Bolkestein, Gerrit (1871-1956)

 
English | Nederlands

BOLKESTEIN, Gerrit (1871-1956)

Bolkestein, Gerrit, onderwijsdeskundige en minister (Amsterdam 9-10-1871 - Den Haag 8-9-1956). Zoon van Klaas Bolkestein, melkslijter, en Fijtje Haring. Oudere broer van de oud-historicus H. Bolkestein. Getrouwd op 17-4-1895 met Johanna Meijer. Uit dit huwelijk werden 2 zonen en 2 dochters geboren. afbeelding van Bolkestein, Gerrit

Bolkestein groeide op in een gereformeerd gezin. Hij volgde lager onderwijs te Amsterdam en bezocht de christelijke normaalschool 'Klokkenberg' te Nijmegen. Na het behalen van zijn akte L.O. in 1890 startte hij als onderwijzer aan de bijzondere lagere school te Nijmegen, en werkte vervolgens aan de 'Klokkenberg'. In 1895 werd hij hoofd van de bijzondere christelijke ULO-school te Rhenen en was daarna van september 1901 tot november 1907 leraar Nederlands aan de gemeentelijke HBS te Nijmegen, tevens leraar aan de Rijksnormaalschool en de cursus voor de hoofdakte. Behalve zijn onderwijzers- en hoofdakte had hij inmiddels de aktes L.O. Frans, Duits, Engels en gymnastiek en in 1898 M.O. Nederlands behaald.

Op 24 augustus 1904 slaagde hij voor zijn staatsexamen en 30 april 1907 voor zijn kandidaatsexamen in de Nederlandse letteren. Tot 1 september 1912 was hij als leraar Nederlands en geschiedenis aan de derde 5-jarige HBS en tot 16 juli 1916 als directeur van de eerste 3-jarige HBS, beide te Amsterdam, werkzaam. Op 1 januari 1917 werd hij tot inspecteur van het M.O. benoemd en in 1934 tot inspecteur van het middelbaar en gymnasiaal onderwijs. Op 1 maart 1937 trok hij zich op grond van de pensioengerechtigde leeftijd uit alle officiële functies terug.

Bij deze zo geschakeerde en intense onderwijspraktijk, die Bolkestein nog had weten te combineren met een respectable zelfstudie, bekleedde hij tevens talrijke functies in het onderwijs. Ook was hij lid van de redacties van De Wereld, De Opbouw, Paedagogische Studiën en De Nieuwe Amsterdammer. Een lijst van uiteenlopende werkzaamheden, die echter aantoont, dat Bolkestein in de jaren twintig en dertig een gezaghebbende plaats in het Nederlandse onderwijs was gaan bekleden, want daarnaast publiceerde hij artikelen en hield voordrachten over pedagogische en didactische kwesties van zeer uiteenlopende aard en voor zeer diverse geboren. Niet toevallig was hij al in juli 1918 aan de fractievoorzitter van de RKSP, Nolens, als geschikt kandidaat voor een nieuw te vormen ministerie van Onderwijs aanbevolen.

Van zijn reformatorische herkomst had Bolkestein zich al betrekkelijk vroeg, vermoedelijk reeds omstreeks of vóór de eeuwwisseling gedistantieerd, al bleef hij in zijn denken wel op algemeen protestants-christelijke bodem staan. Maar de talrijke functies, die hem met de diverse bevolkingsgroepen en levensovertuigingen in aanraking brachten, bevorderden zeer waarschijnlijk een uitgesproken vrijzinnige en sociale instelling. Hij sloot zich dan ook al vóór de Eerste Wereldoorlog bij de Vrijzinnig-Democratische Bond aan, overigens zonder specifiek politieke belangstelling of ambities. Onder invloed van D. Bos stelde hij zich tot taak de schoolstrijd definitief te helpen begraven. De traditionele tegenstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs achtte hij verderfelijk. Hij werd voorstander van een openbaar onderwijs, dat niet als een soort neutralistische overkoepeling zou fungeren, maar een eigen christelijk-humanistisch karakter zou dragen. Hij pleitte voor een qua levensovertuiging zo gedifferentieerd mogelijk onderwijs, waarbij ook zijn benauwdheid voor het moderne totalitarisme meesprak. Daarbij kwam hij tevens onder de indruk van belangrijke onderwijsvemieuwers zoals Montessori, Dalton en later ook Kees Boeke die individueel onderwijs en zelfwerkzaamheid propageerden en tegenover de 19de-eeuwse positivistische traditie, weer de persoon en de overdracht van inzicht en vaardigheden i.p.v. intellectuele kennisvergaring op de voorgrond stelden.

Op 10 augustus 1939 werd de bijna 68-jarige onverwachts, tot minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen benoemd in het kabinet-De Geer; een politieke benoeming overigens, die meer te danken was aan de behoefte een VDB-man in het kabinet op te nemen, dan aan zijn reputatie als onderwijsdeskundige. Niettemin een benoeming ook, die in onderwijskringen algemeen om de laatste reden werd toegejuicht. Een op 26 november 1939 gehouden rede over Onderwijsvernieuwing, waarin hij voor de boven geschetste denkbeelden pleitte, leidde echter ook tot een storm van verontwaardiging bij onderwijzers uit het openbaar onderwijs die zich tegen Bolkesteins christelijk-humanistische conceptie voor dat schooltype verzetten. In De Opbouw bepleitte hij tevens subsidiëring van het bijzonder hoger onderwijs. Hiermee riep hij wederom het verzet van de CHU op, die benauwd was voor staatsinfiltratie; terwijl Liberalen, Communisten en NSB'ers zich om tactische politieke redenen daarbij aansloten. Als minister zette hij zich voorts in voor verlaging van de leerlingenschaal, die door de mobilisatie echter onmogelijk werd gemaakt. Daarnaast stelde hij nog een wetsontwerp tot regeling van het voorbereidend hoger en algemeen vormend middelbaar onderwijs samen, dat in april 1940 werd gepubliceerd. Ook lag al een wetsontwerp voor de spellingsregeling gereed.

De Duitse invasie maakte een abrupt einde aan al deze werkzaamheden. Bolkestein, met het kabinet naar Londen uitgeweken, werd tot verregaande non-activiteit gedwongen. Hij benutte die tijd voor een grondige studie van het Angelsaksische onderwijs, waarbij zijn vernieuwingsideeën werden versterkt en verdiept. Zo werd hij een voorstander van de 'Comprehensive school', een denkbeeld, dat jaren na de oorlog door zijn opvolgers zou worden overgenomen. Onder zijn leiding werd de 'Nederlandse Kring' in Londen opgericht, die in de periode 1941-1944 bijeenkomsten en discussies over actuele kwesties organiseerde. Ook bewerkstelligde hij bij een studiereis naar de VS in 1944 Amerikaanse steun voor het Nederlandse Universitaire Onderwijs na de oorlog. Tevens pleitte hij voor invoering van het Engels als internationale taal. Van belang was zijn oproep op 7 april 1943 aan de studenten om de loyaliteitsverklaring van de bezetter te weigeren, waarmee hij stellig een bijdrage tot de omvangrijke boycot leverde (85 % der studenten tekende niet). Hij hield voorts voordrachten voor 'Radio Oranje' en schreef voor 'De Brandaris'.

Na de bevrijding werd hij persoonlijk adviseur van de nieuwe minister van O K en W. Het 'plan-Bolkestein', onder minister G. van der Leeuw uitgewerkt, waarbij o.a. de toekomstige school als werkgemeenschap werd ontworpen, verraadt duidelijk zijn belangrijk aandeel. Daarnaast bekleedde hij opnieuw tal van functies, w.o. lid van het Nederlands comité voor Benelux. Hij bleef op de bres staan voor vernieuwing en met name hechtte hij grote waarde aan de pedagogische psychologie bij de vorming van leraren. Nog in 1955 publiceerde de tachtigjarige met F.J.Th. Rutten, oud-minister van O K en W samen een proeve van een leerplan voor een algemene middelbare school. Tal van elementen uit de zogenaamde 'mammoet-wet' en uit het 'testament' van Cals, gaan op initiatieven van Bolkenstein terug, die zich, vitaal tot in zijn laatste jaren, als uitermate integer mens en als deskundig en vooruitziend schoolman, hoogachting en algemeen gezag had weten te verwerven als weinigen in het Nederlandse onderwijs.

P: Bibliografie in hieronder vermeld Levensbericht van Stutterheim.

L: C.F.P. Stutterheim, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1956-1957. Levensberichten 25-31; H.W.F. Stelwag, in Paedagogische Studiën 33 (1956) 289-291; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969) I, 692-693.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Collectie ANEFO; Bolkestein in 1944].

H.W. von der Dunk


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013