Brugmans, Hajo (1868-1939)

 
English | Nederlands

BRUGMANS, Hajo (1868-1939)

Brugmans, Hajo, historicus (Groningen 5-3-1868 - Amsterdam 6-12-1939). Zoon van Izaak Johannes Brugmans, koopman en assuradeur, en Catharina Haijona Napjus. Sinds 5-8-1895 gehuwd met Maria Keizer. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Brugmans, Hajo

Brugmans stamde uit een Gronings milieu waarin zijn vader een actieve maatschappelijke rol vervulde. De band met Groningen bleef lang bewaard: na het gymnasium en de universiteit vond hij er zijn eerste belangrijke werkkring. In 1886 begon hij de studie der Nederlandse letteren, met een voorkeur voor de historische richting, waarvoor toen nog geen aparte afstudeermogelijkheid bestond. Aanstonds openbaarden zich trekken die hem zijn verdere leven zouden kenmerken: noeste werkkracht op wetenschappelijk terrein gepaard aan een bredere literaire en maatschappelijke belangstelling. Zo stond zijn activiteit als abactis van het studentencorps Vindicat atque Polit zijn tijdig afstuderen in 1891 niet in de weg, en bekroonde hij al het jaar daarop zijn opleiding met een proefschrift over Engeland en de Nederlanden in de eerste jaren van Elizabeth's regeering (1558-1567) (1892), verdedigd bij zijn leermeester P. J. Blok, en bekroond met het predikaat cum laude. Die lof zal wel mede de regeringsopdracht hebben beïnvloed die de jonge doctor dadelijk aanvaardde, namelijk het instellen van een onderzoek in Engeland naar archivalia van belang voor de Nederlandse geschiedenis. Het gedrukte verslag van die reis verscheen in 1895 en werd een model voor soortgelijke exploraties in andere landen. Na zijn terugkomst uit Engeland in 1893, en een weinig voldoening gevend jaar als leraar te Utrecht, verkreeg hij een betrekking die een aanlokkelijke uitdaging voor zijn arbeidskracht vormde: het conservatorschap van de Universiteitsbibliotheek te Groningen, met als taak een inventarisering der aanwezige handschriften. Dit resulteerde in de Catalogus codicum manuscriptorum Universitatis Groninganae Bibliothecae (1898).

Ook zijn verdere loopbaan leek in het bibliotheekleven te liggen: in 1897 aanvaardde hij op uitnodiging van de toenmalige bibliothecaris W.G.C. Byvanck, de functie van onder-bibliothecaris bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Ook hier had de afdeling handschriften zijn speciale zorg. Als historicus ging zijn interesse intussen uit naar een ander terrein. De economische geschiedenis trok hem al vanaf zijn dissertatie, en leidde nu tot enkele fundamentele bronnenuitgaven met betrekking tot de handelsgeschiedenis van Amsterdam. Samen met andere publikaties wettigde deze werkzaamheid ten volle Brugmans' benoeming tot hoogleraar in de algemene geschiedenis aan de jonge Universiteit van Amsterdam in 1903. Het wekt geen verwondering dat hij die benoeming aanvaardde met een intreerede over Het belang der economische geschiedenis (1904). Voor wie de evenwichtige opstelling van de redenaar kende wekte het echter evenmin verwondering dat hij de redelijkheid daarbij niet uit het oog verloor, en voor de economische geschiedenis geen pretenties had die zij niet waar kon maken. Dat bleek ook uit het onderwijs van de nieuw benoemde hoogleraar, die voor de ontzagwekkende taak stond de gehele geschiedenis vanaf de oudheid tot heden te doceren. Jarenlang gaf hij wekelijks colleges over economische, algemene én vaderlandse geschiedenis. Een indrukwekkende eruditie en een ijzeren geheugen stelden hem in staat zijn opdracht te vervullen, en bij noodzaak zelfs te buiten te gaan - ook over de oude geschiedenis moest hij zich bij gelegenheid wel ontfermen. Pas in 1923 kreeg hij enige verlichting door de benoeming van N.W. Posthumus voor de economische geschiedenis, terwijl hij voorts in 1930 J.S. Theissen als collega voor de vaderlandse historie mocht begroeten.

Zijn onderwijstaak stond zijn publicistische bezigheid niet in de weg. Ook hier kende hij nauwelijks beperkingen en gaf hij zowel de briefwisseling uit van de Friese humanist Ubbo Emmius als een Atlas der Nederlandsche palaeographie (1910) - de laatste in samenwerking met de Utrechtse hoogleraar O. Oppermann. Toch boeide hem in zijn verdere hoogleraarsbestaan meer en meer de geschiedenis van Amsterdam - de geboren Groninger had aan de stad zijner inwoning duidelijk zijn hart verpand. Het is ondoenlijk hier de vele boeken en artikelen op te noemen waarin die belangstelling haar neerslag vond. Zij culmineerden ten slotte in een groot werk in acht delen. Geschiedenis van Amsterdam. .. (1930-1933), waarvan zijn zoon I. J. Brugmans in 1972-1973 een bijgewerkte uitgave verzorgde. Daarnaast staat bovendien een menigte andere publikaties op de meest uiteenlopende gebieden der geschiedenis. Er zijn weinig dieper gravende studies onder, maar zijn vlotte pen maakte Brugmans wellicht ook in de eerste plaats geschikt als popularisator in de goede zin des woords. Een cultuurgeschiedenis van de middeleeuwen hoort eronder, evenals een in samenwerking met G. W. Kernkamp geschreven Algemeene geschiedenis in vier delen (1902-1908). Onder zijn redactie verscheen later nog een achtdelige Geschiedenis van Nederland (1935-1938).

Intussen geeft dit alles nog slechts een onvolledig beeld van de man: zijn gaven en ijzeren werkkracht maakten hem ook tot een veelgevraagd bestuurslid voor tal van verenigingen en commissies. Zo was hij voorzitter van het genootschap Amstelodamum, bestuurslid van het Historisch Genootschap te Utrecht, examinator bij de M.O.-opleiding geschiedenis, en daarnaast nog van 1915 tot 1930 redacteur van De Groene Amsterdammer. Ook De Telegraaf en de Nieuwe Rotterdamsche Courant hadden in hem trouwens een geregelde medewerker, die het wereldgebeuren zo goed als nieuwe historische uitgaven, met gemak van commentaar voorzag.

Waardering voor zijn werkzaamheid bleef hem niet onthouden: bij zijn 25-jarig jubileum als hoogleraar boden oudleerlingen hem een feestbundel aan; toen, en bij zijn emeritaat in 1938 werd hij tevens uitgebreid gehuldigd. Van 1926 tot 1927 fungeerde hij als rector magnificus. Bijna zeventig promoties kwamen onder zijn leiding tot stand. Bij al die activiteit is het natuurlijk onvermijdelijk dat veel van zijn werk is achterhaald en als oppervlakkig bekritiseerd. Als stimulator van de historische wetenschap speelde Brugmans echter een belangrijke rol, die hij ook met veel animo vervulde. Leerlingen en vrienden roemden hem als een man van warme belangstelling, steeds toegankelijk voor anderen, een prettig examinator, een beminnelijk mens. Hoewel actief lid van de Remonstrantse Broederschap beleed hij zijn geloof zonder uiterlijk vertoon. Tot op het eind van zijn leven koesterde Brugmans de historie en letterenstudie in de ruime zin van het woord. Nog in het laatste jaar stelde hij zich beschikbaar om de zieke I.H. Gosses in Groningen te vervangen, maar eigen zwakke gezondheid deed hem spoedig die poging opgeven. Zijn overlijden in december 1939 maakte zijn emeritaat er een van slechts korte duur.

P: Zie de Bibliografie der geschriften van prof.dr. H. Brugmans 1891-1938. [Bew. door H. van der Bijll]. (Arnhem, 1938).

L: A. Hallema, in De Hollandsche Revue 34 (1929) 217-221; J.C. Westermann, in Amsterdamsche Studenten-almanak. .. 109 (1939) 66-68; N. W. Posthumus, in Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1939-1940, 242-257; A. le Cosquino de Bussy [e.a.], in Amstelodamum 27 (1940) 1-10; J.G. van Dillen, in Tijdschrift voor Geschiedenis 55 (1940) 111-112.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 255.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013