Asselbergs, Wilhelmus Johannes Maria Antonius (1903-1968)

 
English | Nederlands

ASSELBERGS, Wilhelmus Johannes Maria Antonius (1903-1968)

Asselbergs, Wilhelmus Johannes Maria Antonius (ps. o.a. Anton van Duinkerken) schrijver (Bergen op Zoom 2-1-1903 - Nijmegen 27-7-1968). Zoon van Antonius Johannes Josephus Aloysius Asselbergs, bierbrouwer en houthandelaar, en Cornelia Maria Gerberdina van Loon. Gehuwd op 8-9-1930 met Leonie Judith Anna Arnolds. Uit dit huwelijk werden 4 zonen en 4 dochters geboren. afbeelding van Asselbergs, Wilhelmus Johannes Maria Antonius

Asselbergs was de oudste zoon in een katholiek gezin. Hij koos voor de opleiding tot geestelijke en bezocht daartoe van 1915 tot 1927 het klein- en groot-seminarie achtereenvolgens te Ginneken en Hoeven. Opgegroeid in een omgeving die ook het dichterschap als een priesterlijk-apostolische daad zag, schreef hij zijn eerste verzen als uitingen van katholiek en Brabants gemeenschapsgevoel, in brede expressionistische stijl (Onder Gods ogen, 1927). Extatisch van karakter pasten deze gedichten niet alleen in de stemming van de 'katholieke jongeren', van wie hij een van de leidende figuren zou worden, maar waren ook de weergave van zijn missionerende geest en onstuimige geluksdrang. Na een ernstige geestelijke crisis, o.a. veroorzaakt door een conflict tussen zijn idealen als priester en schrijver, verliet hij in 1927 het groot-seminarie te Hoeven om Nederlands te gaan studeren aan de R.K. Leergangen te Tilburg. Als dichter en criticus van enige naam volgde dat jaar zijn benoeming tot vast medewerker aan het dagblad De Tijd, hetgeen hem in 1929 naar Amsterdam deed verhuizen. In de vernieuwingsbeweging van de 'katholieke jongeren' had hij nu een zeer belangrijk aandeel o.a. als medewerker aan Roeping (1927-1928) en redacteur van De Gemeenschap. Zijn protest tegen de puriteinse levensinstelling en kleinburgerlijkheid deed de 25-jarige zijn briljante essay Verdediging van Carnaval (1928) schrijven. Polemist van nature bond hij in de bundels literaire kritieken Roofbouw (1929) en Achter de Vuurlijn (1930) de strijd aan tegen wat door hem als verslapping en verburgerlijking van het katholieke leven beschouwd werd. Door zijn aanvallen op het literaire oordeel van de clerus, dat hij als incompetent en bekrompen karakteriseerde, leverde Asselbergs een belangrijke bijdrage aan de artistieke vernieuwing in katholieke kring.

In Hedendaagsche ketterijen (1929) zette de moralist al zijn polemisch vernuft in tegen de moderne relativistische moraal en de gevaarlijke consequenties van vitalisme en irrationalisme, en wees het evenwicht van het katholieke dogma aan als remedie voor de crisis van de moderne mentaliteit. Dit werk stond aan het begin van een 10-jarig debat tussen hem en Menno ter Braak; een indrukwekkende confrontatie tussen humanistisch christendom en atheïstisch humanisme. In de poëzie van deze jaren (Hart van Brabant, [1936]) laat hij een heel ander aspect van zijn wezen zien dan zijn strijdbaarheid: zijn melancholie over verloren jeugdidealen, tot uitdrukking komend in verstilde verzen en de breuk weerspiegelend in de katholieke kring, nu sommige jongeren van De Gemeenschap tegen zijn wil de fascistische richting gekozen hadden. Hoewel zijn toon fel en apologetisch bleef (vgl. zijn hekeldichten), oriënteerde hij zich meer en meer op cultuur-en literair-historisch werk. Buiten katholieke kring werd zijn belang al vroeg erkend: in 1934 werd Asselbergs als eerste katholiek in de redactie van De Gids opgenomen. Zijn literair-historische arbeid (o.a. Dichters der Contra-Reformatie, 1932) werd bekroond met een eredoctoraat te Leuven (1937). In 1940 werd hij, groot Vondelkenner, bijzonder hoogleraar in de Vondelstudie te Leiden. Zijn scherpe uitspraken tegen het nationaal-socialisme leidden in 1942 tot zijn internering in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel.

Na de oorlog leek veel van zijn emancipatorische taak volbracht te zijn en richtte Asselbergs zich steeds meer op literair-wetenschappelijk werk. Toch was het ook toen nog lang niet gemakkelijk voor hem buiten katholieke kring volledige erkenning en binnen de katholieke wereld volledige ontplooiing te verwerven. Een ernstig auto-ongeluk kort na de bevrijding van Nederland betekende een tegenslag, die hem een blijvende handicap aan zijn rechterhand bezorgde. Zijn in 1948 begonnen hoogleraarschap in de kunstgeschiedenis aan de Jan van Eyck-Academie te Maastricht, werd evenals die in Leiden beëindigd toen hem in 1952 het ordinariaat in de Nederlandse en Algemene Letterkunde aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen werd aangeboden. Deze benoeming noodzaakte hem, als katholiek al vrij gauw bij de 'doorbraak' betrokken, zijn lidmaatschap van de Partij van de Arbeid op te geven, hetgeen voor hem geen gemakkelijk gebracht offer was.

Toch bood dit hoogleraarschap voor Asselbergs, behalve maatschappelijke zekerheid, ook de rust voor intenser wetenschappelijk werk. Oorspronkelijk literair essayist, intuïtief te werk gaand, met veel aandacht voor de psychologische en cultuurhistorische waarde van de literaire tekst, begon hij het belang van de filologische en historische methode van onderzoek later meer in te zien. Zijn grote kennis van het humanisme binnen de Europese literatuurgeschiedenis maakte hem tot een onzer universele literatuur-historici. Op latere leeftijd herschreef hij een deel van zijn werk in Verzamelde Geschriften (1962) en dicteerde in 1964 de autobiografische (onvoltooide), cultuurhistorisch belangrijke Brabantse herinneringen, een van zijn beste werken.

Asselbergs, of beter Van Duinkerken, want onder die naam was hij in Nederland bekend en steeds meer geliefd, bleef tot zijn dood een veelbesproken en gewaardeerd man. Zijn joyeuze, zuidelijke levensstijl, bonhomie, hang naar gemeenschap en vriendenkring en behoefte tot schittering die hij als ongemeen knap orator en stilist kon bevredigen, moeten het oog niet doen sluiten voor niet minder wezenlijke trekken van zijn karakter: zijn weemoed, onzekerheid, eenvoud en ingetogenheid. Zijn mooiste verzen zijn ervan vervuld (Tobias met den Engel..., 1946).

Asselbergs belang ligt in de literaire en artistieke vernieuwing die hij in het katholieke milieu bracht, in het staan voor een persoonlijk doorleefd christendom boven lauwheid, katholieke massa-organisatie, en het openen van een principiële discussie met niet-katholieke tijdgenoten. Zijn hele leven 'Brabander' gebleven, onvermoeid pleitend voor de culturele eenwording van de Midden-Nederlandse gewesten (Groot-Nederland en wij, [1931]), haalde hij veel van de Brabantse en katholieke cultuur uit hun isolement, en wist zich tot een nationale figuur te ontwikkelen. In zijn wetenschappelijk oeuvre treft de grote eruditie, het visionaire en evocatieve karakter, maar hindert in vroegere werken soms de verwaarlozing van filologisch-historische detailstudie. Als dichter is hij sterk onderschat. Alle genres beoefenend, ontroert hij het meest schrijvend over 'eenvoudige' thema's als (echtelijke) liefde, dood en eenzaamheid.

A: Archief-Anton van Duinkerken in Letterkundig Museum Den Haag; Gemeentearchief Nijmegen.

P: Behalve de reeds genoemde werken bibliografie in onder L genoemd werk van Brachin.

L: P. Brachin, Anton van Duinkerken. 3e herz. dr. [Brugge enz., 1971] bevat een opsomming van vele publikaties over het leven, persoonlijkheid en werk van Van Duinkerken; H.[P.G.] Schollen, Aspecten van het tijdschrift De Gemeenschap (Baarn, 1978). Proefschrift Leiden.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1968-1969 (Amsterdam 1969) afbeelding tegenover pagina 248.

A.H.J. Roes


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013