Bartstra, Jan Steffen (1887-1962)

 
English | Nederlands

BARTSTRA, Jan Steffen (1887-1962)

Bartstra, Jan Steffen, historicus (Westerbork 30-6-1887 - Haarlem 19-11-1962). Zoon van de predikant Steffen Bartstra, en Leonarda Catharina Zuidema. Gehuwd op 21-12-1913 met Frederika Louisa Wilhelmina Westerbaan. Er waren 2 dochters en 1 zoon. afbeelding van Bartstra, Jan Steffen

Na het overlijden van de moeder in 1890, hertrouwt de vader in 1892 en gaat met het gezin in 1892 naar Nederlands-Indië. De zoon komt in 1899 bij de ouders van zijn vader te Bolsward. Hij bezoekt het gymnasium te Sneek, waar hij actief betrokken is in het verenigingsleven en de propaganda op het gebied van de drankbestrijding en het religieus socialisme. In 1906 gaat hij Nederlandse letteren te Leiden studeren. Hij is een zeer gezien redacteur van het studentenblad Minerva, ofschoon hij in het studentenleven door zijn geavanceerde ideeën wat apart staat (geen corpslid). Uit deze periode dateert zijn vriendschap met P.C.A. Geyl. Na zijn doctoraal examen in 1912 zou hij bij Bussemaker, aan wie hij zeer gehecht was, promoveren op een studie over de Engels-Nederlandse betrekkingen, voornamelijk in de 18e eeuw, maar Bussemaker sterft in 1914. In 1913 wordt hij leraar aan het gymnasium te Schiedam, van 1918-1952 aan de HBS, later het gymnasium in Haarlem. Dat leraarschap heeft hij met volle overgave op zich genomen. Hij is een gevreesd, maar vooral gezien docent. Dat vele leerlingen hem zeer waarderen, blijkt bij zijn afscheid in 1952. Het is haast onbegrijpelijk dat deze enthousiaste leraar nog tijd en kracht over had, om op wetenschappelijk terrein omvangrijk en belangrijk werk te verrichten. Te Haarlem wordt hij spoedig secretaris van een Volksuniversiteit. Als jong leraar publiceert hij vele dagbladartikelen, waarin hij o.a. als lid van de SDAP er op aandringt, dat men niet alleen aan materiële lotsverbetering moet denken.

Zijn eerste historische verhandeling van enige betekenis verschijnt in 1921: het laatste deel van P.L. Muller, Geschiedenis van Onzen Tijd sedert 1848 (Haarlem, 1903-1921. 3 dln.), de periode 1900-1914, die in 200 pagina's moest worden samengeperst. Uit piëteit voor zijn leermeester Bussemaker, die zijn bijdrage door de dood niet had kunnen voleinden, heeft hij die taak aanvaard. Bij Brugmans, hoogleraar aan de Universiteit te Amsterdam, promoveert hij in 1928 op een studie over Twaalf jaren "vrije-hands-politiek". De internationale verhoudingen 1890-1902 (Leiden, 1928), een geheel in de toenmalige trant van de diplomatieke geschiedschrijving geordende analyse, die in Nederland destijds door de degelijkheid ervan als indrukwekkend en gezaghebbend werd beschouwd en door het Nederlandsch Comité tot onderzoek van de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog werd gepubliceerd. Hij zag deze uitsluitend politieke geschiedschrijving echter als te eng. De veranderingen in de structuur van de maatschappij en de geschiedenis van de geestelijke stromingen als katholicisme, socialisme, vrouwenbeweging e.a. moesten behandeld worden. Deze geëngageerdheid met maatschappelijke problemen komt nog niet naar voren in 'Oranje als Rebellenleider in Holland en Zeeland (1572-1576)', Bartstra's bijdrage voor het gedenkboek Wilhelmus van Nassouwe (Middelburg, 1933), waarin de opstand scherpzinnig en uiterst zorgvuldig geanalyseerd en als burgeroorlog gekarakteriseerd wordt, zijn geëngageerdheid komt daarentegen wèl tot uitdrukking in 'De Achttiende Eeuw', een hoofdstuk van deel IV (168-355) van de onder P. vermelde Wereldgeschiedenis. Theoretisch zet hij zijn denkbeelden uiteen - hij doet dat zelden - in een belangrijk artikel in Nederlandsche Historiebladen l (1938) 2-17: 'Het gestaakt Dispuut', waarin Romeins Onvoltooid verleden en Huizinga's De wetenschap der geschiedenis worden vergeleken. Romein is een orthodox marxist; Bartstra heeft respect voor diens scherpzinnigheid, grote kennis, maar wijst zijn dogmatisme af, dat elke middenweg openlijk uitsluit. Die zelfverzekerdheid werd immers zelfs in marxistische hoek niet steeds aanvaard. Daarentegen zijn Huizinga's definities van geschiedenis volgens Bartstra te ethisch-individualistisch; volgens hem heeft de grote historiografie van bijna alle tijden, bewust of onbewust, een sociaal-pedagogische strekking gehad. Hij pleit voor een vrijwillige dienstbaarheid der geschiedenis, die hij bij Huizinga mist. De menselijke gemeenschappen hebben zowel vroeger als nu het recht van de geschiedenis iets te vernemen van de zin van hun worstelingen en tobberijen. Als slot stelt hij zelf een definitie op: 'In en door de studie van het verleden tracht de geschiedenis inzicht te geven in de wording daarvan tot het heden toe; mede met het doel bij den mens of de menselijke gemeenschap, waartoe zij zich richt, krachten te wekken, tot behoud van het Leven, liever nog: het doen ontstaan van Nieuw Leven.'

In de moeilijke jaren vóór 1940 levert Bartstra als religieus socialist strijdend voor de eigen verantwoordelijkheid van de intellectuelen, in artikelen in Tijd en taak. Onafhankelijk weekblad voor evangelie en socialisme van 1932-1934 voortreffelijk journalistiek werk. Hij strijdt fel tegen de blindheid van West-Europa voor fascisme en nationaal-socialisme, maar hoopt wel te veel op de 'fijne en sterke cultuur' van Frankrijk en heeft geen waardering voor de 'cultuurloosheid' van Noord-Amerika. In 1938 wordt hij door het curatorium tweede geplaatst op de voordracht voor de leerstoel algemene geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam; in 1939 weigert hij die voor vaderlandse geschiedenis: Romein wordt benoemd, wat Bartstra juist vindt en in de pers verklaart; zeker mede uit ergernis over de benepen hetze tegen Romein.

Gedurende de oorlogsjaren komt hij niet tot publiceren, maar hij doet beter werk: pal staan voor het behoud van goede Nederlandse tradities en zijn huis tot een schuilplaats voor onderduiders te maken. Er breekt na de oorlog een tijd van grote produktiviteit aan met het schrijven van zijn magnum opus Handboek tot de staatkundige geschiedenis van de landen van onze beschavingskring van 1648 tot heden, waarvan deel I in 1948 verschijnt. Tijdens de bezetting heeft hij daar al voorbereidend werk voor verricht: in de enige verwarmde kamer, waarin naast zijn gezin ook nog onderduikers zitten. Hij schrijft bijna zonder iets te raadplegen, bewijs van een fabelachtig geheugen. In 1950, na verschijning van deel II, ontvangt hij de meesterprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en in 1952 wordt hij benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Zijn handboek in vier delen, in zeer persoonlijke stijl geschreven, geeft een boeiend beeld van 1648 tot na de Tweede Wereldoorlog, dat hij bewust als Nederlander geschreven heeft, overtuigd dat de centrale ligging van zijn kleine land, een eigen visie mogelijk maakt. In 1959 begint een tweede druk te verschijnen. Natuurlijk heeft zo'n groot werk gebreken: de omvangrijke stof maakt tekorten in kennis onvermijdelijk, de zeer persoonlijke voorkeur en het in deel IV overmatig ethisch accent zijn onmiskenbaar, maar er komen ook zeer veel prachtige beschrijvingen in voor, fijne typeringen van mensen en toestanden. De inleidingen op de hoofdstukken zijn juweeltjes van cultuurgeschiedenis.

In 1955 wijdt Bartstra onder de titel 'Prof. Romein en zijn laatste bundel' (Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden 9 (1955) 238-249) een uitvoerige beschouwing aan Romeins Carillon der tijden, waarvan hij veel afwijst. De theoretische geschiedenis, aldus Bartstra, is nuttig voor historici die op het gebied van de praktische geschiedschrijving al lauweren verdiend hebben. Door de theoretische geschiedenis te beoefenen komt men echter niet tot een door allen aanvaard en voor allen aanvaardbaar historiebeeld. Vervolgens schetst Bartstra de ideale historicus, daarmee zichzelf en zijn werk typerend: 'Of de geschiedenis haar culturele waarde heeft, hangt vooral af van de omstandigheid, of de historici mooie en grote geschiedenisboeken schrijven; met over geschiedenis te schrijven komt men er niet. Overigens was en is werkelijke historische belangstelling maar aan weinigen gegeven. Ik weet niet, of grote belangstelling voor theoretisch-historische vraagstukken bij lieden die ,,gewone geschiedenis" vervelend vinden, een gezond verschijnsel is.' (p. 245.)

Barstra's laatste levensjaren zijn zeer moeilijk. In 1961 treft hem de zwaarste slag in zijn leven, het plotseling overlijden van zijn enige zoon, de historicus dr. J.S. Bartstra jr.

P: Behalve de hierboven genoemde titels: Geschiedenis van het moderne imperialisme (tijdvak ± 1880 - ± 1906) (Haarlem, 1925), bijgew. tot 1957 in een 3e druk (Haarlem, 1958), met een nieuwe interpretatie van het moderne imperialisme: deze is niet alleen het gevolg van economische, maar ook van psychologische factoren; 'Rede, revolutie, romantiek', in De Pelgrimstocht der Menschheid. Onder red. van J.W. Berkelbach van der Sprenkel (Utrecht, 1937); 'Het tijdperk 1870-1914', in Wereldgeschiedenis. Onder red. van J.W. Berkelbach van der Sprenkel, C.D.J. Brandt en F.L. Ganshof (Utrecht, [1939-1951] 6 dln.) V, 246-310; J.S. Bartstra en W. Banning, Nederland tussen de natiën. Een bijdrage tot onze cultuurgeschiedenis (Amsterdam, 1946-1948. 2 dln.); 'Het rationalisme in de politiek', in Het rationalisme... (Den Haag, 1960) 55-82 ; Adolf Hitler (Zeist, 1964).

L: A.E. Cohen, in Tijdschrift voor Geschiedenis 77 (1964) 207-208; P. Geyl in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1963-1964, 436-452.

I: Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1963-1964, afbeelding tegenover pagina 436.

M.Th. Uit den Bogaard


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013