Bonger, Willem Adriaan (1876-1940)

 
English | Nederlands

BONGER, Willem Adriaan (1876-1940)

Bonger, Willem Adriaan, hoogleraar in de sociologie en de criminologie (Amsterdam 16-9-1876 - Amsterdam 15-5-1940). Zoon van Hendrik Christiaan Bonger, assuradeur, en Hermina Louise Weissman. Gehuwd op 9-3-1905 met Maria Hendrika Adriana van Heteren. Gescheiden op 20-3-1908; opnieuw met haar gehuwd op 24-5-1922. Er werden 2 zoons geboren. afbeelding van Bonger, Willem Adriaan

Bonger bezocht het Barlaeus-Gymnasium te Amsterdam en ging in 1895 rechten studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij trad toe tot het Amsterdams Studenten Corps en werd lid van het dispuutgezelschap CLIO, waar in die tijd talrijke studenten sterk in het socialisme geïnteresseerd raakten, die ook later als vooraanstaande intellectuelen een rol zouden spelen (bijv. H. Bolkestein, N.W. Posthumus, H.P.L. Wiessing, H.E. van Gelder). Na de kamerverkiezingen van 1897 geeft hij zich op als lid van de SDAP en is zeer actief in het Socialistische Leesgezelschap. Over maatschappelijke vraagstukken publiceert hij een aantal artikelen in het studentenweekblad Propria Cures. In 1900 begint hij met een studie - als inzending op een prijsvraag, uitgeschreven door de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam - over het verband tussen misdaad en economische omstandigheden. Het leggen van dit verband was een typisch resultaat van zijn socialistische scholing. Hij krijgt een eervolle vermelding. In 1905 promoveert hij bij prof. G.A. van Hamel op een proefschrift Criminalité et conditions économiques, waarin de beantwoording van de prijsvraag als eerste deel is opgenomen (Engelse vert. 1916: verkorte herdr. in het Engels 1969).

In hetzelfde jaar van zijn promotie en huwelijk wordt hij procuratiehouder bij de firma Brak en Mees, waarvoor ook zijn vader werkte. Maar daarnaast blijft hij studeren en college lopen, met name bij de etnoloog-sociograaf S.R. Steinmetz. Wat Bonger vooral aantrok was de nadruk, die Steinmetz legde op de empirie. Ook blijft hij publiceren, in De Kroniek, het Tijdschrift voor Strafrecht, Die neue Zeit, Het Volk en De Nieuwe Tijd. Hij was een man die altijd volgens een zeer regelmatig schema werkte. In 1916 wordt hij redactiesecretaris van het toen opgerichte tijdschrift De Socialistische Gids, een functie die hij tot 1938 bekleedt. Door middel van dit blad kon Bonger belangrijke invloed uitoefenen op de SDAP. Hij vertegenwoordigde een sterk intellectualisme, dat zich tegen iedere dogmatiek keerde en zich reformistisch opstelde. Met name verwierp en bestreed hij de politieke invloed van de vakbeweging op de partij. De Socialistische Gids was een leidend intellectueel tijdschrift, dat de SDAP een voorzichtige, parlementaire koers wees en de samenwerking met de burgerlijke partijen sterk beklemtoonde. In 1938 werd dit blad opgeheven en vervangen door het ethisch georiënteerde en christelijk geïnspireerde Socialisme en Democratie, waarin de invloed van W. Banning groot was.

Eén van zijn belangrijkste criminologische publikaties in die jaren is Geloof en misdaad (1913), waarin hij afrekent met een aantal theologisch gekleurde opvattingen over de misdaad, met name de opvatting dat de toenemende onkerkelijkheid de misdaad zou doen toenemen. In 1922 volgt zijn benoeming tot gewoon hoogleraar in de Sociologie en de Criminologie aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn inaugurele oratie handelt Over de evolutie der moraliteit. Bonger probeert daarin de wegen aan te geven waarlangs de mensheid tot een morele vooruitgang kan komen. Noodzakelijk zijn een bescheiden welstand en elementaire beschaving voor de massa. De periode van zijn hoogleraarschap kenmerkt zich door een buitengewoon grote activiteit, waarbij vooral zijn maatschappelijke betrokkenheid opvalt. Hij was een overtuigd socialist en 'toornde' tegen maatschappelijk onrecht vanuit een diepe gedrevenheid. Bongers rol is vooral van belang, samen met mensen als Boekman en, vóór diens uittreding, Goudriaan, in de bevordering tot het 'nationaal maken' van de SDAP: loslaten van het pacifisme en het ontwapeningsstandpunt, afkeuring van iedere steun aan de muiterij van De Zeven Provinciën langs de indirecte weg zoals de SDAP deed en het pleiten voor de erkenning van het Huis van Oranje als traditioneel houvast voor de natie. Het opkomende nationaal-socialisme vond in hem een militant bestrijder. Hij schreef in het Rechtsgeleerd Magazijn in 1935 een fel opstel over 'Het "nieuwe" strafrecht', waarin hij een aantal pogingen aan de kaak stelt om elementen uit het nationaal-socialistische strafrecht in het Nederlandse over te nemen. Verder was hij actief in het Comité van Waakzaamheid. Zijn ideeën over de democratie, die de achtergrond vormden van zijn verzet tegen het totalitaire denken, had hij al eerder beschreven in Problemen der demokratie. Een sociologische en psychologische studie (1934), een boek dat jarenlang, vooral tijdens de bezetting, het feitelijke intellectuele fundament was voor talrijken, die de democratie wilden verdedigen tegen alle stromingen die gezagsversterking in de staat voorstonden. Het was een baanbrekende politicologische studie. Op zijn vakgebied was hij betrokken bij de oprichting van de Nederlandse Sociologische Vereniging (1936).

Naast zijn grote betekenis voor sociologie en criminologie, die in het pleidooi voor empirisch onderzoek gelegen is, dient zijn rol vermeld te worden als actief bestrijder van het totalitaire denken. Bij de Duitse inval in mei 1940 trekt hij de uiterste consequentie van zijn geestelijke houding en pleegt zelfmoord.

P: Een selectieve bibliografie in hieronder vermeld deel l van Verspreide Geschriften, lxxxix-xcii.

L: H. Bonger, 'Korte levensschets van prof.mr. W.A. Bonger', in W.A. Bonger, Verspreide Geschriften (Amsterdam, 1950) I, ix-xxv; J. Valkhoff, 'Bongers Werken', ibidem, xxvi-lxxxviii; T. Peters/ Jac. van Weringh, 'De actualiteit van Bonger', in Nederlands Tijdschrift van criminologie 18 (1976), (augustus) 145-216; Jac. van Weringh, 'Bonger en de nieuwe criminologie', in Toen en thans (Baarn, [1978]) 247-261.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 189.

J. van Weringh


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013