Bussemaker, Carel Hendrik Theodoor (1864-1914)

 
English | Nederlands

BUSSEMAKER, Carel Hendrik Theodoor (1864-1914)

Bussemaker, Carel Hendrik Theodoor, historicus (Deventer 5-1-1864 - Leiden 6-9-1914). Zoon van Barend Barlagen Bussemaker, bierbrouwer, en Gertruda Bertha Gerarda Elisabeth Resius. Gehuwd sinds 27-7-1887 met Elisabeth Hendrika Hermance Vervoort. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Bussemaker, Carel Hendrik Theodoor

Bussemaker bezocht de lagere school, de HBS en het gymnasium te Deventer en liet zich na zijn eindexamen in 1883 inschrijven als student in de Nederlandse letteren te Leiden. Ondanks zijn grote activiteiten in het studentenleven wist hij in 1885 het kandidaats- en in 1886 het doctoraal examen af te leggen. In 1887 werd hij leraar Nederlands en aardrijkskunde aan de RHBS te Zaltbommel, in 1888 leraar Nederlands en geschiedenis aan het gymnasium te Haarlem. In 1888 promoveerde hij te Leiden bij R. Fruin op een proefschrift Geschiedenis van Overijsel gedurende het eerste stadhouderlooze tijdperk. Dl. 1; in 1889 verscheen het tweede deel. Toen Teyler's Tweede Genootschap te Haarlem in 1892 een prijsvraag uitschreef verwierf Bussemaker in 1894 de gouden medaille met een manuscript, dat later werd uitgegeven onder de titel van De afscheiding der Waalsche gewesten van de Generale Unie ( 1895-1896. 2 dln.). Met dit werk vestigde hij zo de aandacht op zich dat hij in 1895 werd benoemd tot opvolger van P.J. Blok als hoogleraar in de geschiedenis en politieke aardrijkskunde te Groningen; hij aanvaardde zijn ambt met een oratie De behandeling der Algemeene Geschiedenis (1895). Hij bleef een tiental jaren te Groningen werkzaam, waar hij zich ook actief betoonde in de kring van het lokale Historisch Genootschap. Bussemakers belangstelling ging uit naar de politieke en vooral de diplomatieke geschiedenis, al had hij zeker begrip voor de economische achtergronden. Van zijn hand verschenen verscheidene artikelen, o.m. in Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, veelal over de slecht gekende achttiende eeuw. In 1904 ondernam Bussemaker op verzoek van P.J. Blok een reis naar Spanje voor het opsporen van voor de Nederlandse geschiedenis belangrijke documenten. De resultaten van zijn onderzoek achtte hij teleurstellend; de ziekte die hij tijdens zijn verblijf in Spanje opdeed was wellicht mede oorzaak van zijn vroege dood.

Toen P.L. Muller in 1905 overleed volgde Bussemaker hem op als hoogleraar in de algemene geschiedenis te Leiden; op 4 oktober van dat jaar hield hij zijn oratie Over de waardeering der feiten in geschiedvorsching en geschiedschrijving, waarin hij kleurloze objectiviteit van de hand wees. Na zijn benoeming in 1904 tot lid van de examencommissie M.O.-geschiedenis werd hij in 1909 lid van de commissie van advies voor 's-Rijks Geschiedkundige Publicatiën en in 1913 lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Op verzoek van de archivaris van het Koninklijk Huisarchief, F.J.L. Kramer, belastte Bussemaker zich met de uitgave van de Archives ou correspondance inédite de la maison d'Orange-Nassau. 4e Série (1908-1914. 4 dln.), doch over het resultaat was hij niet geheel tevreden.

Bij zijn onderwijs raakte Bussemaker sterk geïnteresseerd in de geschiedenis van de tweede helft der negentiende eeuw. Dit blijkt behalve uit artikelen in Onze Eeuw ook uit de voortzetting van het derde deel van P.L. Muller, Geschiedenis van onzen tijd sedert 1848 (1921). Door zijn plotselinge dood kwam hij niet verder dan behandeling van de periode 1879-1890. Zijn leerling J.S. Bartstra voltooide het werk.

Bussemaker was een geliefd hoogleraar, wiens colleges werden gekenmerkt door grondigheid en helderheid. Wellicht besteedde hij zoveel tijd aan het onderwijs, dat eigen onderzoek nog niet tot volle ontplooiing kon komen en door de vroege dood bleef steken. Leerlingen als P. Geyl en J.S. Bartstra ondergingen sterk zijn invloed.

P: P.H. van Reedt Dortland, 'Bibliographie der werken van C.H.Th. Bussemaker', in Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. .. Levensberichten . . . 1915-1916, 56-58.

L: L. Knappert, 'Bij het portret van professor Bussemaker', in Eigen Haard 40 (1914) 757-759; P. Geyl, in Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en Rijnland.. . 12(1915),LXXXV-LXXXVIII; H. Brugmans, in bovengenoemde Handelingen . . ., 18-55.

I: Website Universiteit Leiden: http://www.geschiedenis.leidenuniv.nl/index.php3?m=114&c=496 [8-8-2007].

S.B.J. Zilverberg


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013