijn beide romans werden als een belofte voor de toekomst beschouwd. Helaas zou deze wens niet bewaarheid worden. Zijn literaire produktie kwam behoudens twee in gevangenschap geschreven en postuum uitgegeven novellen hiermee ten einde.

Toen op 20 juli 1940 in bezet Nederland de bladen van de Arbeiderspers door mr. M.M. Rost van van Tonningen in zijn functie van 'commissaris voor de marxistische partijen' onder nationaal-socialistisch toezicht werden geplaatst, nam hij uit zijn functie ontslag. Al spoedig daarna werkte hij ondergronds samen met de gewezen hoofdredacteur van Het Volk, dr. H.B. Wiardi Beekman en met J.J. Vorrink, tot het verbod van deze partij, voorzitter van de SDAP. In de herfst van 1940 bracht Althoff de journalist F.J. Goedhart in contact met Vorrink en met mr. J.C.S. Warendorf, die voor de oorlog het Duitse emigrantenblad Das Neue Tagebuch had uitgegeven. Goedhart was in juli '40 al begonnen met de verspreiding van het door hem geschreven illegale blad Nieuwsbrief van Pieter 't Hoen. Besloten werd hieraan uitbreiding te geven in de vorm van een algemener illegaal blad dat als Het Parool op 10 februari '41 voor het eerst verscheen met als redacteuren Althoff, de andere genoemden en mr. M. Kann, gewezen hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, alsmede de oud-redacteur van het ANP, J. Nunes Vaz. Goedhart en Nunes Vaz hadden zich in hun bijdragen kritisch uitgelaten over de vooroorlogse verhoudingen in ons land en over de innerlijke zwakte van de democratie in West-Europa en hadden ook denkbeelden ontwikkeld over het naoorlogse Nederland. Vorrink en Althoff wilden het volle accent leggen op de strijd tegen het nationaal-socialisme en achtten kritiek op het verleden en beschouwingen over de toekomst ongewenst. Als gevolg van deze politieke meningsverschillen traden Althoff en Vorrink in maart 1942 uit de redactie. Sinds het voorjaar van 1942 maakte Vorrink deel uit van het Grootburgercomité, bestaande uit politieke figuren, en vertegenwoordigers van handels- en industriekringen, dat zich bezig hield met de vraag wat er in Nederland moest gebeuren als een gezagsvacuüm zou ontstaan bij een eventuele ineenstorting van het Duitse regiem. In dit verband had de Nederlandse regering Vorrink uitgenodigd naar Engeland te komen, waarbij de in februari '42 bij Katwijk aan land gezette geheime agent jhr.mr. E.W. de Jonge hem zou begeleiden. Vorrink besloot echter, gezien zijn via het illegale werk verkregen goede contacten, van vertrek af te zien en wees, met instemming van de Nederlandse regering, Althoff als zijn plaatsvervanger aan. Deze zou als 'informator' de regering op de hoogte kunnen stellen van de politieke ontwikkelingen in bezet gebied en zou moeten trachten te bereiken dat het Grootburgercomité door de regering erkend zou worden als officieel gezagsorgaan in het voorziene vacuüm. Een poging om Althoff op 11 mei 1942 per Britse motortorpedoboot door mr. S.E. Hazelhoff Roelfzema te doen afhalen mislukte. Elf dagen later werd Althoff met jhr. E.W. de Jonge in Rotterdam gearresteerd, bij de voorbereiding van een nieuwe poging om bezet gebied via het Noordzeestrand te verlaten, terwijl hij daartoe politieke rapporten en andere documenten had meegenomen die op hem gevonden werden. Na een verhoor door de Duitse politie op het Haagse Binnenhof ontsnapte hij tijdens de rit naar de Cellenbarakken in Scheveningen uit een rijdende auto doch werd kort daarna weer gearresteerd. Bijna een jaar verbleef hij, ten dele in eenzame opsluiting, in de Duitse gevangenissen in Haaren en in Utrecht. Hoewel geen lid van de verzetsorganisatie de Ordedienst werd hij met leden van die groep op 27 april 1943 in het zg. tweede OD-proces ter dood veroordeeld op beschuldiging van sabotage, spionage en verstandhouding met de vijand. Op 29 juli '43 werd hij bij Leusden gefusilleerd.

Op 9 mei 1951 werd in de Stadsbibliotheek te Haarlem een op initiatief van de Kennemer Journalistenvereniging door de beeldhouwer Theo van Reijn vervaardigde plaquette onthuld met zijn beeltenis.

P: Behalve de reeds genoemde: Het rode paard (Amsterdam, 1942); Uit het Dagboek van Lex Althoff en Habitus, een novelle, postuum verschenen in Apollo. Maandschrift voor literatuur en beeldende kunsten 1 (1946) 6 (mei) 3-16.

L: H.C. Kool, in herdenkingsnummer van Critisch Bulletin 13 (1945), (december) 19-22; L.E. Winkel, De ondergrondse pers 1940-1945 ('s-Gravenhage, 1954) 227-230; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1974) V, 930-934.

I: Critisch Bulletin 13 (1945), (december) afbeelding tegenover pagina 12.

E.G. Groeneveld


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013