Bergsma, Jacob Hendrik (1838-1915)

 
English | Nederlands

BERGSMA, Jacob Hendrik (1838-1915)

Bergsma, Jacob Hendrik, minister van Koloniën (Utrecht 7-9-1838 - 's-Gravenhage 5-2-1915). Zoon van Cornelis Adriaan Bergsma, medisch doctor en hoogleraar te Utrecht, en Johanna Theodora van Schermbeek. Gehuwd op 3-3-1864 met jkvr. Arendina Wichers. Uit dit huwelijk werden 3 zonen en 4 dochters geboren.

Bergsma bezocht in zijn geboortestad het stedelijk gymnasium en de hogeschool, waaraan hij zich in 1856 als student in de rechten deed inschrijven. In 1860 volgde een promotie op stellingen (theses juridicae inaugurales). Hierna besloot hij zijn opleiding tot Indisch bestuursambtenaar aan de Koninklijke Academie te Delft. Degenen die aan een Nederlandse hogeschool de graad van doctor in de rechten hadden verkregen, konden, na een aanvullende studie te Delft gevolgd door een voldoend examen in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië, zich kwalificeren voor de burgerlijke dienst in Indië als ambtenaar der eerste klasse, hetgeen inhield dat zij in alle te vergeven ambten, met inbegrip van de rechterlijke, benoembaar waren. Vermoedelijk zal Bergsma in zijn besluit wel zijn beïnvloed door het voorbeeld van twee oudere broers die reeds in de Indische bestuursdienst werkzaam waren.

Na een tweejarig verblijf te Delft werd Bergsma in 1862 benoemd tot ambtenaar van de eerste klasse voor de burgerlijke dienst in Nederlandsch-Indië, waarheen hij in september van hetzelfde jaar passage nam. In de volgende twintig jaar - eerst in 1882 ging hij met Europees verlof - was hij daar te lande onafgebroken in verschillende rechterlijke en administratieve betrekkingen werkzaam.

Van 1863 tot 1867 was hij fungerend secretaris bij de rechtbank voor burgerlijke en lijfstraffelijke zaken te Palembang; van 1867 tot 1869 substituut-officier bij de raad van justitie te Semarang. In 1869 werd hij lid van dit college. Van 1871 tot 1875 was hij omgaand rechter in de 4e afdeling (Oost-Java). In dat laatste jaar volgde zijn benoeming tot voorzitter van de landraden te Meester Cornelis en Bekasi. In 1876 verliet hij de rechterlijke macht door zijn aanstelling tot secretaris van het departement van Justitie te Batavia. In 1881 keerde hij daarin terug door zijn benoeming tot raadsheer in het Hooggerechtshof van Nederlandsch-Indië.

Terug van Europees verlof volgde in 1884 zijn benoeming tot Algemeen Secretaris, waardoor hij de administratieve rechterhand werd van de gouvemeur-generaal en als zodanig leiding had te geven aan een omvangrijk ambtelijk apparaat. In 1887 werd hij benoemd tot lid van de Raad van Nederlandsch-Indië.

Als lid van dit college heeft Bergsma onder meer geadviseerd tegen een spoedige afschaffing van de gouvernementskoffiecultuur en het daarmee verbonden koffiemonopolie, omdat hij hiervan een sterke vermindering van 's lands inkomsten vreesde. Ten aanzien van de Chinese bevolkingsgroep die bezwaar maakte tegen de voor haar geldende regelingen, raadde hij aan haar niet anders te behandelen dan andere vreemdelingen. Bergsma heeft het lidmaatschap van de Raad bekleed tot 1893, toen hem op grond van een dertigjarige staat van dienst ontslag werd verleend.

Zo kon Bergsma dus bogen op een eervolle Indische loopbaan, toen hij in 1894, nog geen jaar terug in Nederland, de portefeuille van Koloniën aannam in het oud-liberale, na de nederlaag van de Takkianen, gevormde ministerie-Röell-Van Houten, dat van 9 mei 1894 tot 27 juli 1897 in functie is geweest.

Als minister van Koloniën kreeg Bergsma vooral te maken met de door zijn voorganger W.K. baron Van Dedem voorbereide plannen tot bestuurshervorming, de Atjeh-oorlog en het financiële vraagstuk.

Een ingrijpende reorganisatie van het Indische bestuur was voorgesteld in een drietal wetsontwerpen die in 1893 bij de Tweede Kamer aanhangig waren gemaakt. Deze voorstellen kwamen erop neer, dat de Raad van Nederlandsch-Indië zou worden aangevuld met buitengewone leden om ook niet-ambtenaren een aandeel te geven in de werkzaamheden van dit college, dat in de tweede plaats de invloed van de raad van departementshoofden (directeuren) zou worden versterkt ten koste van de positie van de Algemene Secretarie en dat ten slotte het bestuur zou worden gedecentraliseerd door de overdracht van bepaalde taken aan in te stellen gewestelijke of plaatselijke raden. De instelling van deze raden was facultatief; de leden zouden worden benoemd door de gouverneur-generaal die ten hoogste een kwart van de leden uit niet-ambtenaren zou kunnen aanwijzen. Toen deze wetsontwerpen, waarover sinds jaren met de Indische autoriteiten was gecorrespondeerd, door de Kamerontbinding van 1894 kwamen te vervallen, werden ze door minister Bergsma niet opnieuw ingediend. Als lid van de Raad van Indië had hij reeds in 1891 de plannen tot decentralisatie die beoogden de ingezetenen van Nederlandsch-Indië meer bij het bestuur te betrekken, afgewezen met het argument dat in een kolonie waar de grote meerderheid van de bevolking van het bestuur was uitgesloten publieke behandeling van de publieke zaak slechts een 'phrase' kon zijn. Voor de aandrang vanuit deStaten-Generaal op hem uitgeoefend om dit standpunt te herzien, bleef hij Oostindisch doof.

Wat de Atjeh-oorlog betrof, was Bergsma aanvankelijk tegenstander van een offensief optreden. Hij meende dat Atjeh niet op dezelfde wijze kon worden aangepakt als Lombok, waar gouvemeur-generaal C.H.A. van der Wijck in 1894 met veel militair machtsvertoon had ingegrepen. Door binnen de sedert 1884 bestaande geconcentreerde linie af te wachten, zo meende Bergsma, zou men de Atjehers op den duur doen inzien dat zij hun verzet beter konden staken. De afval van het invloedrijke Atjehse hoofd Toekoe Oemar in maart 1896 maakte duidelijk dat deze defensieve politiek uitzichtloos was. De Indische regering zond belangrijke troepenversterkingen naar Atjeh en ook minister Bergsma verklaarde nu - zij het aanvankelijk niet van ganser harte - dat niet langer aan pacificatie van Atjeh langs vreedzame weg kon worden gedacht. Met deze gebeurtenissen werd een radicale verandering in de Atjeh-politiek ingeleid die uiteindelijk leidde tot de volledige onderwerping van dit gebied door J.B. van Heutsz.

De situatie van de Indische geldmiddelen was tijdens het ministerschap van Bergsma niet rooskleurig. De opbrengst van de gouvernementskoffiecultuur liep sterk terug, terwijl nieuwe belastingbronnen nog moesten worden aangeboord. Zo werd een voorstel tot verhoging van het Indische tarief van invoerrechten op manufacturen en garens in 1895 door de Tweede Kamer afgestemd, omdat men hiervan nadelen voor de Nederlandse katoenindustrie vreesde. Wel kwam in 1897 een wet tot stand, waarbij werd bepaald dat van de opbrengst van door naamloze vennootschappen in het moederland betaalde belasting over in Indië verworven bedrijfs- en andere inkomsten jaarlijks een gedeelte aan de Indische geldmiddelen ten goede zou komen (Wet van 9 april 1897, Staatsblad 84). Zijn verleden verloochende Bergsma niet, toen hij in de Kamers ontkende dat op de hoge tractementen van Indische ambtenaren wel wat bezuinigd kon worden. In het financieel-administratieve vlak lag ten slotte een wijziging van de Indische Comptabiliteitswet (bij Wet van 13 juli 1895, Staatsblad 126), die terugging op een door Van Dedem ingediend ontwerp. Tekenend voor het conservatisme van de minister was overigens dat hij uit het ontwerp van zijn voorganger een voorstel schrapte tot herziening van enkele obsolete wetsbepalingen die er nog van uitgingen, dat het overschot van de Indische geldmiddelen - een batig saldo dat al sinds 1877 tot het verleden behoorde - aan het moederland ten goede moest komen.

Met gouverneur-generaal Van der Wijck, die Bergsma kende uit de tijd dat zij beiden het lidmaatschap van de Raad van Indië bekleedden, was de samenwerking in het algemeen goed. Zo steunde Bergsma de gouverneur-generaal, toen deze in 1894 tot militair ingrijpen op Lombok besloot.

Na de verkiezingen van 1897 die in een grote nederlaag voor het ministerie eindigden, keerde Bergsma de politiek, waarvoor hij toch nooit veel ambitie had gekoesterd, de rug toe. Nadien is hij onder andere nog werkzaam geweest als lid van de Staatscommissie voor het Indisch privaat- en strafrecht.

Groot is de waardering die hem als minister van Koloniën in de Staten-Generaal ten deel is gevallen niet geweest. Hoewel men zijn administratieve talenten erkende, vond men hem te veel ambtenaar en te weinig minister. Toen in de Eerste Kamer tijdens de behandeling van de begroting voor 1896 werd geklaagd, dat een door hem opgestelde Indische begroting de sporen van 'een levenwekkenden geest' miste, meende Bergsma zich te kunnen verdedigen met de opmerking, dat hij niet als hervormer wilde optreden, omdat bepaalde hervormingen in Indië niet nodig waren. 'De zaken zijn in Indië goed geregeld, zoodat alles flink marcheert_' Dit gebrek aan initiatief maakt hem tot een opvallende figuur in de rij van ministers van Koloniën tussen 1891 en 1918, in het algemeen toch een periode waarin belangrijke hervormingen in Indië tot stand kwamen of werden voorbereid.

A: Een particuliere briefwisseling tussen minister Bergsma en gouverneur-generaal Van der Wyck in Algemeen Rijksarchief.

P: Bergsma heeft geen publikaties op zijn naam staan.

L: 'Mr.J.H. Bergsma †, in Eigen Haard 41(1915) 121; Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (2e dr. 's-Gravenhage, 1917) I, 275; H.A. Idema, Parlementaire Geschiedenis van Nederlandsch-Indië, 1891-1918 ('s-Gravenhage, 1924) 62-95; De Volksraad en de staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië. Eerste stuk 1891-1926. Een bronnenpublikatie. Bew. door S.L. van der Wal (Groningen, 1964) 589-598; D.J.M. Kleymans, Het Trojaanse paard. Voorgeschiedenis der gemeentelijke en gewestelijke raden in Nederlands-Indië 1856-1897 (Rotterdam, 1948) 146-156.

C. Fasseur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013