Ariëns, Alphonse Marie Auguste Joseph (1860-1928)

 
English | Nederlands

ARIëNS, Alphonse Marie Auguste Joseph (1860-1928)

Ariëns, Alphonse Marie Auguste Joseph, priester en sociaal pionier (Utrecht 26-4-1860 - Amersfoort 7-8-1928). Zoon van Adriaan Willem Karel Ariëns, jurist, en Lisette Christina Antonia Povel. afbeelding van Ariëns, Alphonse Marie Auguste Joseph

De familie Ariëns was afkomstig uit Nijmegen waar enige van haar leden tot tegen het eind van de negentiende eeuw een logement en een stalhouderij exploiteerden. De tak echter, waaruit mr. A.W.K. Ariëns geboren werd, had zich tegen 1800 in Venlo gevestigd; haar leden volgden meest ambtenarenloopbanen. Daarentegen stamde de moeder uit een koopmansgeslacht van Duitse immigranten, die zich omstreeks het midden van de 19de eeuw te Amsterdam vestigden en daar, de van het begin der eeuw dagtekenende, 'winkel van Sinkel' op de Nieuwendijk exploiteerden.

Alphonse Ariëns volgde van 1870 tot 1876 te Rolduc het gymnasium, behaalde in 1876 het staatsexamen, doorliep, eveneens te Rolduc, het tweejarig filosofïcum en studeerde van 1878 tot 1882 theologie op het aartsbisschoppelijk seminarie te Rijsenburg, waar hij o.a. Herman Schaepman tot leermeester had. Op 15 augustus 1882 werd hij te Utrecht tot priester gewijd. Van 1882 tot 1885 zette hij zijn theologische studiën te Rome voort, en wel aan de Dominicaanse universiteit 'Minerva'. Daar promoveerde hij 14 juni 1885 op een nooit gedrukte theologische verhandeling. Daarna bleef hij nog een jaar in Italië, speciaal om kennis op te doen van de sociale toestanden. Hij woonde bij voorkeur in de arme volkswijken van Rome, maar reisde door grote delen van Italië, vertoefde op Sicilië om het leven van de arbeiders in de zwavelmijnen met eigen ogen gade te slaan en bezocht te Turijn de priester Don Bosco (1815-1888), sociaal voortrekker en onderwijsvemieuwer. Naar zijn eigen getuigenis heeft dit laatste jaar te Rome zijn levensgang veel meer bepaald dan de universitaire studie.

In oktober 1886 benoemd tot kapelaan te Enschede, werd hij gegrepen door de daar heersende sociale wantoestanden en de morele gevolgen daarvan. Zijn bemoeienis met de katholieke arbeidersklasse had aanvankelijk slechts de negatieve strekking haar te beschermen tegen het socialisme, maar groeide allengs uit tot een positieve strijd voor miskende rechten. Hoewel hij daarmee handelde in de geest van de in 1891 verschenen encycliek Rerum novarum van paus Leo XIII, werd zijn optreden met achterdocht en afkeuring gadegeslagen door de meeste notabele katholieken, vooral fabrikanten en middenstanders, ook door zijn merendeels in conservatief paternalisme gevangen ambtsbroeders, die hem te 'rood' vonden. Gelukkig vond hij in mgr. P.N. Snickers, van 1883 tot 1898 aartsbisschop van Utrecht, die een, in die dagen voor priesters, zeldzame kennis van buitenlandse sociologische geschriften, o.a. die van Proudhon en Fourier, bezat, en zich onderscheidde door sociale bewogenheid, begrip, waardering en aanmoediging.

Zo nam Ariëns steeds openlijker stelling tegen de zogenaamde 'Volksbond'-gedachte te Amsterdam gepropageerd door de middenstander W.C.J. Passtoors. Deze had in 1888 een R.K. Volksbond gesticht, die zich wel toelegde op verbetering van het lot der arbeiders, maar toegankelijk was voor iedereen, ook voor werkgevers. Aan de laatstbedoelde categorie viel veelal de leiding toe. Dit alles gebeurde onder de openlijke protectie van de in het episcopaat sterk dominerende, zeer conservatieve, mgr. C.J.M. Bottemanne, van 1883 tot 1903 bisschop van Haarlem. Ariëns verwierp dit paternalisme, overtuigd, dat de arbeiders moesten worden geschoold in een verenigingsleven, waarvan zijzelf de leiding in handen namen, en stichtte in november 1889 de R.K. Werkliedenvereeniging, die de kiem werd, waaruit de landelijke katholieke arbeidersorganisatie (KAB, thans NKV) gegroeid is. Bovendien stichtte hij een verenigingsgebouw, waarin hij o.a. ontwikkelingscursussen gaf, aldus een kader voor de organisatie vormend. In 1893 richtte hij het arbeidersweekblad De Katholieke Werkman op, dat aan de toekomstige leiders de nodige journalistieke scholing moest geven. Zijn bemiddelende rol in een stakingsgolf van 1890, maakte hem en zijn organisaties tot een steen des aanstoots voor de socialistische arbeidersbeweging, maar op den duur werd zijn streven tot vreedzaam samengaan met niet-katholieken met succes bekroond. In 1895 kwam op zijn initiatief de vakbond 'Unitas' tot stand, een federatie van katholieke en protestantse arbeidersverenigingen. In hetzelfde jaar 1895 stichtte hij een katholieke drankbestrijdingsorganisatie, waaruit de nationale vereniging 'Sobrietas' zou voortkomen. Hij nam het initiatief tot het bouwen van arbeiderswoningen en hielp daarmee een eind maken aan het bestaan van de beruchte Enschedese krotwijken. Met een veertigtal onrechtmatig ontslagen arbeiders stichtte hij te Haaksbergen een coöperatieve textielfabriek 'De Eendracht'; deze leidde van 1894 tot 1901 een wankel bestaan, en bezweek toen aan haar schulden.

Van 1901 tot 1908 was Ariëns pastoor te Steenderen. In deze periode valt zijn lidmaatschap van de naar aanleiding van de spoorwegstakingen van 1903 ingestelde staatscommissie tot het onderzoeken van de positie der spoorwegarbeiders; aan de door de commissie gehouden enquête heeft hij krachtig meegewerkt. Daarna richtte hij zijn aandacht meer in het bijzonder op het bevorderen van godsdienstige en cultureel-maatschappelijke belangstelling in de katholieke gemeenschap. Vooral toen hij pastoor te Maarssen was (1908-1926) werd hij de ziel van allerlei nationale bewegingen van die strekking, o.a. de katholieke vrouwenbeweging, het Geert-Grootegenootschap (ter verspreiding van beknopte en goedkope geschriften onder het volk) en vooral het missiewerk. In de jaren van 1910 tot 1914 werd hij het mikpunt van verkettering door de zogenaamde 'integralisten', dat zijn conservatieve katholieken, ten dele zelfs ketterjagers, die zich onder de bescherming van paus Pius X kantten tegen de emancipatie der arbeiders, de ontvoogding van de vrouw en vooral tegen alle interconfessionalisme. Beticht van 'modernisme', maakte Ariëns toen een droevige tijd door, ook doordat de aartsbisschop H. van de Wetering, een aanmerkelijk minder ruime en diepe geest dan zijn voorganger Snickers, aanvankelijk met de kritiek scheen in te stemmen. Eerst in 1919 bracht dezelfde aartsbisschop hem eerherstel, door het bevorderen van een hoge pauselijke onderscheiding (geheim kamerheer van de paus).

De laatste twee jaren van zijn leven werd Ariëns, lichamelijk verzwakt, verpleegd in een zustersklooster te Amersfoort. In 1934 werd te Enschede een standbeeld voor hem onthuld. Van 1958 tot 1965 is een diocesaan proces gevoerd met het doel zijn heiligverklaring door de paus tot stand te brengen; het dossier daarvan is in 1965 te Rome ingediend.

L: 'Stamboom Ariëns', in De Nedermaas 17 (1940) 5 (januari) 85-88; Gerard Brom, Alfons Ariëns (Amsterdam, 1941.2 dln.) 2e verkorte uitg. (Utrecht, 1950); Jan Nieuwenhuis, Vooruit en omhoog (Utrecht, 1947); L.J. Rogier, Alfons Ariëns, apostel en pionier ('s-Hertogenbosch, [1954]); L.J. Rogier, Katholieke herleving ('s-Gravenhage, [1956]) 312-319 en passim (zie register); W. van de Pas, Alfons Ariëns (Utrecht, 1958); Verslag herdenking honderdste geboortedag pastoor dr. Alfons Ariëns (Utrecht, [1960]).

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2a20001.

L.J. Rogier †


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013