Bosch, Isaäc van den (1852-1932)

 
English | Nederlands

BOSCH, Isaäc van den (1852-1932)

Bosch, Isaäc van den, vlootvoogd ('s-Gravenzande 11-9-1852 - 's-Gravenhage 30-9-1932). Zoon van Iman Jacob van den Bosch, belastingambtenaar, en Johanna Willemina Visser. Gehuwd op 3-2-1886 met Arnolda Gezina Anna Koppius. Uit dit huwelijk werden 4 kinderen geboren, van wie 1 zoon volwassen werd. afbeelding van Bosch, Isaäc van den

Van den Bosch werd na eindexamen-HBS in Den Helder gedaan te hebben in 1868 toegelaten tot de opleiding aan het Koninklijk instituut voor de marine te Willemsoord en per 1 september 1871 benoemd als zeeofficier. In 1873 en 1874 werd door hem deelgenomen aan de krijgsverrichtingen tegen Atjeh, waarna een eervolle vermelding volgde. Toen ging hij zich ook bezighouden met hydrografisch werk, waarmee hij zich ook tijdens enkele latere plaatsingen occupeerde. Tijdens de Grieks-Turkse oorlog van 1896-1897 commandeerde hij Hr.Ms. Zeehond in de Levant. Na op 1 mei 1900 bevorderd te zijn tot kapitein ter zee, maakte hij in 1901 als commandant van Hr.Ms. Noord-brabant een reis naar Australië, ter vertegenwoordiging van de Nederlands-Indische Regering bij de officiële totstandkoming van het Australische Gemenebest. Van 28 juni 1906 tot 1 juli 1907 commandeerde Van den Bosch het Nederlands eskader in Oost-Indië. Voor zijn optreden tijdens de expeditie naar Zuid-Bali (zomer 1906) werd hem het Ridderkruis 4e klasse der Militaire Willemsorde verleend. Op 30 augustus 1907 volgde zijn bevordering tot schout-bij-nacht en op 1 november 1909 die tot vice-admiraal. Inmiddels was hij per 5 augustus 1907 opgetreden als Directeur en Commandant der marine te Willemsoord en Commandant van de stelling Den Helder.

In die functie kreeg hij moeilijkheden met de eerste vlootpredikant bij de Koninklijke marine, ds. C.J. Warners. In september 1910 werd bij hem door een misverstand de indruk gewekt, dat Warners zich op ongeoorloofde wijze bemoeide met de lectuur voor arrestanten en daardoor een vorm van censuur wilde uitoefenen. Zonder Warners te horen, diende Van den Bosch onmiddellijk een klacht in bij de minister van Marine, J. Wentholt. Deze werd beantwoord met de aanwijzing de kwestie in een gesprek met Warners te regelen. Hierop verzocht de vice-admiraal eervol ontslag en toestemming om, in afwachting daarvan, met verlof te gaan. Op 8 november 1910 werd hij met ingang van 16 november d.a.v. op pensioen gesteld. Intussen kwam de affaire als gevolg van kamervragen, gesteld door Van den Bosch' politieke geestverwant, de Unieliberaal Th.H. de Meester, in de publiciteit. Zij was korte tijd een 'cause célèbre', die zelfs leidde tot de publikatie van ansichtkaarten met karikaturen van beide opposanten. Van den Bosch bleef hierna ambteloos tot zijn benoeming per 1 juli 1927 tot Kanselier der Nederlandse Orden, een functie die hij tot zijn dood vervulde.

Zijn stijlgevoel en talenkennis maakten hem tot een waardig en markant vertegenwoordiger van Nederland tegenover buitenlanders. In het korps zeeofficieren was hij bepaald populair; zijn optreden tegenover andere categorieën marinepersoneel leidde soms tot conflicten, wortelend in zijn autoritaire opvattingen over tuchthandhaving.

A: Dossier-Van den Bosch met aanstellingen en andere personalia in de bibliotheek van het Rijksmuseum 'Nederlands Scheepvaart Museum' in Amsterdam.

L: 'In Memoriam', in Marineblad 47 (1932) 718-719, 872.

I: Website Wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/Isaac_van_den_Bosch [30-10-2008].

Ph.M. Bosscher


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013