Diepenhorst, Pieter Arie (1879-1953)

 
English | Nederlands

DIEPENHORST, Pieter Arie (1879-1953)

Diepenhorst, Pieter Arie, jurist/econoom en politicus (Strijen 2-1-1879 - Epe 6-10-1953). Zoon van Izaak Diepenhorst, landbouwer en vlashandelaar, en Anthonia Overwater. Gehuwd sinds 13-7-1905 met Adriana Cornelia de Gaay Fortman. Uit dit huwelijk werd l zoon geboren. afbeelding van Diepenhorst, Pieter Arie

Diepenhorst bezocht het Gereformeerd Gymnasium te Amsterdam en studeerde rechten aan de Vrije Universiteit. Vóór zijn studietijd al was hij betrokken geweest bij de politieke activiteiten van zijn vader en in 1899 hield hij, als kandidaat in de rechten, voor de door zijn vader opgerichte AR-kiesvereniging te Strijen zijn eerste politieke toespraak. In 1900 werd hij voorzitter van een der Amsterdamse kiesverenigingen. In dat zelfde jaar slaagde hij voor zijn doctoraal examen rechten aan de vu en de stedelijke universiteit, en vestigde zich als advocaat te Amsterdam. In 1904 promoveerde hij aan de vu op het proefschrift Calvijn en de economie (Wageningen, 1904) en nog in dat jaar aanvaardde hij de pas gecreëerde leerstoel in de staathuishoudkunde aan de juridische faculteit van de VU. Enige tijd later doceerde hij tevens strafrecht en strafvordering. Met de economie nam het hem in 1921 toevertrouwde vak parlementaire geschiedenis tot aan zijn aftreden in 1949 een belangrijke plaats in. In zijn inaugurele rede De klassieke school in de economie (Amsterdam, 1904), waarin hij een voorkeur voor de 'historische school' uitsprak, had hij programmatisch stelling genomen tegen empiristische en positivistische tradities. In de lijn van Kuyper zag hij economische verschijnselen en wetenschap primair als uitingen van de verantwoordelijke 'beelddrager Gods' in een veranderende samenleving. Hij is niettemin betrekkelijk terughoudend gebleven ten aanzien van de explicitering van het verband tussen calvinistische waarden enerzijds en praktische vraagstukken en economische theorie anderzijds. Wat dat laatste betreft beperkte hij zich bovendien tot 'enkele grondbeginselen'. Zijn studenten - met wie hij zoveel mogelijk persoonlijk contact zocht - wilde hij voor alles een brede en praktische oriëntatie op de maatschappelijke actualiteit geven. Zo behandelde hij in het kader van het economie-onderricht ook allerlei sociaal-juridische kwesties. Zijn wetenschapsbeoefening stond in functie van de gereformeerde emancipatie en de strijd om de sociale wetgeving; de grenzen tussen verschillende disciplines en tussen wetenschap en politieke voorlichting hanteerde hij betrekkelijk ruim.

In 1926 kwam zijn positie aan de VU in opspraak door zijn aansluiting - op kerkrechtelijke gronden -bij de kerken van het 'Hersteld Verband', totdat een speciale onderzoekscommissie van de VU-vereniging in 1928 een bevredigend rapport overlegde inzake Diepenhorsts dogmatische opvattingen. In de latere overgang naar de Hervormde Kerk is hij het 'Hersteld Verband' niet gevolgd.

Voor de ARP is Diepenhorst lid geweest van de gemeenteraad van Amsterdam van 1908-1913 en 1917-1920. In die jaren was hij tevens enige tijd voorzitter van het bondsbestuur van de Amsterdamse AR-kiesverenigingen, lid van het Centraal Comité van de AR en voorzitter van de rechtse fractie in de Provinciale Staten van Noord-Holland. Van 1911 tot 1927 was hij hoofdredacteur van het AR-dagblad De Rotterdammer. Hij had de leiding van het Tweede Christelijk Sociaal Congres in 1919. Diepenhorst behoorde tot een groep gereformeerde 'jongeren' die kritisch stonden tegenover de benadrukking van de antithese en Kuypers manier van leidinggeven. Zo liet hij in De Rotterdammer geluiden horen die niet in Kuypers strategie pasten en pleitte hij bij herhaling in het door Kuyper autoritair geleide Centraal Comité voor reorganisatie van het partijbestuur. Kuypers aanval in De Standaard op het kabinet-Heemskerk, op De Rotterdammer en op de hoogleraren van de VU werd beantwoord met de mede door Diepenhorst ondertekende brochure Leider en leiding in de Anti-Revolutionaire Partij (Amsterdam, 1915). Na Kuypers aftreden boden H. Colijn en A.W.F. Idenburg de 'malcontenten' sleutelposities aan: Diepenhorst werd in december 1920 lid van de Eerste Kamer en, later, medewerker van De Standaard. Tot 1946 -toen hij door het partijbestuur niet meer kandidaat gesteld werd - voerde hij in de Eerste Kamer voornamelijk in begrotingsdebatten en over sociale en economische kwesties het woord. Diepenhorst was verder een van de oprichters van het onafhankelijke blad Stemmen des Tijds. Maandschrift voor Christendom en cultuur; van de redactieraad is hij voorzitter geweest van 1918 tot 1941. Buiten VU- en AR-verband was hij verder vooral actief op het gebied van de landbouw en de handelspolitiek. Hij was lid van de Staatscommissie voor de landbouw, ingesteld in 1906, en voorzitter van de Staatscommissie voor het pachtvraagstuk, ingesteld in 1919. In 1917-1918 organiseerde hij op verzoek van Colijn de gereformeerde boeren in de Christelijke Boeren- en Tuindersbond, waarvan hij bijna 30 jaar voorzitter is geweest. Van 1926 tot 1941 had hij de leiding van de Vereniging voor actieve handelspolitiek en publiceerde hij o.a. ruim 100 brochures ter bepleiting van protectionistische maatregelen. Bestrijding van het liberale 'dogma' van overheids-onthouding, verdediging van het eigendomsrecht én de sociale implicaties daarvan en niet aflatende waarschuwing tegen staatsinmenging zoals hij die in het socialisme nagestreefd zag, zijn enkele van de opvallendste thema's van zijn bijdrage aan de politieke meningsvorming. Het laatste verleidde hem tot een enigszins overspannen afwijzing van het 'Plan van de Arbeid', en in de 'doorbraak' zag hij teleurgesteld zijn waarschuwingen in de wind geslagen. Overigens getuigden zijn standpunten over het algemeen van een betrekkelijk evenwichtig, humaan realisme. Hij heeft dat in talloze redevoeringen en lezingen aan de man gebracht met een levendige retoriek - ook in de stijl van vele publikaties te herkennen - die in belangrijke mate aan zijn gezag in de Kamer en zijn invloed in gereformeerde kringen heeft bijgedragen.

A: Collectie-Diepenhorst in Algemeen Rijksarchief.

P: Behalve zijn dissertatie, inaugurele rede, economische leerboeken en talloze artikelen en kronieken in genoemde periodieken, o.a. Onze strijd in de Staten-Generaa! (Amsterdam, 1927-1928. 2 dln.); Eerherstel der actieve handelspolitiek. Theorie en practijk (Amsterdam, 1928); Het socialisme (Kampen, 1930); Dr. A. Kuyper (Haarlem, 1931); Groen van Prinsterer (Kampen, 1932); Mr. Th. Heemskerk. De Christenstaatsman (Zwolle, [1932]); Onze landbouw (Kampen, 1933); De eigendom (Kampen, 1933); Het nationaal-socialisme (Kampen, 1935); Trouw en met ere (Amsterdam, [1952]).

L: H. Dooyeweerd, in In memoriam prof.dr. Pieter Arie Diepenhorst [S.1., 1953]. Aanwezig in collectie-P.A. Diepenhorst. Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage; T.P. van der Kooy, 'Diepenhorst en de economie' in Anti-Revolutionaire Staatkunde 23 (1953) 342-349.

I: Peter Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse Gemeenteraad 1814-1941. (Amsterdam 1998) 151.

F.L.M. van Zutphen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013