Couperus, Louis Marie Anne (1863-1923)

 
English | Nederlands

COUPERUS, Louis Marie Anne (1863-1923)

Couperus, Louis Marie Anne, schrijver (Den Haag 10-6-1863 - De Steeg (gem. Rheden) 16-7-1923). Zoon van John Ricus Couperus, raadsheer in Hooggerechtshof en Hoog Militair Gerechtshof van Ned.-Indië, en jkvr. Catharina Geertruida Reijnst. Gehuwd op 9-9-1891 met Elisabeth Wilhelmina Johanna Baud. Er waren geen kinderen uit dit huwelijk. afbeelding van Couperus, Louis Marie Anne

Couperus volgde het middelbaar onderwijs aan het zg. gymnasium in Batavia en de HBS Bleijenburg te Den Haag. Hij kon, door zijn geboorte in een familie van hoge Oostindische ambtenaren, bij wie een romanschrijver niet in ere was, zijn roeping pas volgen, nadat hij, o.a. opgeleid door J. ten Brink, in 1886 de akte M.O.-Nederlands gehaald had. Na zijn huwelijk ging hij met zijn vrouw voortdurend op reis, naar Brussel, Italië, Parijs, Heidelberg, Dresden, Engeland. In 1899 ging hij naar Nederlandsch-Indië; vervolgens vestigde hij zich in 1900 in Nice, van waaruit hij herhaaldelijk naar Italië (Rome, Florence, Venetië, Sicilië) reisde. In 1913 bevond hij zich enige maanden in Spanje. De dreigende deelneming van Italië aan de Eerste Wereldoorlog deed het echtpaar in februari 1915 naar Nederland terugkeren.

Couperus werd toen als vast feuilletonschrijver en voordrager uit eigen werk bij een deel van het publiek populair, al bleef hij voor een ander deel tot lang na zijn dood de te precieuze dandy. In 1920 reisde hij met zijn vrouw naar Algiers, in 1921 naar Nederlandsch-Indië als bijzonder correspondent van de Haagsche Post en in 1922 naar Japan. Daar werd hij ernstig ziek. Na terugkeer in Nederland overleed hij een maand na huldiging op zijn 60ste verjaardag, in het huisje in De Steeg, hem door vrienden en bewonderaars aangeboden.

Couperus debuteerde in 1884 als dichter met de bundel Een Lent van Vaerzen, in 1886 gevolgd door Orchideeën. Kloos' vernietigende kritiek op de eerste bundel werd door Vosmaer voor publikatie in De Nederlandsche Spectator afgewezen, maar de barre kritiek van Kloos op de tweede bundel verscheen in De Nieuwe Gids 2 (1887) II, 134-137. Daarmee had dit tijdschrift hem afgestoten en dat veranderde niet toen Van Deyssel zijn roman Eline Vere (Feuilleton Het Vaderland dec. 1887-juli 1888; afz. in 3 dln., 1889), althans grotendeels, zeer had geprezen. Vooral bij het Haagse publiek vestigde Couperus door dit boek voorgoed zijn naam als schrijver. Noodlot (1890) waarvan de cynisch-pessimistische filosofie een polemiek veroorzaakte (ds. J. van Loenen Martinet en C.H. den Hertog versus Van Deyssel) nam velen van christelijken huize tegen Couperus in. Extaze (1892) daarentegen ging erin 'als koek'; het was de fijne maar precieuze beschrijving van een platonische liefdesverhouding. Het zaaide intussen wel verdeeldheid onder de meer kritisch ingestelde geesten: Van Deyssel prees, Van Eeden walgde. Ook met de reeks koningsromans Majesteit, Wereldvrede en Hooge troeven (1893, 1895, 1896) won Couperus het bij het publiek, maar de letterkundige kritiek, Van Deyssel voorop, zag alleen maakwerk en bleek geen oog te hebben voor de kracht van een nieuw element in Couperus' kunst: het massaal-epische, dat sterk genoeg was om de gezochte fraaiheid van de taal te dragen (het slot van Majesteit). Deze winst ging in Metamorfoze (1897), dat een introvert zielsverhaal was, weer verloren en werd vergeten toen de kunstsprookjes Psyche (1898) en Fidessa (1899) opgang maakten, niet door hun allegorisch uitgebeelde, als wijsheid bedoelde inhoud, maar door hun sentimentele, virtuoze en fantasierijke taal. Kloos bewonderde, Van Deyssel verfoeide. Borel zei namens velen, dat de 'fantastische pracht er in meer geconstrueerd dan vanzelf ontbloeid was'. In deze eerste tien jaar van zijn loopbaan zijn er in Couperus' boeken twee genres te onderscheiden, die een beoordelaar omstreeks 1901 het epische en het lyrische had kunnen noemen. Tot de epische behoorden: Eline Vere, Noodlot en een gedeelte van Majesteit en Wereldvrede, tot de lyrische: Extaze, overige gedeelten van Majesteit en Wereldvrede, Psyche, Fidessa en Babel (1901). De woekering van taalsierlijkheid die een groot deel van de critici en een kleiner deel van de lezers afstootten -dit deel van zijn tijdgenoten noemde Couperus 'wee' - beperkte zich vrijwel tot de lyrische trant.

De reis naar Nederlandsch-Indië en de definitieve vestiging in het buitenland markeren een wijziging in dit patroon. Couperus' aandacht is meer naar buiten gericht, door een psychische ontwikkeling (zelfbevrijding van de obsessie die zijn homoseksualiteit voor hem betekende) en (daardoor) een ondernemender en interessanter leven. De Italiaanse kunst zal hem jaren boeien; zijn eerste realistische roman na tien jaar. Langs lijnen van geleidelijkheid (1900) speelde onder de toeristen tussen wie hij leefde, enerzijds werkelijk of schijnbaar opgaande in kunst en geschiedenis, anderzijds verwikkeld in drakerige avonturen met corrupte Italiaanse edelen. Ook door onwaarschijnlijkheden in de intrige had het boek geen succes, het verwekte bovendien schandaal. De reis naar Indië bracht het belangwekkende De stille kracht (1900) voort, het eerste van een reeks meesterlijke romans. De pessimistische kijk op de Nederlandse positie in Indië werkte ertoe mee dat het publiek dit boek afwees, van de recensenten was met name Van Deyssel uiterst schamper, tot verontwaardiging van de kenner van Indië C.Th. van Deventer. Deze reactie was belangrijk, omdat die niet alleen Couperus in financieel opzicht uitermate hinderde, maar bovendien een bevooroordeeldheid aankweekte, waardoor de grootheid van De boeken der kleine zielen (1901-1903) en Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (1906) vrijwel niet werd opgemerkt. Er werd weinig maar laatdunkend gerecenseerd. Toch was in deze boeken geen verwilderende, gezochte taalschoonheid, en werd decadentie er als zodanig in erkend; ze werden bij het leven van de schrijver niet herdrukt en pas ontdekt door de Couperus-renaissance van omstreeks 1955 (verschijning van de 12 delen Verzamelde Werken 1952-1957. Uitg. onder red. van T. van Rhijn-Naeff e.a.). Kritiek en publiek geven ze dan een plaats aan de top van de Nederlandse letterkunde.

In dezelfde periode van zijn grootste romanproduktie had Couperus intussen ook zijn lyrisme uitgeleefd in het originele genre van het mythologische verhaal: de fantasieën God en Goden (1903) en Dionyzos (1904). In De Berg van Licht (1905-1906) trok hij alle registers van zijn schrijfkunst open : hij verhaalde zijn machtige visioen van de korte, orgiastische regering (218-222) van de Romeinse keizer Heliogabalus. De kritiek wist hier evenmin raad mee als het publiek; het beeld van een verwijfd-perverse Couperus zette zich steeds meer vast. Maar de erkenning van Couperus als literator van betekenis drong toch ook door in een bepaalde literaire kring: sedert de oprichting in 1903 werd hij met C. Buysse en W.G. van Nouhuys redacteur van het maandblad Groot Nederland. Zijn nieuwe werkzaamheid als journalist kreeg een sterk accent, toen het Haagse dagblad Het Vaderland op 27 november 1909 een wekelijks feuilleton van zijn hand aankondigde. De honderden korte stukken die hij daarna schreef, handelden Van en over mijzelf en anderen. Van en over alles en iedereen, maar een belangrijke plaats namen de kunsthistorische momentopnamen in Italië en Sicilië in, die trouwens tweemaal een groot verhaal voortbrachten. Antiek toerisme ( 1911) en De komedianten (1917), het laatste een nieuw meesterwerk. Couperus schiep met deze luchtig-virtuoze schetsen een persoonlijk genre. In 1913 verscheen het tweede grote mythologische verhaal, Herakles (1913) en als neerslag van een reis in Spanje, dat hem niet lag, De ongelukkige (1915). In de laatste oorlogsjaren, toen hij niet kon reizen, schreef hij de uitnemende humoristische verhalen De verliefde ezel (1918) en Het zwevende schaakbord (1922), en, beknopter, zéér ernstig en subliem De Ode (1919), met als motief de Olympische vijfkamp en de ering van de overwinnaar met een ode, naar Pindarus. Xerxes of de hoogmoed (1919), zeker mede ingegeven door de val van Wilhelm II, was een historische roman die het oprukken van Xerxes naar Hellas beschreef met half onderdrukte scherts, die de schrijver op de lippen besterft, als hij aan de Griekse heroïek toe is. Daardoor werd dit een voorbereiding tot het grote verhaal Iskander (1920), dat de verovering van Perzië door Alexander en diens morele ondergang beschreef, tevens de apotheose van het obstinate motief in Couperus' historisch en fantastisch werk: de tegenstelling tussen een mannelijk Westen en een vrouwelijk (moederlijk) Oosten.

De reis naar Japan gaf Couperus daarna behalve feuilletons nog mooie Japanse legenden in de pen: Het snoer der ontferming (1924). Eveneens postuum verschenen drie bundels Proza, merendeels herdrukken van korte schetsen.

A: Letterkundige nalatenschap van de schrijver is aanvankelijk beheerd door het Genootschap Louis Couperus (1928-1933) en vervolgens door het Gemeente-Archief Den Haag, dat de nalatenschap aan het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, 's-Gravenhage, in bruikleen heeft afgestaan.

P: Zie behalve bovengenoemde werken Documentatiedienst Nederlands Letterkundig Museum onder Couperus, alsmede Louis Couperus, Nagelaten werk. Bijeengebracht door Richard Erbe (Assen [enz.], 1975).

L: W.E.J. Kuiper, 'Louis Couperus en de Grieksch-Romeinsche Oudheid', in De Nieuwe Gids 32 (1917) I, 615-638. Afz. herdr. als Couperus en de Oudheid (Amsterdam, 1961); H. van Booven, Leven en werken van Louis Couperus (Velsen, 1933); H.W. van Tricht, Louis Couperus. Een verkenning (Den Haag, 1960. 2e verm. en herz. dr. Den Haag, 1965); W. Blok, Verhaal en lezer. Een onderzoek naar enige structuuraspecten van " Van Oude Mensen, de dingen die voorbijgaan" van Louis Couperus (Groningen, 1960); M. Galle, Couperus in de kritiek (Amsterdam, 1963); H.W. van Tricht, 'Vanwege Couperus', in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1962-1963, 18-41; 'Louis Couperus als briefschrijver'. Met inl. en aant. door H.W. van Tricht, in Maatstaf 11 (1963) 3-4 (juni-juli) 145-248; K.A.P. Reijnders, Couperus bij Van Deyssel. Een chronische konfrontatie in beschouwingen, brieven en notities (Amsterdam, 1968); K.J. Popma, Beschouwingen over het werk van Louis Couperus (1863-1923) (Amsterdam, 1968); E. Visser, Couperus, Grieken en Barbaren (Amsterdam, 1969); Th. Bogaerts, De antieke wereld van Louis Couperus (Amsterdam, 1969); M. Galle, Van gedroomd minnen tot ons dwaze bestaan. Het noodlot in het werk van Louis Couperus (Hasselt, [1973]); A.Vogel, De man met de orchidee. Het levensverhaal van Louis Couperus [Den Haag enz., 1973]; Waarde heer Veen. Brieven van Louis Couperus aan zijn uitgever. Ingel. en van aant. voorz.door F.L. Bastet. I. (1890-1902). ('s-Gravenhage, 1977). Achter het boek: 12; Amice. Brieven van Louis Couperus aan zijn uitgever. Ingel. en van aant. voorz. door F.L. Bastet. II. (1902-1919). ('s-Gravenhage, 1977). Achter het boek: 13; F.L. Bastet, 'Louis Couperus en zijn vader', in De Revisor 5 (1978) 3 (juni).

I: K. van Lieverloo en P. Roelofs, Antoon van Welie. De laatste decadente schilder 1866-1956 (Zwolle [etc.] 2007) [Portret: Antoon van Welie, 1912].

H.W. van Tricht


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013