Bosch, Iman Gualtherus Jacob van den (1799-1880)

 
English | Nederlands

BOSCH, Iman Gualtherus Jacob van den (1799-1880)

Bosch, Iman Gualtherus Jacob van den, directeur van het landbouwbedrijf 'De Wilhelminapolder' bij Goes (Rotterdam 29-10-1799 - Wiesbaden 19-5-1880). Zoon van Gualtherus Jacob van den Bosch, directeur van 'De Wilhelminapolder', en Margaretha Sara van der Meulen. Gehuwd op 10-5-1821 met Cornelia Adriana Kakebeeke, na haar overlijden op 7-1-1845 huwde hij op 27-8-1846 met Helena Maria Razoux. Uit het eerste huwelijk werden 3 zoons, 7 dochters en 2 jong overleden kinderen geboren. Het tweede huwelijk was kinderloos. afbeelding van Bosch, Iman Gualtherus Jacob van den

Na enige jaren op een kostschool te Neuwied (D.) algemeen vormend onderwijs te hebben ontvangen, assisteerde hij zijn vader vanaf zijn vijftiende jaar bij diens werkzaamheden in 'De Wilhelminapolder'. Op landbouwgebied was hij autodidact. De basis van die kennis verkreeg hij door de bestudering van A. Thaer, Grundsätze der rationellen Landwirthschaft (Berlijn, 1809-1812). Zijn theoretische kennis verdiepte hij door jaarlijkse buitenlandse studiereizen, aanvankelijk naar Duitse, na 1840 naar Engelse landbouwbedrijven. De grondbeginselen van de landbouwpraktijk leerde hij van een opzichter van 'De Wilhelminapolder'. Door deze combinatie van theorie en praktijk groeide hij al spoedig uit tot één van de zeer weinige 'wetenschappelijke landbouwers', die ons land omstreeks het midden van de 19e eeuw telde. Na het overlijden van zijn vader in 1836 werd hij tot diens opvolger benoemd. Onder zijn leiding werd 'De Wilhelminapolder' een internationaal bekend modelbedrijf. Hij verhoogde de rentabiliteit van de onderneming (1400 ha) door verbetering van het vruchtwisselstelsel, de bemesting, veredeling van vee, drainage en mechanisatie. Door kruising van het Zeeuwse schaap met Engelse Leicester-schapen fokte hij een nieuw ras, het Iman-schaap, dat bestand was tegen het Zeeuwse klimaat, maar bovendien uitmuntende eigenschappen als wol- en vleesschaap bezat. Minder gelukkig was hij met zijn kruisingen van Zeeuwse runderen met Engelse Shorthorns. Weliswaar verkreeg hij daarmee zwaardere runderen, maar de melkgift was te gering. Hij was één van de eerste Nederlandse landbouwers die drainage met aarden buizen toepaste (vanaf 1852). Niet alleen verdween daardoor de wateroverlast, die sinds de bedijking de groei van de gewassen in de polder belemmerd had, maar bovendien werd de teelbare oppervlakte van het land met ca. 10 % vergroot, omdat de afwateringsgreppels konden vervallen. Door de vergroting van de percelen konden nu ook grote arbeidsbesparende werktuigen als zaai- en maaimachines worden gebruikt. Van de voordelen van deze nieuwe werktuigen raakte hij overtuigd tijdens zijn reizen naar Engeland, waar reeds een bloeiende landbouwwerktuigenindustrie bestond. In 1852 kocht hij in Engeland een paardedorsmachine aan en in 1856 een stoomdorsmachine, een tienrijige zaaimachine en een wiedmachine. In 1857 verscheen de eerste Engelse graanmaaimachine in de polder. Sindsdien werd het machinepark geregeld uitgebreid.

Buiten de polder speelde hij eveneens een belangrijke rol. Hij was o.m. lid van de Commissie van Landbouw in Zeeland, mede-oprichter en bestuurslid van de Zeeuwsche Landbouw Maatschappij en in 1854 werd hij ondervoorzitter van de Algemeene Koninklijke Landbouw Vereeniging, die in dat jaar door koning Willem III werd opgericht. Hij publiceerde tal van artikelen in de landbouwpers en schreef bovendien een aantal boekjes over onderwerpen die hij voor de bevordering van de landbouw van belang achtte, zoals over de landbouwboekhouding, de schapenteelt en het landbouwonderwijs. Voor de modernisering van de meekrapbereiding en de opheffing van het tiendrecht heeft hij zich jarenlang ingezet.

Hij was niet alleen één van de bekwaamste Nederlandse Landbouwkundigen in de 19e eeuw, maar werd ook om zijn menselijke kwaliteiten gewaardeerd. Door zijn innemende manieren bewoog hij zich gemakkelijk in alle kringen, verschillende malen vertoefde hij als gast op Het Loo. Zijn besluitvaardigheid verleidde hem wel eens tot al te besliste uitspraken. Evenals zijn vader was hij een meelevend lid van de Nederlands Hervormde Kerk. Dank zij zijn doorzettingsvermogen kon in 1840 een kerk in de polder worden gebouwd. Politiek was hij de liberale beginselen toegedaan en een overtuigd vrijhandelaar. Een kandidatuur voor de Eerste Kamer van de Staten-Generaal heeft hij geweigerd, maar wel heeft hij van 1850 tot 1868 zitting gehad in de Provinciale Staten van Zeeland. De blijken van waardering voor zijn werk en zijn persoon, die gedurende zijn gehele loopbaan zijn deel waren, vonden hun hoogtepunt in talrijke huldigingen bij zijn afscheid als directeur van de polder in 1864.

P: De koninklijke Wurtembergsche school van landhuishoudkunde te Hohenheim, beschouwd met betrekking tot den landbouw in ons vaderland (Middelburg, 1837); 'Wat zijn de tienden?', in De vriend van den landman .... Verz. door... E.C. Enklaar (Zwolle, 1836-1865. 29 dln.) III, 65-83; Handleiding tot het doelmatig boekhouden op een landelijk bedrijf... (Middelburg, 1843); De veredelde schapenteelt in verband met den landbouw in Zeeland, in het belang zoowel van grondeigenaren als van landlieden... (Middelburg, 1843); Over den verbouw en de bereiding der meêkrap in het Departement van Vaucluse in verband met de meêkrapteelt in Zeeland (Middelburg, 1850).

L: 'Herinneringen uit het leven van I.G.J. van den Bosch', in Landbouw courant 34(1880) 189-190; F. Nagtglas, 'I.G.J. van den Bosch en den Wilhelminapolder', in Eigen Haard 6 (1880) 245-248; J.M.G. van der Poel, De Wilhelminapolder, 1809-1959 (Wageningen, [1959]).

I: J.M.G. van der Poel, De Wilhelminapolder, 1809-1959 (Wageningen, [1959]) fotokatern achterin.

J.M.G. van der Poel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013