André de la Porte, Gillis (1866-1950)

 
English | Nederlands

ANDRÉ DE LA PORTE, Gillis (1866-1950)

André de la Porte, Gillis, jurist (Boxtel 25-2-1866 - 's-Gravenhage 12-3-1950). Zoon van Dirk André de la Porte, Nederlands Hervormd predikant, en Anna Maria Schouten. Gehuwd op 14-9-1891 met Anna Cornelia Helena Schoevers. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 1 zoon geboren.

André de la Porte ontvangt zijn schoolopleiding aan de HBS te Almelo en het gymnasium te Zutphen. Vervolgens studeert hij in de rechten en promoveert in 1890 te Amsterdam in de rechtswetenschap op een proefschrift Wraak en straf, een verhandeling die een historische en een filosofische beschouwing bevat van de ontwikkeling van de ongebreidelde particuliere wraakreactie op misdrijven tot een geregeld en evenredig overheidsoptreden. Na te Leiden het faculteitsexamen te hebben afgelegd voor de Indische dienst vertrekt hij in 1891 naar Indië, waar hij eerst kort werkzaam is op de Algemene Secretarie en achtereenvolgens als substituut-grifïier bij het Hooggerechtshof, griffier bij de Landraad en tevens auditeur-militair te Palembang, lid van de Raad van Justitie te Padang, in 1896 president van de Landraad te Kendal, in 1902 van de Landraad te Probolinggo en in 1903 van die te Buitenzorg tot 1906. Vervolgens is hij te Batavia eerst lid van de Raad van Justitie, dan officier van justitie, daarop advocaat-generaal bij het Hooggerechtshof en ten slotte president van de Raad van Justitie te Batavia. In 1914 wordt hij procureur-generaal van het Hooggerechtshof, in januari 1916 lid van de Raad van Nederlands-Indië, welk laatste ambt hij in 1917 om gezondheidsredenen neerlegt. Tijdens een verblijf in de bergen van Java neemt hij tijdelijk het ambt van landrechter te Soekaboemi waar. In 1918 wordt hij benoemd tot hoogleraar te Leiden in het Indisch privaat- en strafrecht als opvolger van J.H. Carpentier Alting. In hetzelfde jaar aanvaardt hij zijn ambt met een rede Over codificatie van materieel privaatrecht in het bizonder van Ned.-Indisch adatrecht, waarin van een mislukking der codificatie-idee wordt gesproken en in het algemeen het standpunt wordt verdedigd, dat de wet geen bindend richtsnoer bij de rechtsvinding van de rechter in civiele zaken behoort te zijn, maar een oriënterende leidraad. Slechts onder die voorwaarde acht hij het optekenen, de codificatie van 'levend recht' aanvaardbaar.

Ten dienste van zijn studenten schrijft hij in 1926 een leerboek: Recht en Rechtsbedeling in Nederlandsch-Indië. Een handleiding bij de beoefening van het Nederlandsch-Indische Privaat- en Strafrecht. 2e herz. en bijgew. dr. ('s-Gravenhage, 1933). Het vak, waarin hij promoveerde, het strafrecht, heeft gedurende zijn hele leven zijn grote belangstelling. In het laatste jaar van zijn professoraat (1930/1931) geeft hij behalve zijn eigen vakken, ook nog een college over criminologie, dat grote belangstelling trekt.

Na zijn aftreden lijdt hij aan toenemende blindheid die hem verder werken bijna onmogelijk maakt.

P: Behalve de bovengenoemde werken, artikelen in Rechtsgeleerd Magazijn (1913, 1921, 1925) en het Indisch Tijdschrift van het Recht (jrg. 1905-1915), verder: Wat is toch vrijmetselarij? (Semarang, 1913); 'De wet en de lijkverbranding', in Berichten en Mededelingen der vereeniging voor facultatieve lijkverbranding 58 (1933) 174-182; 'Zijn er overwegende strafrechtelijke bezwaren tegen de lijkverbranding?', in De crematie in Nederland en daarbuiten (Leiden, [1925]) 64 e.v.

L: Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden 1919, 86 en Jaarboek... 1950, 95.

E. André de la Porte


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013