Dijck, Johannes Vitus van (1878-1930)

 
English | Nederlands

DIJCK, Johannes Vitus van (1878-1930)

Dijck, Johannes Vitus van, strafrechtsgeleerde (Goor 18-11-1878 - 's-Gravenhage 26-10-1930). Zoon van Godewien Arnold van Dijck, kapitein van het Oostindische leger, en Henderieka Heeres. Gehuwd met Jacoba Wilhelmina Susanna Reijnders op 8-7-1920. Uit dit huwelijk waren geen kinderen.

Van Dijck doorliep het gymnasium te Groningen, studeerde rechten en promoveerde aldaar op 28 november 1905 tot doctor in de rechtswetenschap op een proefschrift Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger (Groningen, 1905). Zijn promotor was de hoogleraar strafrecht J. Domela Nieuwenhuis. Tijdens het werk aan zijn dissertatie was hij werkzaam als repetitor voor straf- en staatsrecht. Hij werd op 16 maart 1906 adjunct-commies op het departement van Justitie, doorliep daar alle rangen en werd in 1916 raadadviseur bij dit ministerie. Op 9 maart 1922 werd Van Dijck benoemd tot hoogleraar in het strafrecht, de strafvordering en de criminele psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Op 26 juni 1922 aanvaardde hij zijn ambt met een rede Reconstructie van strafbare feiten (Alphen a/d Rijn, 1922). Hij bleef naast zijn werk als hoogleraar werkzaam voor het ministerie van Justitie als raadadviseur in buitengewone dienst. In augustus 1926 werd hij raadsheer - plaatsvervanger in het gerechtshof in Amsterdam. Op 27 juni 1927 werd hij benoemd tot raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden. Op 6 september 1927 werd hem met ingang van oktober daaraanvolgend eervol ontslag verleend als hoogleraar. Doordat de vacature van de leerstoel strafrecht in Amsterdam niet vervuld werd, werd hij op 27 juni 1928 als tijdelijk buitengewoon hoogleraar benoemd.

Zijn denkbeelden waren in sterke mate bepaald door die van de Groningse filosoof-psycholoog G. Heymans. Als juridisch student volgde hij diens colleges. Zijn belangstelling leidde ertoe, dat hij ook het kandidaatsexamen in de wijsbegeerte aflegde. Zijn dissertatie bracht de eerste toepassing van de speciale psychologie van Heymans op misdadigers. In zijn artikelen en zijn oratie werden vaak denkbeelden van de door hem vereerde Heymans tot uitgangspunt genomen. Hij behoorde ook tot de kleine schare uitgelezen leerlingen, die bij Heymans' aftreden in 1927 diens driedelige Gesammelte kleinere Schriften zur Philosophie und Psychologie ('s-Gravenhage, 1927) verzorgde. Deze invloed heeft Van Dijck doorgegeven aan zijn leerling G.H.A. Feber, de latere raadsheer in en president van de Hoge Raad. Onder Van Dijcks leiding zette Feber de in 1934 verschenen dissertatie Beschouwingen over crimineele psychologie (Zwolle, 1934) op. Van Dijck heeft een bijzonder grote invloed op de strafwetgeving in het tweede en derde decennium van deze eeuw uitgeoefend. Hij had aanvankelijk ambtshalve zitting in talrijke commissies met betrekking tot de herziening van strafrecht en strafprocesrecht. In 1910 werd hij benoemd tot adjunct-secretaris van de staatscommissie-Ort, die een nieuw wetboek van strafprocesrecht moest ontwerpen. In 1913 kwam het ontwerp gereed, dat in 1921 het Staatsblad bereikte. Hij was lid, tevens secretaris van de in oktober 1912 ingestelde staats-commissie-Dresselhuys, die de invoering voorbereidde van het Wetboek van Militair Strafrecht en van de Wet op de Krijgstucht. Deze commissie bracht op 1 maart 1917 het rapport uit, dat de basis was van de invoeringswet van 1921. Met P.P.C. Collette bewerkte hij het Commentaar van J.J.C. van Dijk, in 1904 verschenen, op het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet op de Krijgstucht 2e dr. (Alphen a/d Rijn. 1922). In 1930 volgde een derde druk, door Van Dijck herzien met C.J.H. Schepel. Sinds 2 september 1927 was Van Dijck plaatsvervangend lid van het Hoog Militair Gerechtshof. Met de advocaten-generaal bij de Hoge Raad L.Ch. Besier en R.B. Ledeboer vormde hij de regeringscommissie, die voorstellen deed over de vereenvoudiging van de rechtspleging in lichte strafzaken (de politierechter). Deze voorstellen leidden in 1919 tot een regeringsontwerp, dat in 1921 het Staatsblad bereikte. Ook op deze wet verzorgde hij een commentaar (1e en 2e dr. Alphen a/d Rijn, 1921 en 1922). Een belangrijk resultaat voor de strafwetgeving had ook zijn voorzitterschap van de door het hoofdbestuur van het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen ingestelde commissie, die in 1926 adviseerde over de invoering van een jeugdgevangenis. In 1929 kwam een wijziging op die basis van het Wetboek van Strafrecht tot stand, die in 1937 in werking trad, toen de bijzondere gevangenis voor jongelieden in Zutphen ging functioneren. Van Dijck is voorts voorzitter geweest van de specialisatie-commissie, in augustus 1929 ingesteld door het bestuur van de Vereeniging voor Strafrechtspraak. Op de vergadering van die vereniging van mei 1929 had hij stellingen over de specialisering van de strafrechter verdedigd. (Maandblad voor Berechting en Reclasseering . . . (MBR) 8 (1929) 116-117) en een inleiding gehouden (MBR 8 (1929) 173-186). Wegens de ziekte die hem velde moest hij als voorzitter vervangen worden door L.Ch. Besier. Het rapport, dat zijn stempel droeg, verscheen in 1930 en vormt nog steeds een basis voor de discussie hierover: Over de specialiseering van den strafrechter in Nederland ([S.l.], 1930).

Belangrijk is Van Dijck ook geweest door het bijwerken van de derde druk uit 1913 van G.A van Hamels Inleiding tot de studie van het Nederlandsche Strafrecht, dat een bewerking op onderdelen is over de jaren 1913 tot en met 1926. Hij kreeg de opdracht in 1924. In 1927 verscheen de herziene en op de hoogte van de tijd gebrachte 4e druk van dit gezag hebbende hand- en leerboek, dat sinds 1889 een belangrijke kenbron is geweest voor het Nederlandse strafrecht.

Zijn dood heeft de uitvoering van plannen om als gewoon hoogleraar naar de Universiteit van Amsterdam terug te keren en een eigen handboek te schrijven verhinderd. In de jaren 1928 en 1929 annoteerde Van Dijck strafrechtelijke arresten in de Nederlandse Jurisprudentie. Sinds 1927 was hij bestuurslid van de Nederlandse Juristen-Vereniging.

Wat zijn opvattingen over het strafrecht betreft: hij verwerpt de opvattingen van Leo Polak over de zin der vergelding. Hij meent, dat de door Polak aangenomen plicht van de staat om het wegens normschennis ethisch verdiende leed op te leggen niet gegeven is: 'Waarom zou de staat meer leed opleggen dan hij voor de handhaving der rechtsorde in concreto redelijkerwijs noodzakelijk zou achten?' (Inleiding tot de studie van het Nederlandsche Strafrecht 4e dr. (Haarlem, 1927) 40. Het doel van het strafrecht, bevordering van het algemeen welzijn door verbetering van de dader en afschrikking van anderen, zulke daden te stellen, rechtvaardigt alleen het gebruik van behoorlijke, passende middelen, waarbij de grenzen van het verdiende leed niet te buiten worden gegaan (Zie in een bespreking: Rechtsgeleerd Magazijn 48 (1929) 110). Het ethisch verdiende leed is een bovengrens; de rechter mag wel minder, als het doel daarmee bereikt wordt, maar niet meer, als het doel dat vordert, opleggen.

P: 'Over de psychologische equivalenten van een strafbaar feit', in Tijdschrift van Strafrecht (TvS) 27 (1916) 325-368; 'Voorwaardelijke opzet?', in TvS 34 (1924) 335-386; 'Nieuwe literatuur over een nieuw wetboek', in Rechtsgeleerd Magazijn (RM) 45 (1926) 49-100; 47 (1928) 530-533.

L: W.H. de Savornin Lohman, in Weekblad van het Recht 92 (1930) 12194 (30 okt.) 4; M.P. Vrij, W 92 (1930) 12195 (1 nov.) 4; W.A. Bonger, RM 49 (1930) 542-545; A. Prins jr., in Nederlands Juristenblad (NJB) 5 (1930) 607-609; C.J. Goud-Smit, in NJB 5 (1930) 606-607; ibidem 5 (1930) 591-592; Militair-Rechtelijk Tijdschrift 26 (1930-1931) 296-297; R. Kranenburg, in De Opbouw 13 (1930-1931) 395-399.

J.D. van der Meulen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013