Dijksterhuis, Eduard Jan (1892-1965)

 
English | Nederlands

DIJKSTERHUIS, Eduard Jan (1892-1965)

Dijksterhuis, Eduard Jan, wetenschapshistoricus (Tilburg 28-10-1892 - De Bilt 18-5-1965). Zoon van Berend Dijksterhuis, directeur RHBS Tilburg, en Gezina Eerkes. Gehuwd sinds 27-12-1920 met Johanna Cathinka Elisabeth Niemeijer. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Dijksterhuis, Eduard Jan

Dijksterhuis bezocht te Tilburg de Rijkshogereburgerschool (eindex. 1909), vervolgens legde hij aanvullend staatsexamen gymnasium-B af (1910). De studie in de wiskunde te Groningen (1911-1918) werd op 1 juni 1918 afgesloten met een proefschrift Bijdragen tot de kennis der meetkunde van het platte schroevenvlak (Groningen, 1918).

Na een leraarschap wiskunde aan de meisjes-HBS te Groningen (1916-1918) was hij van 1919 tot 1953 leraar wis- en natuurkunde aan de Rijkshogereburgerschool Willem II te Tilburg. Reeds spoedig wijdde hij zijn vrije tijd aan de wetenschapsgeschiedenis, in het bijzonder die van de wiskunde en van de mechanica en daarvan vooral de oudgriekse en de vroeg-moderne perioden (Oudheid en 'van Copernicus tot Newton'). Als alle wetenschapshistorici van zijn tijd was hij geheel autodidact in de geschiedenis der wetenschappen, hoewel hij door het werk van oudere auteurs, in het bijzonder Pierre Duhem, beïnvloed was, zoals blijkt uit zijn eerste publikatie op dit gebied. Val en Worp. Een bijdrage tot de geschiedenis der mechanica van Aristoteles tot Newton (Groningen, 1924). Hier toont hij zich reeds een meester in het vak; de nauwgezette weergave, de evenwichtige en voorzichtige beoordeling van de meningen van anderen en een voortreffelijke stijl bleven kenmerken van al zijn latere werken. Geheel aan de geschiedenis der wiskunde gewijd zijn zijn commentaren op De elementen van Euclides (Groningen, 1929-1930. 2. dln.) en een studie over Archimedes (Groningen [enz.], 1938) ; Eng. vert. Copenhagen, 1956) en Vreemde woorden in de wiskunde (Groningen [enz.], 1939). Uit deze werken blijkt zijn grote kennis van de klassieke talen. Zijn uitvoerige studie over leven en werken van Simon Stevin ('s-Gravenhage, 1943), die zich bewoog op de gebieden van wiskunde, mechanica, architectuur, molenbouw, logica, boekhouden en Nederlandse taal, eiste een niet minder grote veelzijdigheid van een biograaf die zich tot taak gesteld had het gehele werk van Stevin aan een grondige analyse te onderwerpen. Een door hem sterk bekorte Engelse versie van dit boek is in enigszins bewerkte vorm postuum verschenen onder de titel Simon Stevin; Science in the Netherlands around 1600 ('s-Gravenhage, 1970). Als lid van de zg. Stevincommissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen tot uitgave van de werken van Stevin verzorgde hij het eerste deel: General introduction mechanics (Amsterdam, 1955). Dijksterhuis' naam werd vooral bekend door De mechanisering van het wereldbeeld (Amsterdam, 1950), waarin de meest fundamentele verandering in de natuurwetenschappen - de overgang van het antieke wereldbeeld naar de klassiek-moderne natuurwetenschap, beschreven wordt. Het werk geeft een kritische samenvatting van het door velen verrichte onderzoek op dit gebied en het toont duidelijk de verdieping van historisch inzicht die de auteur in de loop der jaren verworven had. Beide om inhoud en vormgeving van dit geschrift werd de schrijver de staatsprijs voor letterkunde (P.C. Hooft-prijs 1951) in 1952 toegekend. Door de Duitse (Berlin [enz.], 1956) en Engelse (London, 1961) vertalingen ervan kreeg Dijksterhuis de internationale erkenning die hem reeds lang toekwam. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen had hem inmiddels in 1950 als lid in de afdeling Letterkunde opgenomen. Naast zijn werk in wetenschap en onderwijs (lid van de Onderwijsraad, 1934-1958) vervulde Dijksterhuis 20 jaar de functie van redactiesecretaris van De Gids, waarvoor hij vele artikelen en talloze recensies over zeer uiteenlopende onderwerpen schreef. Zijn grote muzikale, litteraire en religieuze belangstelling maakte hem voor die taak buitengewoon geschikt.

Een tweetal pogingen om door een privaatdocentschap (Amsterdam; Leiden 1932-1936) belangstelling voor de wetenschapshistorie te wekken hadden gering succes. In 1953 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de geschiedenis van de wiskunde en de natuurwetenschappen te Utrecht en in 1955 in gelijke functie in Leiden. Toen de Utrechtse leerstoel in 1960 in een ordinariaat omgezet werd, moest hij de Leidse functie opgeven. Die laatste jaren in Utrecht (1960-1963) was het hem door ziekte niet mogelijk zijn werk voort te zetten met de gebruikelijke energie.

Dijksterhuis' publikaties munten uit door objectiviteit. Persoonlijke gevoelens komen weinig aan het woord; hij was als mens gereserveerd. Zijn onbewogenheid was echter slechts schijnbaar: als hij zegt, dat de wetenschapshistorie door haar beoefenaars 'met toewijding, ja hartstocht gediend wordt', dan spreekt hij ook over zichzelf. Een romantische trek was ook zijn toewijding aan de Groot-Nederlandse gedachte.

In zijn geschiedschrijving was Dijksterhuis afkerig van de evolutionistische benadering, waarbij men slechts belang stelt in het verleden voor zover het direct tot hedendaagse opvattingen leidt; het werd als in wezen onhistorisch verworpen. Hij koos voor de fenomenologische methode, die zich in de geest van een tijd verplaatst en evenzeer oog voor 'dwalingen' als voor later succesrijk gebleken opvattingen heeft. Voor de uitwendige, sociale, economische en religieuze invloeden op de natuurwetenschap had hij een open oog, maar hij wilde geen enkele ervan eenzijdig op de voorgrond stellen. Dijksterhuis legde evenzeer nadruk op immanente ontwikkeling der natuurwetenschappen en op de individuele geaardheid van hun beoefenaars. Met Stevin deelde hij 'de veelzijdigheid van zijn talent. . . de helderheid van zijn geschriften en de vurigheid, waarmee hij het pleidooi voor onze taal voert' (zie: Simon Stevin, 341). Zijn karakterisering van prins Maurits' ingenieur is bijna een zelfportret: 'altijd zeer tolerant,... een uitermate redelijk, betrouwbaar en welwillend man ..., die ieders verdienste gaarne erkende ... die niet in de eerste plaats eigen roem of voordeel nastreefde', maar vooral tot 'nut der ghemeensaeck' (ibidem, 337-338) werkte. Zijn maatschappelijke belangstelling uitte hij vooral daar waar hij met deskundigheid spreken kon. De breder wordende kloof tussen de alpha- en bêtawetenschappen verontrustte hem en hij meende, dat de geschiedenis der natuurwetenschappen veel kon bijdragen tot een betere inpassing van de natuurwetenschappen in het geheel der cultuur, daar ze blootlegt hoeveel de beoefenaars van beide richtingen gemeen hebben. Voordrachten over dit onderwerp hield hij voor gymnasiumleraren (1952), filologen (1953) en theologen (1958); zij tonen, dat hij de fout niet alleen bij de ingenieurs en fysici zocht.

P: Behalve de bovengenoemde grotere werken heeft Dijksterhuis een groot aantal artikelen (o.a. in Euclides, in Faraday, in Centaurus en in de Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen gepubliceerd en vele brochures, waaronder zijn inaugurele oraties in Utrecht en Leiden, Doel en Methode van de Geschiedenis der Exacte Wetenschappen (Amsterdam, 1953) en Ad quanta intelligenda condita (Amsterdam, [1955]). Onder zijn redactie verschenen de verzamelwerken Antieke en Moderne Kosmologie (Arnhem, 1941) en Scientia (Zeist [enz.], 1956-1957. 3 dln.).

L: B. A. van Groningen, in De Gids 128(1965) II, 3-5; R. Hooykaas, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1965-1966, 387-396.

I: Website Thuis in Brabant: http://www.thuisinbrabant.nl/biografieen.asp?ccidentifier=678&ccSortorder=title [Foto: Museum Boerhaave, Leiden] [20-9-2007].

R. Hooykaas


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013