Diesen, Gerrit van (1826-1916)

 
English | Nederlands

DIESEN, Gerrit van (1826-1916)

Diesen, Gerrit van, civiel ingenieur ('s-Gravenhage 21-5-1826 - 's-Gravenhage 5-4-1916). Zoon van Gerrit van Diesen, ambtenaar, en Cornelie Madelaine Crespin. Gehuwd sinds 1-8-1867 met Bertha Johanna Sandt van Nooten. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. afbeelding van Diesen, Gerrit van

Na het behalen van het diploma van civiel ingenieur aan de Koninklijke Academie te Delft, waar hij van 1844 tot 1848 de lessen volgde, maakte Van Diesen de langzame carrière van een jong waterstaats-ingenieur van die dagen. Begonnen als opzichter over de straatweg 's-Gravenhage-Hillegom, werd hij vervolgens belast met de hermeting van de Waal en Merwede, waar hij in 1851 onder de inspecteur van de Waterstaat L.J.A. van der Kun werd geplaatst. Een jaar later werd hij ook betrokken bij de opzet en aanleg van de Rijkstelegraaflijnen, waarvoor hij reizen naar Duitsland maakte om de aansluiting met het Pruisische net vast te stellen. Blijkbaar had hij een goede indruk gemaakt door zijn nauwkeurigheid en grote werkkracht, want na een kort verblijf in Haarlem, werd hij in 1858 weer teruggehaald door Van der Kun, die inmiddels was belast met een onderzoek naar de wenselijkheid en mogelijkheid van aanleg van verschillende spoorlijnen. Van Diesen kreeg tot taak de overbrugging van de grote rivieren, tot dan toe het grote struikelblok, te bestuderen. Vooral verwezenlijkte overbruggingen bij Keulen, Kehl en de Weichselbrug bij Dirschau trokken de bijzondere belangstelling bij Waterstaat. In Nederland bestonden op dat moment alleen nog de tralieliggerbrug te Maastricht en de vollewandliggerbrug bij Westervoort, waarvan de laatste eigenlijk als voorbeeld afviel door zijn grote materiaalgebruik.

Na de aanneming van Van Halls spoorwegwet in 1860, werd Van Diesen belast met de aanleg van de lijn Utrecht-Boxtel, met daarin de drie grote rivierovergangen bij Culemborg, Zaltbommel en Hedel. Vooral de eerste gaf veel problemen omdat in de Lek, anders dan in de Waal, geen pijlers gebouwd mochten worden om de scheepvaart niet te hinderen, zodat daar door Van Diesen één grote overspanning van meer dan 150 meter was gedacht. Zijn eerste ontwerp voorzag in traliebrug, maar omdat hiermee de grens van de mogelijkheden werd bereikt, vond hij een andere oplossing in een vakwerkbrug, zoals die toen sinds kort in Duitsland met succes werd geconstrueerd. Na een nieuwe studiereis naar de Rijn, maakte hij een tweede ontwerp, ditmaal een vakwerkbrug van in totaal 665 meter, met een rivieroverspanning van 157 meter, voor het eerst met gebogen bovenrand, waarvoor de berekeningen werden uitgevoerd door zijn assistent J. Rouppe van der Voort. In 1863 kon met de bouw worden begonnen, waarbij talloze moeilijkheden moesten worden overwonnen. De aannemer van de metalen bovenbouw, de firma Friedrich Harkort te Duisburg, was wegens de enorme afmetingen van de brug zelfs gedwongen voor de vervaardiging een speciale fabriek te bouwen. In 1868 werd de brug, veruit de grootste ter wereld, opgeleverd en met succes beproefd. Ondanks latere kritiek dat door gebruik van teveel materiaal het eigengewicht onnodig hoog is geworden en daardoor het draagvermogen kleiner dan mogelijk, kan men toch slechts bewondering hebben voor de ontwerper die met gebrekkige theoretische kennis een brug gebouwd heeft die na meer dan een eeuw nog altijd aan de eisen van het spoorwegverkeer voldoet. Bij Bommel en Hedel werden minder problemen ontmoet door de kleinere overspanningen. In verband met de bruggenbouw deed Van Diesen met de Utrechtse chemicus prof. G.J. Mulder proeven om ijzer tegen roest te beschermen.

Na ingebruikneming van de gehele lijn in 1870, bleef Van Diesen nog vier jaar in Utrecht voor de afwerking, om daarna als hoofdingenieur naar Zeeland te worden overgeplaatst en zich daar behalve met de oeververdediging, met de Vlissingse havenwerken bezig te houden. In 1881 werd hij opnieuw overgeplaatst, nu naar het district van de Maas en de Merwede en vanaf 1886 kreeg hij het beheer over alle Nederlandse rivieren. Zijn voornaamste werkzaamheden daar waren de verbeteringen van de Maas, de beide Merwedes, Dordtse Kil en Mallegat en de voorbereiding voor die van de Waal. In 1888 volgde zijn benoeming tot inspecteur van de Waterstaat, in 1892 die tot hoofdinspecteur, in welke functie hij twee jaar later werd gepensioneerd. Van tal van overheidscommissies maakte hij deel uit, zoals de Rijkscommissie voor graadmeting en waterpassing en de Internationale Rijnvaart Commissie. Voor de Akademie van Wetenschappen waarvan hij op 7 mei 1866 tot lid benoemd was hield hij vele voordrachten over waterstaatkundige onderwerpen en ook in het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, waarvan hij sinds 1849 als lid en sedert 1906 als erelid deel uitmaakte, was hij actief; tal van voordrachten hield hij ook hier, waarvan er verscheidene zijn gepubliceerd. Ook werkte hij namens het Instituut mee aan het woordenboek van De Vries en Te Winkel. Zijn verdiensten werden in het buitenland o.a. erkend door de toekenning van de gouden medaille van de wereldtentoonstelling van Wenen (1873) voor de brug bij Kuilenburg, en in het binnenland viel hem op 8-1-1907 een eredoctoraat aan de TH in Delft ten deel.

A: Collectie-Van Diesen in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Samen met J.L. Schneitter, 'Mededeeling van theoriën en beschouwingen over den bouw van ijzeren spoorwegbruggen', in Verhandelingen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1860-1861, 59-146; samen met J.D. Evers, J. Rouppe van der Voort en J.M. Giesbers, 'Beschrijving van de brug over de Lek te Kuilenburg', in Tijdschrift van het Koninklijke Instituut van Ingenieurs 1871-1872, 83-104, 167-236, 237-303, 331-358; [G.] van Diesen, 'Lokale spoorwegen' De Gids 36 (1872) III, 109-132.

L: 'Feestuitgave G. van Diesen', in De Ingenieur 21 (1906) 353-383.

I: De Ingenieur 21 (1906) 353.

A.J. Veenendaal jr.


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013