Blok, Petrus Johannes (1855-1929)

 
English | Nederlands

BLOK, Petrus Johannes (1855-1929)

Blok, Petrus Johannes, hoogleraar geschiedenis (Den Helder 10-1-1855 - Leiden 24-10-1929). Zoon van Cornelis Johannes Blok, schoolhouder, en Dieuwertje Ruijter. Gehuwd op 14-7-1881 met Maria Dorothea Felix, en na haar overlijden op 23-8-1908 met Johanna Frederika Kuiper op 12-4-1911. Uit het eerste huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Blok, Petrus Johannes

Blok doorliep de Latijnse school te Alkmaar en ging klassieke letteren studeren in Leiden. De studieresultaten waren behoorlijk, doch zonder extra luister, waaraan zijn toenmalige bekrompen financiële omstandigheden - na het plotseling overlijden van zijn vader - niet geheel vreemd waren. Na in 1879 gepromoveerd te zijn op Sextus Pompejus Magnus Gnaei filius werd hij leraar aan het Leids gymnasium. De altijd zeer werkzame Blok vond in het onderwijs niet genoeg bezigheid, en zocht op aanraden van Fruin ontplooiing in het Leidse gemeentearchief. Zo ontstond in 1883 Eene Hollandsche stad in de Middeleeuwen (1883), een jaar later reeds gevolgd door Eene Hollandsche stad onder de Bourgondisch-Oostenrijksche heerschappij (1884). Deze beide eerstelingen over Leidens geschiedenis toonden dadelijk Bloks deugden en gebreken: de werkkracht, de voortvarendheid, het driftig verlangen naar zichtbare resultaten die een ander van nut konden zijn; maar tevens de slordige compositie, de onverzorgde stijl, de al te vluchtige oriëntatie op terreinen die hijzelf voor het eerst betrad. Werkelijke kenners van de middeleeuwen als Samuel Muller stonden tegenover dit jeugdwerk nogal kritisch, maar in den lande vestigde Blok met deze boeken zijn naam als een meester in het vak. Niet onverdiend ook: na de grote critici van de negentiende eeuw was er behoefte aan mannen die de synthese zouden aandurven. Juist aan die moed heeft het Blok nooit ontbroken.

Zijn ster rees nu snel. In 1884 werd hij hoogleraar in de algemene en vaderlandse geschiedenis te Groningen. De tien gelukkigste jaren van zijn leven, waarin niets hem teveel was en niets te gering. Blok was naar Fruins woord, 'een levenwekkend man', die graag nieuwe dingen begon en anderen stimuleerde. De regio zou daarvan profiteren. Blok gaf de stoot tot de uitgave van het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe (1895-1899. 2 dln.), richtte het Groninger Historisch Genootschap op en deed de Groninger Volksalmanak herleven. In zijn onderwijs appelleerde hij bewust aan het provincialisme, met colleges over Friesland in de middeleeuwen. Zijn kritische behandeling van dierbaar geworden tradities kon de studenten misschien wel eens schokken - Troelstra moet eenmaal boos de zaal zijn uitgelopen - maar Blok heeft ten slotte toch de noorderlingen voor zich weten te winnen.

In zijn Groningse jaren begon Blok ook zijn archiefreizen, om in het buitenland voor de Nederlandse geschiedenis belangrijke documenten op te sporen. Daaruit is een reeks verslagen ontstaan, en uiteindelijk ook het Nederlands historisch instituut te Rome, Bloks creatie bij uitstek. Zo wees hij aan waar meer bouwstenen te vinden zouden zijn voor wat hij zelf intussen al was begonnen: zijn Geschiedenis van het Nederlandsche volk, waarvan in 1892 het eerste deel van de pers kwam, en in 1907 als laatste deel VIII. Zo klom Blok steeds hoger in de hiërarchie van Nederlandse historici. Fruins aftreden in 1894 bracht hem met de Leidse leerstoel voor vaderlandse geschiedenis het onbetwiste primaat. Na Fruins dood nam hij ook in 1899 de redactie van de Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde over. Sinds 1893 al redacteur van het Museum. Maandblad voor philologie en geschiedenis, zou Blok bovendien later nog een eigen tijdschrift stichten in Onze Eeuw (1901-1924). Intussen zagen natuurlijk ook tal van historische publikaties het licht, vooral biografieën, zowel kleine - meer dan 300 artikelen in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek - als afzonderlijke boekdelen over Oranje (1919-1920), Frederik Hendrik (1924) en De Ruyter (1928). Dat laatste boek wordt gewoonlijk als zijn beste werk beschouwd.

Maar zijn naam is onvermijdelijk het meest verbonden aan de Geschiedenis van het Nederlandsche volk, waarvan bij zijn leven drie Nederlandse uitgaven, twee Engelse bewerkingen en een Duitse vertaling het licht zagen. Een Nederlandse, vaderlandse geschiedenis. Dat was voor Blok een roeping, vooral toen hij de Leidse katheder bezet hield, met zijn unieke leeropdracht voor alleen de vaderlandse geschiedenis. Blok zag het als zijn plicht het nationale verleden te laten spreken, tot versterking van het volksbewustzijn. Het best kon hij zich uitleven in de beschrijving van de opstand tegen Spanje,'...bij de behandeling van een tijdvak, dat meer dan eenig ander het hart sneller doet kloppen, bij de gedachte aan den heldenkamp, door de vaderen gestreden voor de hoogste goederen der menschheid...' ('Voorrede' op p. VII in deel II van Geschiedenis van het Nederlandsche volk. 3e herz. dr.).

Nationaal verleden, verleden dus ook van de gehele natie: geschiedenis van het Nederlandse volk, niet van de Nederlandse staat. Wat hij daarmee bedoelde had hij in zijn Groningse oratie van 1884 reeds uiteengezet: 'de geschiedenis van een volk is de ontwikkeling zijner maatschappelijke toestanden'. Ze moest daarom niet alleen staatsinrichting en politiek beschrijven, maar ook godsdienst, schone kunsten, recht en wet, dagelijkse levensomstandigheden en economische krachten. Toch bleef in zijn beschrijving de politieke geschiedenis centraal staan. Zijn boek onderscheidde zich van voorgangers door een bredere garnering van economie en cultuur, niet door een wezenlijk andere conceptie, die haar eenheid vond in het maatschappelijk leven. Een werkelijk sociale geschiedenis kon zo niet ontstaan. De tijd was er niet rijp voor, dachten sommigen. Ook Blok zelf beriep zich erop dat men bij de toenmalige stand van de geschiedwetenschap niet meer kon geven dan hij had gedaan. Anderen meenden dat Pirenne in zijn Histoire de Belgique (Brussel, 1909-1932. 7 dln.) dat schijnbaar onmogelijke wel had bereikt. Bloks verontschuldiging is even billijk als het verwijt. Hij had gegeven wat hij vermocht; een Pirenne zou er meer van gemaakt hebben. Moest men Blok nu prijzen dat hij voor het eerst sinds Wagenaar beproefd had een doorlopend verhaal van de Nederlandse geschiedenis te schrijven, met verwerking van alle winst die de negentiende eeuw had geboekt? Of moest men hem laken dat hij iets had aangedurfd waarvoor een Pirenne nodig zou zijn geweest?

Bij de tijdgenoten lijken de kritische stemmen wel te overwegen - misschien omdat ze zoal niet op een Nederlandse Pirenne, dan toch op een tweede Fruin hadden gehoopt, die ook nog handboeken kon schrijven. Daarom moest Blok hen wel teleurstellen: 'een man, die stellig niet alles heeft gegeven wat men van hem heeft verwacht', aldus zijn necroloog Hajo Brugmans. Ontdoen we Blok echter van Elia's mantel, dan blijft er een toegewijd historicus over, die met onvoorstelbare ijver zijn eigen mogelijkheden heeft benut. Bij zijn ambtsaanvaarding in Groningen vroeg hij 'de gelegenheid om veel te doen'. Het is hem ernst geweest, want hij heeft een oeuvre van imponerende omvang bijeengeschreven. Als desondanks de onsterfelijkheid hem ontgaan is, mag men dat niet alleen wijten aan zijn beperkte macht over de taal. Eerder is het een gevolg van Bloks rusteloos jagen naar snelle resultaten. Zijn grondgedachte van een sociale geschiedenis had een geniale greep kunnen zijn, als Blok zich van zijn eigen conceptie volledig en weldoordacht rekenschap had gegeven. Dan had hij werkelijk zijn tijd vooruit kunnen zijn. Maar met al zijn ijver mist hij het vermogen tot transpiratie, dat genialiteit niet ontberen kan. 'Blok was iemand die zeer ongaarne een bladzijde overschreef (Jb. RUL 1930, 155). Dat verklaart de omvang van zijn nalatenschap, maar beperkt de bruikbaarheid.

A: Collectie-Blok in Universiteitsbibliotheek Leiden.

P: J.E. Kroon, Bibliografie der werken van Petrus Johannes Blok 1879-1925. (Amsterdam, [1925]). Aanvullende bibliografie 1925-1930 in hieronder genoemd artikel van I.H. Gosses.

L: S. Muller Fzn., 'Jan Wagenaars opvolger', in Tweemaandelijks Tijdschrift 2 (1896) 3 (januari) 411-444; I.H. Gosses, in Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1929-1930, 107-132; Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden 1930, 154-156; H. Brugmans, in Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam 1930-1931. Levensberichten 1-30.

I: Website Universiteit Leiden: http://www.geschiedenis.leidenuniv.nl/index.php3?m=114&c=490 [8-8-2007].

A.Th. van Deursen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013