Cohen, Ernest Julius (1869-1944)

 
English | Nederlands

COHEN, Ernest Julius (1869-1944)

Cohen, Ernest Julius, chemicus (Amsterdam 7-3-1869 - Auschwitz (Polen) 6-3-1944). Zoon van Jacob Cohen, chemicus, en Nanny Rosenthal. Gehuwd sinds 21-12-1893 met Louise Gompertz. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na de dood van zijn eerste vrouw op 31-8-1920 was hij sinds 3-4-1922 getrouwd met Sophia Catharina Johanna Voute. Uit dit huwelijk waren geen kinderen. Na de scheiding op 4-7-1929 trouwde hij op 12-12-1929 met Wilhelma Abramina Titia de Meester. Uit dit huwelijk waren geen kinderen.

afbeelding van Cohen, Ernest Julius

Cohen studeerde na de HBS in Amsterdam te hebben doorlopen Grieks en Latijn (1886-1888) en na het admissie-examen te hebben afgelegd scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 1890 volgde zijn kandidaatsexamen. Hij studeerde daarna twee maanden bij H. Moissan in Parijs en was drie maanden assistent aan het Rijkslandbouwproef-station in Breda. Het doctoraal examen werd in 1892 behaald. Op 8 november 1893 promoveerde hij bij J.H. van 't Hoff op een proefschrift Het bepalen van overgangspunten langs electrischen weg en de electromotorische kracht bij scheikundige omzetting. Na zijn assistentschap op het laboratorium van Van 't Hoff werd hij in 1896 benoemd tot privaatdocent en in 1901 tot buitengewoon hoogleraar in de fysische chemie te Amsterdam. Hij aanvaardde zijn ambt op 9 december 1901 met een oratie Uitersten op het gebied der algemeene of physische chemie. In 1902 volgde zijn benoeming tot gewoon hoogleraar in de fysische en anorganische chemie te Utrecht. Zijn oratie, op l oktober 1902 gehouden, droeg als titel Rumor in Casa. In Utrecht was hij tevens directeur van het nieuwe Van 't Hoff laboratorium. Bij de inwijding ervan op 16 mei schetste hij in een rede Allotropieën zijn programma voor de naaste toekomst.

Cohen was een vruchtbaar schrijver. Naast een aantal boeken schreef hij meer dan 400 artikelen. Zijn vroegste onderzoekingen gingen over de scheikunde van het fotografisch proces (1897), gevolgd door de elektrochemische bestudering van scheikundige evenwichten. Zijn levenswerk betrof vooral drie onderwerpen: elektrochemie, fysische isomerie en piëzochemie. Hij werd vooral bekend door een grote reeks van onderzoekingen met zijn leerlingen over fysische isomerie. Jarenlang bestudeerde hij de allotropie van tin en gaf hij de verklaring van de zogenaamde tinpest (museumziekte), dat wil zeggen de omzetting van gewoon wit tin in instabiel grijs tin. Systematisch onderzocht hij de verschijnselen van de enantiotropie (stoffen met een overgangspunt) en monotropie (stoffen waarvan één vorm altijd stabiel, de ander altijd metastabiel is). Zijn experimentele begaafdheid blijkt ook uit zijn studies op het gebied van de elektrochemie en de reactiekinetica. In zijn piëzochemische onderzoekingen bestudeerde hij evenwichten kinetica onder hoge drukken (tot 1500 atmosfeer toe), waarbij nauwkeurige metingen werden verricht ten aanzien van invloed van de druk op de oplosbaarheid, de reactiesnelheid, de elektromotorische kracht, de diffusiesnelheid enz.

In 1919 publiceerde hij met zijn leerling W. Schut een overzicht van zijn werk op dit gebied als Piezochemie kondensierter Systeme. In 1925-1926 gaf hij als 'George Fisher Baker non-residential Lecturer' colleges in de chemie aan de Cornell Universiteit welke hij publiceerde als Physicochemical Metamorphosis and some Problems in Piezochemistry (1926). In 1896 had hij een uitgebreide editie uitgegeven van het klassieke werk van Van 't Hoff, Etudes de dynamique chimique (1884) onder de titel Studien zur chemischen Dynamik ....

Naast zijn talrijke fysisch-chemische onderzoekingen publiceerde hij veel historische studies, waaronder Das Lachgas. Eine chemisch-kulturhistorische Studie (1907), Jacobus Henricus van 't Hoff. Sein Leben und Wirken (1912), Herman Boerhaave en zijne beteekenis voor de chemie (1918), alsmede biografische artikelen over G.J. Mulder, H.J. Hamburger, C.A. Lobry de Bruyn, D.G. Fahrenheit enz.

Behalve op wetenschappelijk terrein was Cohen ook organisatorisch zeer actief. Hij was de eerste voorzitter van de Nederlandse Chemische Vereniging (1903) en voorzitter van de Union Internationale de la Chimie pure et appliquée, opgericht in 1919. In 1921 deed hij een geslaagde poging om de internationale betrekkingen tussen chemici welke door de Eerste Wereldoorlog waren verbroken, te herstellen. Zijn wetenschappelijke verdiensten vonden erkenning in het lidmaatschap van de Nederlandsche Akademie van Wetenschappen (1913) en het verlenen van eredoctoraten o.a. van de universiteiten van Cambridge (1923), Karlsruhe (1925) en Philadelphia (1926).

In 1939 ging Cohen met emeritaat. Helaas heeft hij hiervan niet lang kunnen genieten. Tijdens de Duitse bezetting werd hij als jood overgebracht naar het doorgangskamp Westerbork en vandaar gedeporteerd naar Polen. Daar eindigde zijn leven in de gaskamer van het Duitse vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau.

P: Een volledige bibliografie staat in Chemisch Weekblad 15 (1918) 1452-1470; 24 (1927) 489-493; 36 (1939) 519-522; 41 (1945) 128-129.

L: Zie behalve de verschillende herdenkingsartikelen in Chemisch Weekblad 15 (1918) 1404-1451; 24 (1927) 474-489; 36 (1939) 515-519 en 41 (1945) 126-128 de volgende publikaties: C.A. Browne, 'Dr. Ernst Cohen as historian of Chemistry', Journal of Chemical Education 25 (1948) 302-307; A.L.Th. Moesveld, 'The Scientific Work of Ernst Cohen', ibidem 308-314; F.G. Donnan, 'Ernst Julius Cohen 1869-1944', in Obituary Notes of Fellows of the Royal Society 5 (1948) 667-687; H.R. Kruyt, in Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1949-1950, 265-274.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 309.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013