Brandsma, Anno Sjoerd (1881-1942)

 
English | Nederlands

BRANDSMA, Anno Sjoerd (1881-1942)

Brandsma, Anno Sjoerd (kloosternaam Titus) hoogleraar in de wijsbegeerte (Ugoclooster (gem. Wonseradeel) 23-2-1881 - Dachau 26-7-1942). Zoon van Titus Brandsma, veehouder, en Tjitje Postma. afbeelding van Brandsma, Anno Sjoerd

Brandsma bezocht de lagere school te Bolsward en vervolgens het gymnasium bij de paters franciscanen in Megen. Reeds gedurende zijn middelbare schooltijd, maar vooral tijdens zijn priesterstudie aan de karmelietenkloosters te Boxmeer, Zenderen en Oss ging zijn belangstelling uit naar de mystiek. In 1898 trad hij bij de karmelieten in, omdat het ten dele contemplatieve, ten dele actieve karakter van deze orde hem sterk aantrok. In 1901 stelde Brandsma een bloemlezing samen uit het werk van de karmelietes Teresia van Avila. In 1905 volgde zijn priesterwijding. Vanaf 1906 studeerde hij te Rome waar in 1909 zijn promotie plaatsvond tot doctor in de wijsbegeerte na een schriftelijk en mondeling examen. In dat zelfde jaar kwam zijn benoeming tot hoogleraar aan het filosofisch college van zijn orde te Oss. Met drie medebroeders begon hij aan een Nederlandse vertaling van het werk van Teresia van Avila. Het eerste deel werd geheel door Brandsma verzorgd. Voor het derde deel, dat in 1926 verscheen, leverde hij de vertaling van het voornaamste mystieke werk van de heilige, Het Kasteel der Ziel. In Duitse gevangenschap tijdens de bezetting zou Titus nog een biografie over Teresia schrijven, die in 1946 postuum uitgegeven werd.

Bij de oprichting van de Katholieke Universiteit te Nijmegen in 1923 werd hij tot hoogleraar benoemd. Van 1932 tot 1933 trad Brandsma op als rector magnificus. Zijn leeropdracht omvatte naast de geschiedenis van de niet-klassieke wijsbegeerte, onder andere de geschiedenis van de mystiek in Nederland. Vooral over dit laatste onderwerp verschenen van zijn hand verscheidene artikelen. Hij stichtte aan de Katholieke Universiteit het Instituut voor Geschiedenis der Nederlandse Mystiek. In dit kader legde hij een verzameling aan van Middelnederlandse geestelijke teksten op foto. Deze collectie, bijna 200 fotoalbums met ruim 700 verschillende teksten, wordt samen met het bijbehorend documentatieapparaat thans de 'Brandsmakollectie' genoemd. Deze wordt beheerd en voortgezet in het Titus Brandsma-Instituut, dat 7 mei 1968 door de Katholieke Universiteit en de Nederlandse Karmelprovincie is opgericht als een instituut voor de bevordering en beoefening van de theologie en geschiedenis der spiritualiteit. Brandsma was medeoprichter van het tijdschrift Ons Geestelijk Erf (1927). Ook bij de voorbereiding van de uitgave van de Katholieke Encyclopaedie (1933-1939) was zijn aandeel in de medewerking van groot belang.

Naast al deze wetenschappelijke arbeid was zijn streven erop gericht zijn plichten als priester -waarbij niemand tevergeefs een beroep op hem deed - en verplichtingen als kloosterling na te komen. In Nijmegen en Mainz stichtte Brandsma een karmelietenklooster. Hij was nauw betrokken bij de oprichting van twee Nederlandse karmelietentijd-schriften. Ook op onderwijsgebied was zijn activiteit in het belang van de orde groot. Naast al deze drukke bezigheden vond hij met zijn onstuitbare ijver nog de tijd voor vele andere werkzaamheden. Hij voelde zich door een waarlijk heilig vuur gedreven overal waar daartoe voor hem maar de gelegenheid bestond zich in te zetten voor zijn naaste. Bij elkaar werd door hem aan een veertigtal tijdschriften meegewerkt. Zijn afkomst activeerde hem in de Friese taalstrijd een belangrijke rol te spelen. In 1917 behoorde hij tot één van de oprichters van het Roomsk Frysk Boun. Vanaf de oprichting in 1928 tot aan zijn dood had Brandsma zitting in de Provinciale Onderwijsraad van Friesland, die zich bezighield met de bevordering van het onderwijs in het Fries. Het is mede aan zijn invloed te danken geweest, dat in 1937 bij de wet facultatief onderwijs in het Fries werd toegestaan voor de lagere school. Bij de totstandkoming van de Fryske Akademy in 1938 speelde hij eveneens een voorname rol. Ook voor de meer specifieke verbindingen van Friesland met het rooms-katholicisme stond Brandsma op de bres. In 1926 had hij reeds de eerste nationale Bonifaciusbedevaart naar Dokkum georganiseerd en in 1937 werd door hem de stoot gegeven tot de oprichting van de kerkhistorische vereniging Frisia Catholica.

Maar het zou vooral een andere maatschappelijke werkzaamheid van Brandsma zijn die hem ten slotte met de Duitse bezetter deed botsen en tot martelaar voor land en geloof maakte. In zijn functie van voorzitter (sinds 1925) van de Bond van besturen van R.-K. scholen voor voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs protesteerde hij bij de bezettingsautoriteiten tegen hun maatregelen om de regulieren uit het katholiek onderwijs te drijven. Zijn afkeer van het antisemitisme van de Duitse nationaal-socialisten, die reeds voor de oorlog gebleken was uit een brochure van zijn hand, trad bij Brandsma nog eens te meer aan de dag door de wijze waarop hij opkwam voor de joodse kinderen op katholieke scholen. In dit laatste geval slaagde hij erin een tijdelijke regeling te bewerkstelligen waardoor deze kinderen niet direct van de katholieke scholen behoefden te worden weggestuurd. Ook als geestelijk adviseur van de R.-K. Journalisten-vereeniging (sinds 1935) probeerde hij het nationaal-socialisme de voet dwars te zetten. Toen in december 1941 het NSB-departement van Volksvoorlichting en Kunsten aan de katholieke pers de eis stelde, voortaan iedere advertentie van NSB-zijde op te nemen, besloot Brandsma in overleg met aartsbisschop J. de Jong verzet te bieden. Zij stelden een circulaire op voor de katholieke pers. Brandsma bezocht hiermee de directies en redacties van de voornaamste katholieke bladen. Bij de meeste kranten kreeg hij te horen, dat men bereid was een principiële houding tegenover de eis van de NSB aan te nemen. Brandsma's optreden werd echter verraden en dit leidde tot zijn arrestatie op 19 januari 1942, ondanks het feit, dat de NSB besloot geen advertenties meer aan katholieke bladen aan te bieden. Na een afschuwelijk, maar op grootse wijze gedragen lijden, waarbij hij zijn medegevangenenen nog voortdurend tot steun en troost was, werd Brandsma op 26 juli van dat jaar in Dachau vermoord. In 1955 werd begonnen met een proces tot zijn zaligverklaring, dat tot op heden nog niet is afgesloten.

A: Collectie-Brandsma in Titus Brandsma-Instituut te Nijmegen.

P: Bibliografie tot 1930 in Lijst van geschriften van leden der Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder de Katholieken in Nederland. Supplement 1930 (Den Haag, 1931) 137-140; zie voor latere publikaties de selectieve lijst der geschriften in hieronder genoemde Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde

L: B. Meijer O. Carm., in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1946-1947. Levensberichten 24-28; idem, Titus Brandsma (Bussum, 1951); H.W.F. Aukes, Het leven van Titus Brandsma (Utrecht [enz.], 1961); A. Staring O. Carm., 'Het zaligverklaringsproces van Titus Brandsma', in Carmel. Tijdschrift voor geestelijk leven 14 (1961-1962) 280-289; idem, 'Titus Brandsma en Teresia van Avila', ibidem, 389-398; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1974) V, 747-759.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2a1427 [Foto: Nico Grijpink].

G.R. Zondergeld


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013