Cremer, Jacob Theodoor (1847-1923)

 
English | Nederlands

CREMER, Jacob Theodoor (1847-1923)

Cremer, Jacob Theodoor, minister van Koloniën (Zwolle 30-6-1847 - Amsterdam 14-8-1923). Zoon van Jacob Theodoor Cremer, controleur van het kadaster en de directe belastingen, en Louise Toewater. Gehuwd op 16-1-1873 met Annie Hermine Hogan. Uit dit huwelijk werden 3 zonen en 2 dochters geboren (alsmede 3 jong gestorven kinderen). afbeelding van Cremer, Jacob Theodoor

Afkomstig uit een bekende Gelderse familie - zijn grootvader was rentmeester van de Veluwe en ontvanger der domeinen te Arnhem geweest, de letterkundige en schrijver van Betuwse novellen J.J. Cremer was een volle neef - groeide hij als jongste in een gezin van vier kinderen op te Zwolle. Hier bezocht hij de Nutsschool en de Franse school. Nadat Cremer sr. in 1859 met pensioen was gegaan en naar Oosterbeek verhuisd, werd deze schoolopleiding voortgezet aan het instituut Vethake te Arnhem. Cremer zou, toen hij deze onderwijsinstelling verliet, liefst letteren zijn gaan studeren, maar die studie bood weinig maatschappelijke perspectieven en was uit een financieel oogpunt voor de ouders niet zonder bezwaar. Hij werd daarom voor de handel bestemd en op zestienjarige leeftijd als jongste bediende geplaatst op het kantoor van de Arnhemse expediteur en scheepsbevrachter C. Balck. In 1865 kreeg Cremer op voorspraak van een oom van moederszijde een aanstelling bij de Rotterdamse firma A. Ellerman, een groothandel in Oostindische produkten, lijnzaad en vlas.

In 1867 trad Cremer in dienst van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM), nadat hij voor een vergelijkend examen als eerste van een twintigtal kandidaten was geslaagd. Na anderhalf jaar op het hoofdkantoor te Amsterdam te hebben gewerkt, werd hij overgeplaatst naar de Factorij te Batavia. Hij is daar van december 1868 tot het begin van 1870 en in 1871 werkzaam geweest. Het tussenliggende jaar was hij verbonden aan het agentschap van de NHM te Singapore. Dáár kwam Cremer voor het eerst in aanraking met de zich snel ontwikkelende tabaksindustrie op Sumatra's Oostkust waar J. Nienhuys vanaf 1863 pioniersarbeid had verricht. Door samenwerking van Nienhuys en P.W. Janssen ontstond in 1869 de Deli-Maatschappij -de eerste cultuurmaatschappij op aandelen in Nederlandsch-Indië waarbij de NHM de helft van het kapitaal inbracht.

Toen door het vertrek van Nienhuys uit Deli een nieuwe administrateur voor de ondernemingen van de maatschappij moest worden gezocht, wist Cremer te bewerken, dat de keuze, ondanks zijn 24 jaren, op hem viel. In november 1871 vertrok hij uit Batavia naar Medan. Als administrateur van de Deli-Maatschappij (naast de planter E.A.F. Straatmann), later als hoofdadministrateur, kon hij nu zijn organisatorische en commerciële talenten ten volle ontplooien.

Cremer heeft de Deli-Maatschappij groot gemaakt, zoals deze hem heeft groot gemaakt. Toen hij in 1883 definitief naar Nederland repatrieerde -reislustig van aard is hij nadien overigens verschillende malen in Indië teruggeweest - was het aantal ondernemingen van deze maatschappij gestegen van 1 tot 11, het aantal pakken tabak (±158 kg.) van 1.315 in 1870 tot bijna 22.000 in 1883, het maatschappelijk kapitaal van f 300.000 tot 2 miljoen gulden, terwijl van 1871 tot 1883 jaarlijks gemiddeld 73 % dividend werd uitgekeerd. In deze fenomenale ontwikkeling deelden verschillende andere tabaksondernemingen in Deli, waarvan het produkt door tussenkomst van de Deli-Maatschappij, die tevens als commissionair optrad, werd verkocht.

De belangen van de planters op Sumatra's Oostkust wist Cremer in 1879 te bundelen in de Deli-Plantersvereeniging. Deze ijverde onder meer voor de handhaving van de poenale sanctie op het verbreken van arbeidsovereenkomsten door de ondernemingskoelies. Koelie-arbeid was de kurk waarop de tabakscultuur in Deli dreef. De ondernemers gebruikten hiervoor in de regel Chinese arbeidskrachten die op de 'overwal' (Malakka) of rechtstreeks in Zuid-China werden aangeworven tegen betaling van handgeld en voorschot op de reiskosten. Later werden ook veel Javaanse koelies aangetrokken. Gewoonlijk kwamen de overeenkomsten tussen de planters en de koelies hierop neer, dat de laatsten zich verbonden een stuk grond met tabak te beplanten en de oogst aan de onderneming af te leveren. Zij ontvingen geen vast loon maar voorschotten die aan het einde van het oogstjaar werden verrekend met de getaxeerde waarde van de geleverde tabak. De planter zorgde voor werkbenodigdheden, huisvesting en geneeskundige verzorging van de koelies.

Het euvel waarmee de planters veel te stellen hadden was dat de koelies, nadat handgeld en voorschot waren uitbetaald, wegliepen om zich bij een andere onderneming opnieuw te verbinden, dan wel gelijktijdig met meer dan een ondernemer contracteerden. In 1876 dienden de planters dan ook een, door Cremer opgesteld en als eerste ondertekend, verzoekschrift bij de gouverneur-generaal in, waarin werd aangedrongen op betere bestuurs-voorzieningen op Sumatra's Oostkust en op grotere bevoegdheden voor de ondernemers bij het uitoefenen van disciplinair gezag over en de bestraffing van het werkvolk. De onmiddellijke aanleiding tot dit rekest, waarnaast Cremer nog een afzonderlijke brochure liet verschijnen Een woord uit Deli tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal (1876), was de discussie in de Tweede Kamer op 12 november 1875 over een motie-Mirandolle die aandrong op de afschaffing van de poenale sanctie welke voorkwam in het Politiereglement voor inlanders van 1872 (de stemming over deze motie was aangehouden totdat de Tweede Kamer haar in 1877 alsnog in gewijzigde vorm zou aannemen). Het betoog van Cremer kwam erop neer, dat mogelijk de poenale sanctie voor Java gemist kon worden maar niet voor een gebied als Sumatra's Oostkust waar bijna alle arbeidskrachten tegen hoge kosten van elders aangevoerd moesten worden. Zijn brochure had in zoverre succes, dat toen in 1879 inderdaad de gewraakte bepaling van het politiereglement werd ingetrokken, het jaar daarop bij een speciale 'koelie-ordonnantie' een afwijkende regeling voor Sumatra's Oostkust in werking trad. Onder meer bedreigde deze regeling, die later tot vrijwel geheel Nederlandsch-Indië met uitzondering van Java is uitgebreid, elke willekeurige inbreuk van de zijde van de arbeider op het contract, mits de arbeidsovereenkomst door het bestuur was geregistreerd, alsmede verregaande luiheid, met straf. Ten slotte legde ze de koelie beperkingen op in zijn bewegingsvrijheid; zo mocht hij niet zonder verlof van de ondernemer zich van de onderneming verwijderen.

In 1880 begaf Cremer zich om gezondheidsredenen naar Nederland. De tijd aan boord van de mailboot benutte hij voor het schrijven van een brochure over De toekomst van Deli. Eenige opmerkingen (1881). Hierin herhaalde hij zijn klachten over de gebrekkige bestuursvoorzieningen op Sumatra's Oostkust en keerde hij zich tegen de batig-slotpolitiek, welke de belangen van Nederland bij die van Indië achterstelde. Cremer had in dit laatste geschrift ook een pleidooi gehouden voor de verbetering van de infrastructuur van Deli. In dit opzicht liet hij het niet bij woorden, want in 1882 verzocht de Deli-Maatschappij een concessie voor de aanleg van een spoorweg. Deze concessie werd een jaar later overgedragen op de Deli-Spoorweg-Maatschappij, van welke onderneming Cremer de eerste directeur werd.

Na zijn definitieve vestiging in Nederland heeft Cremer in 1884 ook een rol gespeeld bij de oprichting van de Nederlandsch-Indische Landbouw Maatschappij, die aanzienlijke kredieten verstrekte om vele door de suikercrisis getroffen cultuur-ondernemingen op Java en de op de rand van het faillissement balancerende Nederlandsch-Indische Handelsbank, welke op deze ondernemingen grote vorderingen had uitstaan, voor de ondergang te behoeden. Ook was Cremer betrokken bij de oprichting van 'Werkspoor' (Nederlandsche Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmaterieel) in 1891 en de Nederlandsche Scheepsbouw-Maatschappij in 1894; beide Amsterdamse bedrijven.

Met zijn aanzienlijk in Deli verworven kapitaal een steunpilaar van de Amsterdamse industriële en zakenwereld, werd Cremer in 1884 door de hoofdstad naar de Tweede Kamer gezonden waar hij zich bij de zg. unie-liberalen aansloot. Dertien jaar is hij onafgebroken lid van de Kamer geweest. In zijn redevoeringen toonde hij zich een voorstander van bestuurshervormingen in Indië. Zo drong hij aan op decentralisatie als onmisbare voorwaarde voor een goed financieel beheer en op afschaffing van de Raad van Indië. Ook bepleitte hij de intrekking van de gouvernementskoffiekultuur. Hij hekelde - o.a. in een rede in de Tweede Kamer op 10 december 1890 die ook afzonderlijk is verspreid (J.T. Cremer, Koloniale politiek. Twee redevoeringen (1891) - de "geringen eerbied" die de regering voor de rechten van de hoofden en bevolking aan de dag legde, vooral buiten Java. 'Er wordt gehandeld .... alsof hun land er niet is voor hen maar voor ons.' (p. 30.)

Toen Cremer in 1897 als minister van Koloniën werd opgenomen in het vooruitstrevend liberale kabinet Pierson-Goeman Borgesius (27 juli 1897 -1 augustus 1901) toonde hij zich echter minder radicaal. Pas in 1900 werd bij de Tweede Kamer een decentralisatie-ontwerp aanhangig gemaakt, dat het niet tot een openbare behandeling heeft gebracht. Wel gelukte het Cremer in 1899 een Indische Mijnwet tot stand te brengen ter vervanging van een Koninklijk Besluit uit 1873 dat als geheel verouderd gold. Bij de totstandkoming van deze wet is veel te doen geweest over de cijns die het gouvernement van de concessiehouders zou mogen heffen ; uiteindelijk werd deze op 4 % van de bruto-opbrengst gesteld (Cremer zelf had aanvankelijk niet verder willen gaan dan 2 %).

Voortvarend trad Cremer op, toen in 1898 de overname dreigde van de Indische petroleum-onderneming Moeara Enim door de machtige Amerikaanse Standard Oil Company. Was deze transactie geslaagd dan zou de positie van de Nederlandse petroleumindustrie in Indië, en van de nog jonge Koninklijke in het bijzonder, ernstig gevaar hebben gelopen. Cremer kwam persoonlijk tussenbeide om de directie van de Moeara Enim te bewegen van de voorgenomen verkoop van het bedrijf af te zien. Hierin is hij ook inderdaad geslaagd.

Verder kwam in 1899 de 'Japannerwet' tot stand, waarbij Japanse onderdanen in Indië met Europeanen werden gelijkgesteld. Deze wet lag in het verlengde van een in 1896 gesloten Nederlands-Japans tractaat van handel en scheepvaart en vormde een sprekend bewijs van het groeiend staatkundig prestige van het Land van de Rijzende Zon. De wens om te bezuinigen op de hoge Indische ambtenarensalarissen was de aanleiding tot een Wet van 11 januari 1901 (Staatsblad 33), waarbij het Indisch Hooggerechtshof werd ontbonden en op bescheidener schaal gereorganiseerd. Eveneens uit bezuinigingsoverwegingen liet Cremer de kostbare werken tot verbetering van de waterhuishouding in het gebied van de Solo-rivier in Oost-Java staken, waarvan de kosten verre de raming dreigden te overschrijden.

Tijdens het ministerschap van Cremer trok het 'Een eereschuld' - artikel van C.Th. van Deventer in De Gids van 1899 sterk de aandacht. Hierin betoogde Van Deventer dat Nederland zedelijk verplicht was de Indische batige saldo's die het sedert de inwerkingtreding van de Indische Comptabiliteitswet in 1867 genoten had aan Indië te restitueren. Van een dergelijke morele verplichting wilde Cremer niet weten. Wel deed hij een voorstel tot schrapping van enkele bepalingen van de Indische Comptabiliteitswet - overigens sedert 1877 al een dode letter -die een batig saldo van de Indische geldmiddelen aan Nederland toewezen; dit wetsontwerp is in 1903 wet geworden.

Toen bij de verkiezingen van 1901 de rechtse partijen de overwinning behaalden, nam Cremer zijn zetel in de Tweede Kamer opnieuw in. Een pijnlijke episode in zijn politieke loopbaan vormde ongetwijfeld de verschijning van De millioenen uit Deli (1902) van J. van den Brand in 1902. Onderwerp van dit boekje waren de mishandelingen en wreedheden waaraan de plantagearbeiders in Deli bloot stonden, omdat zij onvoldoende door het bestuur beschermd werden tegen hun machtige, slechts op geldelijk voordeel bedachte, meesters. In een tweede brochure De practijk der koelie-ordonnantie (1904) hekelde Van den Brand de toepassing van de regeling die indertijd, mede door toedoen van Cremer, was tot stand gekomen. Deze geschriften maakten zo'n indruk, dat het Indisch bestuur een onderzoek instelde naar de toestanden in Deli, waarna minister Idenburg op 30 november 1904 in de Tweede Kamer moest erkennen, dat inderdaad ernstige misstanden op de ondernemingen waren geconstateerd. Cremer werd bij deze gelegenheid heftig door de sociaal-democraten aangevallen. Hij zou, zoals Troelstra hem verweet, als minister schandelijk zijn plicht hebben verzuimd door zijn 'persoonlijke gevoeligheid, die hem belette iets kwaads van Deli te horen'. Cremers niet erg overtuigend verweer kwam erop neer, dat hij met deze 'morele inzinking' niet bekend was geweest, omdat in brieven uit Deli aan hem hiervan nooit melding was gemaakt.

In 1905 stelde Cremer zich niet meer herkiesbaar. Wel maakte hij van 1912 tot 1922 nog deel uit van de Eerste Kamer. Met ingang van l augustus 1907 werd hij benoemd tot President van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, welke betrekking hij tot het einde van 1912 heeft bekleed; vervolgens was hij van medio 1914 tot november 1918 Koninklijk Commissaris bij deze maatschappij. In deze jaren was hij onder meer betrokken bij de plannen tot oprichting van het Koloniaal Instituut (het tegenwoordige Tropeninstituut) te Amsterdam, dat kort na zijn overlijden, in 1923, werd geopend.

Reeds meer dan zeventig jaar oud, werd Cremer nog eenmaal geroepen om het land in een hoge functie te dienen. In oktober 1918 werd hij benoemd tot Nederlands gezant te Washington. De betrekkingen tussen Nederland en de Verenigde Staten waren toen zeer gespannen door het beslag dat de Verenigde Staten hadden gelegd op Nederlandse koopvaardijschepen in Noordamerikaanse havens ten behoeve van de oorlogsinspanning. Cremer heeft, totdat hij in mei 1920 zijn post om gezondheidsredenen moest verlaten, er naar vermogen aan meegewerkt om de banden tussen beide landen weer nauwer aan te halen.

De laatste jaren van zijn leven bracht hij ambteloos maar niet werkeloos door. Bezig met het op schrift doen stellen van zijn herinneringen die een levendig beeld geven van het begin van zijn loopbaan Jeugd en jongelingsjaren. Beschreven door hem zelf, voorzien van een inleiding door J.F.L. Balbian Verster (Den Haag, [1924]) werd hij in de zomer van 1923 door de dood verrast.

Cremer was een figuur die reeds bij zijn leven sterk tot de verbeelding sprak. Voorbeeld van een geslaagde Indische planter, die op eigen kracht een groot fortuin had weten te verwerven, voerde hij in de laatste jaren van zijn leven op het landgoed Duin en Kruidberg te Santpoort een welhaast vorstelijke staat. Toch - en ook dat tekent Cremer -was hij op geen van de vele onderscheidingen die hem ten deel vielen zo trots als op de Bronzen Medaille voor Menschlievend Hulpbetoon, gekregen voor het redden van een drenkeling uit een Haagse gracht. Cremers talenten lagen vooral in het zakelijke en diplomatieke vlak. Hoewel hij zich een bekwaam minister van Koloniën toonde, was hij niet een groot staatsman die ver vooruit zag of belangrijke ontwikkelingen in gang zette. Uitgaande van de wel begrijpelijke maar daarom nog niet juiste stelling, dat wat goed was voor het Indische bedrijfsleven ook goed was voor de Javaan, zag hij als 'hoogste ideaal' voor elke koloniale mogendheid het brengen van beschaving, welvaart, rust en orde. Bij het baanbreken van de 'ethische richting' in de koloniale politiek omstreeks de eeuwwisseling behoorde deze typische representant van de Indische ondernemerswereld in zekere zin reeds tot een voorbij tijdvak.

A: Archief-Cremer in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage, evenals een particuliere briefwisseling met gouverneur-generaal C.H.A. van der Wyck. Zie verder het archief-Van Karnebeek (ministerie van Buitenlandse Zaken) en het archief-Idenburg (Historisch Documentatiecentrum voor Nederl. Protestantisme, Vrije Universiteit van Amsterdam).

P: Een overzicht van de geschriften van J.Th. Cremer is opgenomen in het navolgende levensbericht van C.J.K. van Aalst.

L: H.P.G. Quack, Herinneringen (Amsterdam, 1913) 353-354; Deli-Maatschappij. Gedenkschrift bij gelegenheid van het vijftigjarig bestaan. [Samengest. door J.F.L. de Balbian Verster.] [Amsterdam, 1919] ; Eigen Haard 48 (1922) 461 - 464 ; E.E.A. van Heekeren, in De Indische Gids 45 (1923) II, 829-834; Eigen Haard 49 (1923) 550-552; C.J.K. van Aalst, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1923-1924. Levensberichten 48-64; H.A. Idema, Parlementaire geschiedenis van Nederlandsch-Indië 1891-1918 ('s-Gravenhage, 1924) 96-143; Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (2e dr. 's-Gravenhage, 1927) V, 129-130 [290-291]; P.W. Modderman, T. Volker en G. v.d. Veen, Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het vijftig jarig bestaan van de Deli Planters Vereeniging (Weltevreden, 1929); C. Gerretson, Geschiedenis der 'Koninklijke' (Baarn, [1971-1973]. 5 dln.) I, II en V passim.

I: Website Parlementair Documentatie Centrum: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g6ki9ydx [6-2-2008].

C. Fasseur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013