Brakel, Simon van (1879-1953)

 
English | Nederlands

BRAKEL, Simon van (1879-1953)

Brakel, Simon van, jurist (Amsterdam 10-7-1879 - Utrecht 10-2-1953). Zoon van Gerrit van Brakel, arts, en Sara Muller. Gehuwd op 11-5-1911 met Maria Euphrosine Bakhuis. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. afbeelding van Brakel, Simon van

Van Brakel bezocht sinds 1891 het Amsterdams Stedelijk Gymnasium, waar hij het diploma Gymnasium-A behaalde. In 1897 begon zijn studie in de rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Hier telde hij onder zijn leermeesters J.F. Houwing en M.W.F. Treub. Het kandidaatsexamen was op 27 juni 1898, gevolgd op 4 juli 1900 met het doctoraal. Zijn studie vond een voorlopige bekroning op 17 december 1902 met een promotie op 24 stellingen in de rechtswetenschap.

Aanvankelijk scheen Van Brakel voorbestemd een administratieve carrière te volgen. Zo werd hij in 1904 ambtenaar en twee jaar later hoofdambtenaar ter secretarie van de hoofdstad, welke functie in 1907 verwisseld werd voor die van secretaris van het curatorium der Universiteit van Amsterdam. Ondertussen begon hij zich op zijn dissertatie voor te bereiden en publiceerde hij een hiermee verband houdend artikel over Merchant adventurers in Vierteljahrschrift für Social- und Wirtschaftsgeschichte van 1907. Een jaar later volgde op l juli zijn promotie bij D. van Embden cum laude in de staatswetenschap op het proefschrift De Hollandsche Handelscompagnieën der zeventiende eeuw . . . ('s-Gravenhage, 1908). Zijn opvattingen van de juridische structuur van de 'vóórcompagnieën' bijv. verschilden nogal met die van E.J.J. van der Heyden neergelegd in diens dissertatie De Ontwikkeling van de Naamlooze Vennootschap in Nederland vóór de codificatie (Amsterdam, 1908). Van Brakels visie werd naderhand als de juiste juridische interpretatie van het historisch feitenmateriaal erkend (L. J. Hijmans van den Bergh). Verschillende detailstudies op het terrein van zijn dissertatie bewegend kwamen van zijn hand. Hoewel hij Clio niet ontrouw werd - zijn publikaties in o.a. Bijdr. en Meded. Hist. Gen. en De Gids bewijzen dat - verschoof langzamerhand zijn publicistisch werk van het economisch historische naar het juridische terrein zoals uit zijn artikelen in bijv. Rechtsgeleerd Magazijn, Themis en WPNR blijkt. Wellicht hing deze accentsverlegging samen met een verandering in functie. Op 26 februari 1915 wordt hij rechter in de arrondissementsrechtbank te Utrecht en op 11 oktober 1927 vice-président.

Deze administratieve carrière vindt een afsluiting wanneer Van Brakel met ingang van l oktober 1929 als opvolger van J.Ph. Suyling het professoraat in het burgerlijk recht en internationaal privaatrecht aan de Utrechtse Universiteit aanvaardt. Zijn op de vorige dag uitgesproken inaugurele rede droeg de titel De subjectiveering van het recht (Zwolle, 1929). De band met de rechtbank werd overigens niet helemaal verbroken, want Van Brakel bleef rechter-plaatsvervanger tot zijn emeritaat. Tijdens zijn hoogleraarschap verschenen talrijke artikelen en boekbesprekingen in vaktijdschriften en hij bracht preadviezen uit en verzorgde aantekeningen bij arresten van de Hoge Raad in het Weekblad van het Recht. Zijn bekendheid in juridische kring dankte hij vooral aan zijn Leerboek van het Nederlandsche Verbintenissenrecht (Zwolle, 1934-1942. 3 dln.), een didactisch werk - enige malen herdrukt - dat op kernachtige wijze een uiteenzetting geeft van de beginselen volgens welke dit onderdeel van ons recht geconstrueerd is (A.W.J. van Vrijberghe de Coningh in Themis 1945/46).

Maar ook op maatschappelijk terrein was hij actief. Zo maakte hij deel uit van het presidium van de Loonraad voor het spoorwegpersoneel, was hij lid van de Commissie voor notariële examens en vond tijd voor het deelnemen aan activiteiten van het Historisch Genootschap, de Commissie voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën, waarin hij van 1926 tot 1937 zitting had, en het Provinciaal Utrechts Genootschap.

Ondertussen had zijn professionele belangstelling zich in de jaren dertig verbreed en begon hij zich meer op het gebied van het internationale privaatrecht te begeven zoals bijvoorbeeld bleek uit zijn medewerking aan Annuario di diritto Comparato e di Studi legislativi.

De oorlog kwam nader en zijn rede 'Het dagelijksch leven en het recht' in 1940 kon door de Duitse inval niet meer uitgesproken worden. Van Brakels houding en opvattingen werden kennelijk door de bezetter niet gewaardeerd. Op 9 oktober 1940 werd hij, behorend tot de groep van zg. Indische gegijzelden te Buchenwald geregistreerd, waarvandaan hij op 7 februari 1941, in verband met zijn gezondheidstoestand vrijgelaten, kon terugkeren. Ook na het verlies van zijn op 11 januari 1945 in het buitencommando Vaihingen bij het concentratiekamp Natzweiler omgekomen zoon, bleef hij publiceren. Het getuigt van karakter dat hij tot het einde van zijn professoraat deel uitmaakte van de Bijzondere Raad van Cassatie, hetgeen een confrontatie met een voor hem pijnlijk verleden meebracht. In diezelfde periode hervatte hij zijn colleges op 25 september 1945 met De lessen der onvrijheid (Utrecht, [1945]), en bereidde hij de uitgave voor van zijn tweede belangrijke werk Grondslagen en beginselen van het Nederlands internationaal privaatrecht (Zwolle, 1946), een terreinverkennende inleiding - eveneens enige malen herdrukt - met het accent op het burgerlijk recht. Bewust werd het handels- en procesrecht buiten beschouwing gelaten.

Zijn wetenschappelijke verdiensten vonden erkenning. Zo had hij vanaf 1947 tot februari 1953 zitting in de Staatscommissie tot herziening van de burgerlijke wetgeving, waarin zijn toewijding en scherpzinnigheid op hoge prijs werden gesteld en die voor het bevorderen van de codificatie van het internationaal privaatrecht. Een hoogtepunt in zijn carrière was zijn optreden als promotor bij de erepromotie op 20 april 1948 van Eleanor Roosevelt. Het jaar daarop sloot hij 19 september, na het op 24 mei gehouden Afscheidscollege (Zwolle, 1949), zijn universitaire loopbaan af.

Van Brakel wiens grote zelfbeheersing en schijnbaar uiterlijke onbewogenheid soms hautain overkwamen (Van Oven) was een man van karakter die voor zijn overtuiging stond zonder dat hij die aan anderen opdrong. Hij was naast een goed docent, die helder gecompliceerde juridische constructies herleidde tot begrijpelijke taal, een privaatrechts-geleerde met een groot aantal wetenschappelijke publikaties en een open oog voor een rechtsorde in ontwikkeling, die in samenhang met andere sectoren van het maatschappelijk bestel beschouwd diende te worden.

P: Behalve de in de tekst genoemde werken en publikaties in o.a. Hansische Geschichtsblätter en The Scottish Historical Review, 'Economische historie en historische economie', in De Gids 87 (1923) IV, 108-118 en 'Over Werner Sombart en zijn opus magnum', ibidem, 265-281; Praeadviezen over schenkingen van ouders aan kinderen, in het bijzonder die van hand tot hand... (Den Haag, [1938]); 'De Geschiedenis van de totstandkoming van het B.W. van 1820-1838', in Gedenkboek Burgerlijk Wetboek 1838-1938. Uitg. onder red. van Paul Schölten en E.M. Meijers [Zwolle, 1938] 307-326; 'Domat ou Pothier', in Etudes de droit civil à la mémoire de Henri Capitant (Paris, [1959]) 865-873.

L: L.J. Hijmans van den Bergh, in Jaarboek der Rijksuniversiteit te Utrecht 1952-1953, 37-41 ; J. C. van Oven, in Nederlands Juristenblad (NJB) 28 (1953) 165-166; Redactie WPNR, in Weekblad voor Privaatrecht, Notaris-ambt en Registratie 84 (1953) 4283 (21 februari) 88; A. Blom in NJB 28 (1953) 195; J.G. van Dillen, in Economisch-Historisch Jaarboek 26 (1956) 257-259; L.J. Hijmans van den Bergh, in Ars Aequi 9 (1959-1960) 219-222.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 225.

J. Charité


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013