Blok, Anthony Johannes (1868-1934)

 
English | Nederlands

BLOK, Anthony Johannes (1868-1934)

Blok, Anthony Johannes, jurist (Hees bij Nijmegen 25-2-1868 - Leiden 19-3-1934). Zoon van Andries Roelof Blok, Ned.-Herv. predikant, en Catharina Sibilla van Kuyk. Gehuwd op 12-1-1905 met Maria Wilhelmina Sophia Aberson. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 1 zoon geboren.

Na zijn gymnasiumtijd te Nijmegen gaat hij in 1887 rechten studeren te Leiden. In 1893 behaalt hij in dezelfde stad met lof de doctorsgraad in de rechtswetenschap met zijn proefschrift Over het onderscheid tusschen medeplegen en medeplichtig zijn, waarin de onhoudbaarheid van bedoeld onderscheid wordt verdedigd. Zijn loopbaan als jurist begint met het uitoefenen van de advocatuur in 's-Hertogenbosch. In 1897 wordt hij ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de kantongerechten in het arrondissement Rotterdam, standplaats Schiedam, in 1899 te Amsterdam. In 1904 volgt zijn benoeming als substituut-officier van justitie te Rotterdam. Vier jaar later wordt hij naar Leiden geroepen, om als opvolger van zijn promotor, H. van der Hoeven, het hoogleraarschap te bekleden in het strafrecht en de strafvordering. Hij aanvaardt het ambt met de rede Positie en Taak van het Openbaar Ministerie, dat een pleidooi bevat voor een positie van het Openbaar Ministerie, onafhankelijk van de regering. Sinds 1910 vast medewerker van het Tijdschrift voor Strafrecht, vanaf 1921 tot aan 1931 redacteur, verschijnen daarin een aantal doorwrochte publikaties, voor een belangrijk deel betrekking hebbend op de algemene leerstukken van het materiële strafrecht (zie: jrg. 1915, 1916, 1918, 1929, 1930). Als rector van de universiteit houdt hij op 9 februari 1925 een diësrede over De ontwikkeling van het strafstelsel in Nederland. In die ontwikkeling ziet hij plaats voor het zg. relatief-onbepaalde vonnis, dat de veroordeelde in staat stelt de duur van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf ten eigen gunste te beïnvloeden. Op dezelfde bijeenkomst wordt door hem als promotor aan koningin Wilhelmina ter gelegenheid van het driehonderd en vijftig jarig bestaan van de rijksuniversiteit het door de Senaat verleende eredoctoraat in de rechtsgeleerdheid uitgereikt. Van zijn hand verschijnt in 1926 - het jaar waarin een nieuw Wetboek van Strafvordering in werking treedt - een monumentaal artikelsgewijs commentaar op dat wetboek, geschreven in samenwerking met mr. L.Ch. Besier, dat een halve eeuw het standaardwerk op dit rechtsgebied zal blijven, voor theorie en praktijk gelijkelijk van belang: Het Nederlandsche strafproces (Haarlem, 1925-1926. 3 dln.).

Naast zijn wetenschappelijke produktie tracht hij zijn studenten ook enig praktisch inzicht bij te brengen in de werking van het strafrecht, door hen mee te nemen naar terechtzittingen en strafgestichten. Hij is o.a. van 1912-1921 lid en voorzitter van het College van Regenten over de Rijkswerkinrichting voor vrouwen te Leiden, van 1912-1927 lid en voorzitter van de Commissie van Toezicht over het tijdelijke Rijksopvoedingsgesticht te Leiden en eveneens lid van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks tucht- en opvoedingswezen, en van 1919 tot 1930 van het Centraal College voor de Reclasseering. In 1930 treedt hij af als hoogleraar om gezondheidsredenen.

P: Behalve de reeds genoemde werken en publikaties een artikel in Rechtsgeleerd Magazijn (1918).

L: Weekblad van het Recht 96 (1934) 12726 (24 maart) 4; Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden 1934, 81-82; NRC, 20 maart 1934; Almanak van het Leidsche Studentencorps 121 (1935) 100-101; Tijdschrift voor Strafrecht 44 (1935); W.P.J. Pompe, Geschiedenis der Nederlandse Strafwetenschap sinds de codificatie-beweging (Amsterdam, 1956 [= 1957]) 463-465. [= Geschiedenis der Nederlandsche rechtswetenschap. II: 3.]

E. André de la Porte


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013