Beckers, Hendrik Joseph (1862-1950)

 
English | Nederlands

BECKERS, Hendrik Joseph (1862-1950)

Beckers, Hendrik Joseph, arts, natuuronderzoeker en amateur-archaeoloog (Sittard 23-8-1862 - Maastricht 12-1-1950). Zoon van Gerard Beckers, manufacturier, en Maria Barbara Beckers. Gehuwd sinds 10-9-1907 met Maria Josephina Hubertina Catharina Corten. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

Reeds op 5-jarige leeftijd verloor Joseph zijn vader. Met steun van familieleden kon hij naar het Gymnasium te Rolduc, waar hij de studie moest afbreken door een zenuwziekte in het linkerbeen. Een oud-leraar van Rolduc, pastoor Thissen, bereidde hem thuis voor op het staatsexamen. Daardoor was Beckers in staat medicijnen te studeren in Amsterdam. In 1898 deed hij zijn artsexamen en bouwde vervolgens in Beek (L.) een zeer omvangrijke plattelandspraktijk op. De patiënten werden eerst per rijtuig, daarna per motor en van 1910 (!) af per auto bezocht. In 1918 werd hij slachtoffer van de Spaanse griep, waarna hij zijn praktijk moest matigen. Hij kreeg het advies om wat meer ontspanning te zoeken. Dit betekende, dat hij zich kon gaan wijden aan zijn liefhebberij: de natuur. Van 1913 afwas hij lid van de Natuurhistorische Vereniging, die hij 30 jaar als bestuurslid diende. Beekers was allereerst botanicus, in wie nog iets van de oude kruidendokter doorwerkte. Spoedig daarna ging zijn bijzondere belangstelling uit naar de geologie en de palaeontologie. Contacten met dr. W.C. Klein, de districtsgeoloog, en F.H. van Rummelen, assistent-geoloog, leidden tot het vormen van een theorie over het ontstaan van de zg. lösspoppetjes (kalkconcreties in löss). Het graven van het Julianakanaal onder Elsloo schiep voor hem de mogelijkheid om palaeontologisch werkzaam te zijn. Hiervan getuigen diverse publikaties van zijn hand. Maar ook op medisch gebied deed hij onderzoek en wel over de destijds veel voorkomende mijnwormziekte.

Door zijn belangstelling voor de bodem kwam hij uiteraard ook in aanraking met oudheidkundige vondsten. Deze hebben hem dermate geboeid, dat hij zich ontwikkeld heeft tot een locale archaeoloog wiens werk nationale betekenis heeft gekregen mede dank zij zijn goed gedocumenteerde collectie. Samen met zijn zoon G.A.J. Beckers publiceerde hij Voorgeschiedenis van Zuid-Limburg. Twintig jaren archaeologisch onderzoek (Maastricht, 1940). Het bijna 400 pagina's dikke boek bevat een schat aan documentatie over de verzameling Beckers. De beschrijvingen munten uit door exactheid, waartoe natuurwetenschappelijk detailonderzoek overtuigend bijdraagt. Als gevolg van het relatief veelvuldig optreden van bodemsporen uit de periode van de Bandceramiek en de Romeinse tijd is daaraan de meeste aandacht besteed. Na 1940 had hij nog een zeer actief aandeel in de opgravingen van de thermen in Heerlen.

Men zou Beckers een zeker lokaalchauvinisme kunnen aanwrijven, maar als men in één zijner levensberichten leest, dat hij een man was met een 'grote vitaliteit, die vooral gevoed werd door een sterk verantwoordelijkheidsgevoel, dat mede samenhing met zijn besef tot een oud Limburgs geslacht van korenkoningen te behoren met hun 'noblesse oblige' tegenover individu en dorpsgemeenschap' dan kan men daar vrede mee hebben.

L: G. Panhuysen, in De Maasgouw 69 (1950) 1-2; A. Kessen, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1955-1956. Levensberichten 39-43.

P.J.R. Modderman


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013