Bosch Kemper, jkvr. Jeltje de (1836-1916)

 
English | Nederlands

BOSCH KEMPER, jkvr. Jeltje de (1836-1916)

Bosch Kemper, jkvr. Jeltje de, feministe (Amsterdam 28-4-1836 - Amsterdam 16-2-1916). Dochter van jhr. Jeronimo de Bosch Kemper, advocaat-generaal en hoogleraar in de rechtswetenschap aan het Amsterdamsche Athenaeum Illustre, en Maria Aletta Hulshoff. Zij was ongehuwd.

afbeelding van de Bosch Kemper, Jeltje

Als oudste van de zes uit dit huwelijk geboren kinderen nam zij na de vroege dood van haar moeder in 1844 een bijzondere plaats in het gezin in, ook nadat haar vader in 1848 hertrouwde met Johanna Maria Walkart. Sindsdien woonden zij in het statige huis Herengracht 573 bij de Utrechtsestraat en brachten de zomers door op Lindenheuvel te 's-Graveland en later op het buitengoed Ellinchem bij Ellecom. Aanvankelijk kreeg zij huisonderwijs van een Zwitserse gouvernante, daarna ging zij naar een dagschool voor meisjes, die gehouden werd door Fräulein Gräver. Catechisatie kreeg zij van de doopsgezinde predikant, de latere hoogleraar J.G. de Hoop Scheffer, door wie zij in 1854 ook werd gedoopt. Voor een groot deel werd zij echter gevormd door haar vader, die veel van wat hem bezig hield met haar besprak. Hij was lid van de Gemeenteraad, Provinciale Staten en Tweede Kamer. Naast zijn wetenschappelijk en juridisch werk zette hij zich vooral in voor de volksontwikkeling. Hij was van mening dat er geen heil te verwachten viel van de ouderwetse vorm van liefdadigheid en vertrouwde er op dat achterlijkheid en armoede gekeerd konden worden door de verspreiding van nuttige kennis. Hij was de initiatiefnemer tot de 'Vriend voor armen en rijken' die zich o.m. toelegde op goede en goedkope lectuur. Behalve met wat vertaalwerk voor deze uitgaven betrok hij zijn dochter echter niet actief in zijn sociaal-filantropisch werk. Tussen haar 18e en haar 35e jaar bestond haar leven zo grotendeels uit het bestieren van het huishouden, uit borduren, tekenen, pianospelen, brieven schrijven, visites maken en veel lezen uit haar vaders bibliotheek. Door de doelloosheid van dit bestaan, de snelle geestelijke achteruitgang van haar pleegmoeder, de dood van één en de zwakke gezondheid van een andere broer, waren dit geen gemakkelijke jaren voor haar. Van het ogenblik af dat zij in 1871 toetrad tot het bestuur van de toen net door Betsy Perk gestichte vereniging 'Arbeid Adelt' en zelf met enige anderen in 1872 de vrijwel gelijk gerichte vereniging 'Tesselschade' oprichtte nam haar leven een geheel andere keer. Deze verenigingen stelden zich de verbetering van het lot der onvermogende vrouw uit den beschaafden stand door aanmoediging en bevordering van haren kunst- en arbeidszin ten doel. Dit geschiedde door bemiddeling in de verkoop van handwerkprodukten in eigen winkels en op bazars en meer en meer door de bevordering van opleidingsmogelijkheden. Hierin heeft Jeltje de Bosch Kemper zowel in als buiten 'Tesselschade' een groot aandeel gehad. Zo werd op haar instigatie in 1880 een diploma voor nuttige en fraaie handwerken ingesteld en in 1883 de school voor kunstnaaldwerk in het Rijksmuseum geopend, terwijl zij in 1887 een groot aandeel had in de uitbouw van de Dagtekenschool voor meisjes, waar in 1901 een afdeling kunstambacht aan toegevoegd kon worden. Ook in de opleiding voor verpleegsters speelde zij als bestuurslid van de afdeling ziekenverpleging een belangrijke rol. In 1892 was zij voorzitster van het Congres voor Ziekenverpleging waar de Bond voor Ziekenverpleging uit voortkwam. Vele jaren was zij voorzitster van de redactie van het Maandblad voor Ziekenverpleging. In 1891 wist zij na het publiceren van een brochure en het houden van vele lezingen de Amsterdamse Huishoudschool opgericht te krijgen. Ook hierin zag zij door de instelling van een centraal leraressen examen een verruiming van beroepsmogelijkheden. In 1899 bracht zij een opleiding voor kinderjuffrouwen tot stand.

In de strijd voor het vrouwenkiesrecht heeft zij geen prominente plaats ingenomen. In principe was zij het wel eens met wat de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht wilde, maar de middelen waren haar veelal te radicaal. Ook meende zij dat de belangen van vrouwen het beste konden worden behartigd in een vereniging waarin mannen en vrouwen als gelijkberechtigde leden samenwerkten. Zij nam daarom in 1894 het initiatief tot de oprichting van het Comité ter verbetering van den maatschappelijken en den rechtstoestand der Vrouw in Nederland. Met de oprichting in 1896 van Belang en Recht als centraal feministisch vrouwenblad stelde zij zich op tegenover het radicale blad Evolutie. In alle verenigingsbladen waarbij zij betrokken was schreef zij veelvuldig. Haar leidraad was steeds een zelfstandig leven voor de vrouw door eigen arbeid, gegrond op een deugdelijke opleiding. Haar grote kracht lag in haar organisatietalent en haar inzicht in de eisen van de praktijk. Zij was een autoritaire persoonlijkheid en dat gaf weleens botsingen, maar zij was in grote kring geliefd door haar persoonlijke belangstelling voor allen met en voor wie zij werkte. De bewondering voor wat zij tot stand bracht was unaniem. Op haar zestigste verjaardag werd zij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau en het erelidmaatschap van alle verenigingen waarvoor zij zich had ingezet viel haar successievelijk ten deel. Zij bleef actief, praktisch tot aan haar dood op 80-jarige leeftijd.

L: A.G. Tours-Hebbenaar, 'Jonkvrouwe De Bosch Kemper', in Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen 36 (1906) 329-382; Johanna W.A. Naber, Het leven en werken van Jeltje de Bosch Kemper (Haarlem, 1918).

I: Van moeder op dochter. De maatschappelijke positie van de vrouw in Nederland vanaf de Franse tijd. Onder red. van W.H. Posthumus-van der Groot en Anna de Waal (Utrecht [etc.] 1968).

Mw. H.P. Hogeweg-de Haart


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013