Domela Nieuwenhuis, Jan Derk (1870-1955)

 
English | Nederlands

DOMELA NIEUWENHUIS, Jan Derk (1870-1955)

Domela Nieuwenhuis, Jan Derk (bekend onder de naam Domela Nieuwenhuis Nyegaard) predikant, publicist, flamingant en activist in België 1914-1918 (Amsterdam 25-7-1870 - Amsterdam 4-1-1955). Zoon van Jacob Domela Nieuwenhuis, jurist en hoogleraar te Groningen, en Elizabeth Rolandus Hagedoorn. Gehuwd op 31-7-1893 met de predikantsdochter Andrea Elisabeth Hermina Sijpkens ('Elise'). Zij stierf 20-5-1940. Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren. Op 27-3-1946 hertrouwde Domela te Amsterdam met zijn achternicht Elisabeth Francisca Nieuwenhuis, schilderes. De naamstoevoeging Nyegaard voerde hij al vroeg, maar ze werd pas officieel erkend bij K.B. van 2-9-1922 nr. 86. afbeelding van Domela Nieuwenhuis, Jan Derk

Domela was in zijn jeugd vaak ziek, zodat van normaal schoolbezoek geen sprake was. Zijn kwaal belette hem eveneens het gymnasium te bezoeken. Hij kreeg huisonderwijs van zijn vader, zijn broer en enkele privaatleraren. Reeds vroeg openbaarde zich bij hem de trots op zijn Deens-Noorse afstamming en tevens werd hij een vurig bewonderaar van land en volk van Friesland. Zijn lievelingsvakken waren van jongs af aan geschiedenis, volkenkunde, Noordse mythologie en Germaanse taal- en naamkunde. Hij dweepte met alles wat Germaans was en in het bijzonder met Skandinavië. Denemarken en Noorwegen hadden zijn uitbundige liefde. Daarnaast was hij vurig Nederlands patriot en Oranje-klant.

Het was zijn stellige wens om predikant te worden; hij wierp zich derhalve op de studie van het staatsexamen, maar zijn wankele gezondheid was tegen deze inspanning niet bestand. Daarom ging hij studeren aan de voorbereidende theologische school van de Eglise Libre te Lausanne. De studie verliep niet slecht, maar zijn gezondheidstoestand dwong hem naar Nederland terug te keren. Op medisch advies besloot hij de studie in Schotland voort te zetten. Alvorens daarheen te vertrekken, trad hij met Elise Sijpkens in het huwelijk. Het jonge paar vestigde zich te Edinburgh, waar Jan Derk de colleges volgde aan het seminarie van de Free Church of Scotland. Hij had wel eens moeite met het strenge calvinisme dat hem als lutheraan minder goed lag. Men vond echter voor hem een uitweg en op 3-3-1895 ordende de minder calvinistische Evangelical Church of Scotland hem in Buccleuch Church tot predikant.

Na de voltooiing van zijn studie keerde Domela met de zijnen naar het vaderland terug. Door zijn andersgerichte opleiding, gelukte het hem niet een plaats als luthers predikant te verwerven; na rijp beraad en op aandrang van de toen zeer bekende theoloog dr. G.J. Vos verliet hij de lutherse geloofsgemeenschap en ging over naar de Nederlands Hervormde Kerk, waartoe ook Elise behoorde. Dr. Vos bezorgde hem in samenwerking met de Antwerpse predikant Th.A. Eggenstein een post als herder en leraar bij de kleine gemeente der Belgische Zendingskerk te Oostende, teneinde de periode van twee jaar te overbruggen, vóór hij beroepbaar zou zijn in een hervormde gemeente. In Oostende heeft Domela veel werk verzet en zijn gemeente tot grotere bloei gebracht. Hij en Elise maakten er kennis met de dichter-geneesheer dr. Eugeen van Oye, oud-leerling van Gezelle, germanofiel en evenals Jan Derk vurig bewonderaar van Skandinavië en zijn cultuur. Domela ervoer in Oostende de taalstrijd en begon mee te leven met de Vlaamse Beweging.

In 1898 nam hij een beroep aan naar de hervormde gemeente in het Utrechtse Odijk, maar reeds in 1903 keerde hij terug naar Vlaanderen, waar hij predikant werd van de evangelisch-hervormde gemeente te Gent. Vermoedelijk heeft prof. Paul Fredericq, lid van de kerkeraad, deze beroeping doorgedreven. Door zijn aanstelling vanwege het ministerie van Justitie te Brussel tot aalmoezenier voor de protestantse gedetineerden in de gevangenissen te Gent en Brugge was hij tevens ambtenaar van de Belgische Staat. Ook Domela's pastoraat in de Arteveldestad is zeer vruchtbaar geweest. Dapper stond Elise haar man terzijde bij het evangelisatiewerk in de armoewijken van de stad en in de strijd tegen het alcoholisme. Herhaaldelijk reisden de Domela's naar Frans-Vlaanderen, waar Jan Derk predikte te Duinkerken en Roubaix ('Robeke'). Vaak bezochten zij het dorp St. Maria-Horebeke, in de Geuzenboek bij Oudenaarde. Domela's pastorie aan de Coupure te Gent stond bekend om haar gastvrijheid. Daar logeerden eens of meermalen Ferdinand Domela Nieuwenhuis, 'de anarchist', Henrietta Sofia Susanna Kuyper, een dochter van de anti-revolutionaire politicus, en de geschiedenis student Pieter Geyl, de latere historicus en 'vader' van de Groot-Nederlandse geschiedschrijving. De Domela's maakten vele vrienden in Vlaanderen; onder hen bevond zich de hoogleraar Julius Mac Leod, eminent geleerde en strijder voor de vernederlandsing van de Gentse hogeschool. Diens enige zoon Andries was een tijdlang op catechisatie bij Domela. Domela hield nu en dan een lezing voor het studentengenootschap 't Zal wel gaan, voor de liberale werkliedenbond en voor vrouwenclubs.

Omstreeks 1910 kreeg hij zitting in het bestuur van de tak-Gent van het Algemeen Nederlandsch Verbond (ANV). In die kring ontmoette hij Hippoliet Meert, stichter van het ANV, mejuffrouw Roza de Guchtenaere, de jonge Marcel Minnaert en de oog-, oor-, neus- en keelspecialist dr. Reimond Speleers. Geleidelijk groeide zijn afkeer van de Belgische, door francofonen beheerste staat uit tot een bittere haat. In mei '14 begonnen Marcel Minnaert, Reimond Kimpe en Antoon Thiry met de uitgave van het maandblaadje De Bestuurlijke Scheiding, waarin tegen het unitaire België stelling werd genomen. Domela werd abonnee. Nadat het land begin augustus '14 in de oorlog was betrokken, breidde het groepje van Minnaert c.s. zich uit en vergaderde in de nazomer regelmatig. Ook Domela verscheen weldra in die kring. Op 24 oktober, twaalf dagen na de bezetting van Gent door de Duitsers, ging die kring formeel tot groepsvorming over onder de naam Jong-Vlaanderen. Domela werd er de voorzitter van, Kimpe secretaris en Minnaert 'toegevoegd' secretaris. Men stelde een beginselprogram op, waarin de verdwijning van de staat België werd geëist en de stichting van een vrije staat Vlaanderen, waarbinnen voor de Franse taal geen plaats meer zou zijn. Van Domela afkomstig was de conceptie van een koninkrijk Vlaanderen, met een lid van het geslacht Nassau aan het hoofd en voorlopig onder Duitse bescherming. Verder lanceerde hij het denkbeeld van een Alteutonenbond, die alle Germaanse volken, ook het Engelse, moest omvatten, onder opperste leiding en militaire bescherming van het 'kernland' Duitsland. Intern moesten alle staten van die bond volkomen zelfstandig zijn.

Op voorstel van 'groepsmakker' Leo Picard ging 'Jong-Vlaanderen' in februari 1915 het dagblad De Vlaamsche Post uitgeven, met behulp van geldmiddelen verschaft door de Duitse instanties. Aangezien Picard en enkele andere leden spoedig evolueerden naar een veel minder anti-Belgisch standpunt, kwam het binnen de groep tot hevige spanningen, die op 2 september 1915 eindigden met een scheiding tussen Domelisten en Picardisten. Een half jaar later lieten de Duitsers De Vlaamsche Post vallen, omdat het onverzoenlijke standpunt jegens België hen niet langer gelegen kwam.

'Jong-Vlaanderen' kreeg grote verbreiding in Oost- en West-Vlaanderen. In tal van plaatsen werden 'dochtergroepen' gesticht. Op 1 november 1915 verenigden al deze groepen zich op een congres te Gent tot de Nationale Beweging Jong-Vlaanderen. Ook buiten de beide Vlaanderens waren afdelingen verrezen, o.a. te Brussel, Lier en Antwerpen. Domela had zich diep in het activisme gestoken en wel in de radicaalste vleugel daarvan.

Driemaal, in 1915, 1917 en 1918 maakte hij een reis naar Duitsland, waar hij met prominente figuren gesprekken voerde, o.a. met de admiraal von Tirpitz. In het late najaar verscheen van zijn hand bij uitgever Versluys te Amsterdam het boekje Vlaanderen bevrijd van elken Zuidelijken dwang, een geschrift in gezwollen stijl en boordevol citaten. Deze pennevrucht, bedoeld om aan de idealen van Jong-Vlaanderen ruimere bekendheid te geven, werd door ds. A. Schowalter in het Duits vertaald en onder de titel Flandern Frei in 1918 te Leipzig uitgegeven. Vanaf maart 1916 had Domela te kampen met tegenwerking van Duitse zijde; zijn extremisme mishaagde de bezettingsautoriteiten te Brussel. Zij intrigeerden tegen De Vlaamsche Post, wisten Kimpe en Thiry te bewegen zich tegen Domela te keren en het blad werd geliquideerd. In 1917 wisten zij de medewerking te verkrijgen van dr. Karel Bonns om Domela uit het hoofdbestuur van Jong-Vlaanderen weg te manoeuvreren. Met Domela's invloed in de Jong-Vlaamse beweging was het gedaan. In het laatste oorlogsjaar maakte hij als propagandaleider deel uit van het bestuur van de door de Gentenaar Jan Wannijn in het leven geroepen Nationalistenbond, een goed geleide organisatie, die in anti-Belgische gezindheid voor Jong-Vlaanderen niet onderdeed. In november 1918, toen de Duitse ineenstorting aanstaande was, week Domela met de zijnen naar Nederland uit. Het volgend jaar veroordeelde het Assisenhof te Gent hem bij verstek tot de doodstraf, waarop hij zijn gehele leven zeer trots is geweest.

Dank zij bevriende relaties kreeg hij in 1919 een predikantsplaats bij de hervormde gemeente van Beetsterzwaag. Hij heeft het daar slecht naar de zin gehad. De spanningen tussen vrijzinnigen en orthodoxen fnuikten het kerkelijk leven, doch ook Domela's optreden was niet altijd even gelukkig. Hij en Elise zochten afleiding in het maken van vele reizen, in 1933 zelfs naar IJsland. Met zijn medeballingen uit Vlaanderen in Nederland en Duitsland bleef hij in voortdurend contact. Zijn 'wheeme' (pastorie) was in de jaren '20 en '30 een soort Mekka voor oud-activisten en Groot-Nederlandse bewonderaars uit Noord en Zuid. Van de Duitse Weimar Republiek had hij ten aanzien van 'Vlaanderens bevrijding' geen enkele verwachting en zoals zovele Jong-Vlamingen werd Domela een vurig voorstander van een staatkundig 'Héél-Nederland', d.w.z. van een volledige éénwording 'van uiterst Friesland tot zuidelijkst Vlaanderen'. Hij werkte mee aan verscheidene Vlaams-nationalistische en Groot-Nederlandse periodieken, zoals het weekblad Vlaanderen, dat geleid werd door dr. J. de Decker en priester R. de Smet; hij leverde ook bijdragen aan het te Antwerpen verschijnende weekblad De Noorderklok en aan het bij Mees in Santpoort gedrukte Groot-Nederlandse weekblad De Dietsche Gedachte. Een bijzondere sympathie koesterde hij voor Roza de Guchtenaeres blad De Dietsche Voorpost, dat in de jaren '30 te Gent uitkwam, eerst maandelijks, doch sedert 1937 tweewekelijks en dat het devies 'Belgica Delenda Neerlandia Una' voerde.

In zijn Gentse jaren had hij een aantal kerkhistorische studiën over de Reformatie in Vlaanderen gepubliceerd; in Beetsterzwaag wierp hij zich op de Friese kerkgeschiedenis. Zo verscheen in 1922 in het tijdschrift Stemmen voor Waarheid en Vrede (p. 375-380) van zijn hand 'De Mystieke Kring van Marten Jans van Houte te De Wilp en in Westerkwartier', een studie over het Fries Réveil.

In 1933 werd hem de eer gegund om ter gelegenheid van de Willem van Oranje-herdenking te Delft aan duizenden Nederlanders en Vlamingen de door Cyriel Verschaeve opgestelde eed van trouw af te nemen. Het nieuwe Duitsland van Hitler begroette hij met enige sympathie, doch van Musserts NSB hield hij zich verre. Begin 1940 werd hij benaderd door Arnold Meyer, die zijn Zwart Front ging omzetten in Nationaal Front, dat minder specifiek katholiek-getint zou zijn. Op de oprichtingsvergadering van Nationaal Front in hotel Carlton in Den Haag hield Domela een korte toespraak. Het Groot-Nederlandisme van Meyer c.s. trok hem aan, het antisemitisme zag hij niet of wilde hij niet zien.

Hij ging nu ook meewerken aan De Weg, het nieuwe weekblad van Nationaal Front. Enkele weken na de stichting van deze formatie viel een troepenmacht van het Derde Rijk Nederland aan, en na vijf dagen oorlog was het land bezet gebied. Aanvankelijk nam Domela jegens de bezetters een gematigd-welwillende houding aan, hetgeen hem nog meer van zijn gemeente vervreemdde. Daartoe droeg ook bij het feit dat de Beauftragte des Reichskommissars in Friesland, Werner Ross, een verre 'aanverwant' van hem was en ettelijke malen een bezoek bracht aan de pastorie te Beetsterzwaag, nog wel in het gehate Duitse uniform. Al spoedig echter sloeg zijn gezindheid om en hij gaf daar openlijk uiting aan, ook tegenover Ross. Doch de dorpelingen vertrouwden hem niet meer en hij kreeg zo goed als geen publiek in zijn kerkdiensten. De bezetters van hun kant stelden zijn en Meyers 'Héél-Nederlandse' sentimenten geenszins op prijs. Toch kreeg hij, mede dank zij Ross, in 1941 toestemming om naar België te reizen en daar te verschijnen voor de herstelcommissie-Borms, die in opdracht van de Duitse instanties de grootte van de aan de oud-activisten uit te keren geldelijke schadeloosstelling vaststelde.

Naarmate de Duitse terreur drukkender werd, uitte Domela zich daarover in heftiger bewoordingen. Hij schreef zelfs een protestbrief aan Rijkscommissaris Seyss-Inquart, maar Ross, die de brief moest bezorgen, verdonkeremaande hem wijselijk.

Eind 1943 ging hij met emeritaat; hij verliet Beetsterzwaag zo gauw mogelijk en vestigde zich metterwoon te Amsterdam. Op de fiets maakte hij grote tochten van enkele weken door het gehele land, tot in Zuid-Limburg toe, en logeerde bij vrienden en kennissen. In de herfst van 1944 trok hij op zijn rijwiel naar het Noorden, om zijn jongste zoon en diens gezin in Groningen te bezoeken. Op 25 september werd Jakob, die betrokken was bij enkele verzetsacties, door een Duitse politiepatrouille in zijn woning doodgeschoten. Zijn vader, die zeer kort na de moord het huis van zijn zoon en schoondochter Astrid binnentrad, geraakte buiten zichzelf van woede en smart, wierp een venster open en hield ten aanhore van een talrijk publiek een scheldkanonnade tegen 'Hitler, Himmler en hun bende'. Hij werd door de teruggekeerde patrouille gegrepen en naar het beruchte Scholtenshuis gebracht, waar hij zich kranig heeft gedragen en zijn medegevangenen tot een daadwerkelijke geestelijke steun is geweest. Hij had het aan Ross en diens collega in de provincie Groningen, dr. Conring, te danken dat hij niet naar Duitsland werd afgevoerd om daar in nacht en nevel te verdwijnen, doch werd voor de duur van de oorlog verbannen naar het eiland Schiermonnikoog. Na de bevrijding keerde hij naar het vasteland terug. Het doodsbericht van zijn zoon Edzard, die was omgekomen in een Japans gevangenenkamp, greep hem zeer aan, maar hij beschikte nog over voldoende veerkracht om het verlies van dit kind, dat zijn politieke inzichten steeds had gedeeld, te boven te komen door opnieuw contact te zoeken met 'Héél-Nederlandse' geestverwanten in het eigen land en in Vlaanderen. Via Lode van Dullemens Groot-Nederlandsgezinde Verbond der Lage Landen kreeg hij verbinding met Vlamingen van de groep 'Vive le Gueux-De Blauwvoet' (1947-1949). Uit die kring kwam weldra voort het maandblad Het Pennoen, waarvan Domela 'beschermheer en raadsman' werd en waarvoor hij nog vele artikelen schreef. In de loop van 1954 namen zijn krachten echter snel af en op 4 januari 1955 overleed hij. Aan zijn groeve, op het familiekerkhof-De Brauw te Woerden, sprak ook prof.dr. Marcel Minnaert, de strijdmakker uit de activistentijd.

Domela is wel bestempeld als een romantische dweper, om wiens dromen in de wolken men mocht glimlachen, doch die men niet ernstig moest nemen. Zijn extremisme was velen in Vlaanderen en Nederland te visionair en hij werd dikwijls verguisd en verstoten door hen, die hij wilde aantrekken. Hij heeft Vlaanderen zeer liefgehad, misschien op den duur wel meer dan Nederland. Ongetwijfeld heeft deze markante figuur een bijdrage geleverd aan de politisering van de Vlaamse Beweging. Wat zijn persoonlijk leven betreft, zijn levenswijze was op het ascetische af. Hij was geheelonthouder, vegetariër en gesteld op soberheid in zijn huis.

A: Behalve archieven van Zwart Front, Nationaal Front, Arnold Meijer en Alfred Haighton met inventaris van J. Vriens, collectie van Vlamingen in Nederland w.o. brieven van Domela Nieuwenhuis Nyegaard, en van Vlamingen aan dr. L. Buning met inventaris van A. Loepias in Rijksarchief in Noord-Brabant.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties is vermeldenswaard de lijst van geschriften in het hieronder vermeld levensbericht van P.J. Meertens. Verder 'Persoonlijke herinneringen aan Dr. Eugeen van Oye† 4 juni 1926', in De Dietsche Gedachte l (1927) 132-136 en 147-149. Zowel in zijn Vlaamse als Friese jaren signeerde hij soms zijn brieven en korte artikelen met Alemod Draageyn, anagram van Domela Nyegaard.

L: A.L. Faingnaert, Verraad of Zelfverdediging? Bijdrage tot de geschiedenis van den strijd voor de zelfstandigheid van Vlaanderen tijdens den oorlog van 1914-1918 (Kapellen, 1932) passim; Marcel van de Velde, Geschiedenis der Jong Vlaamsche Beweging 1914-1918 ('s-Gravenhage, 1941) passim; I. Schöffer, Het nationaal-socialistische beeld van de geschiedenis der Nederlanden (Arnhem [enz.], 1956) 228-229, 229n, 240-241, 279. Bronnen 37-45; P.J. Meertens, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1956-1957. Levensberichten 32-42; L. Buning, 'Aan de nagedachtenis van Dr. Eugeen van Oye als strijdend Vlaming', in Huldeboek Dokter Eugeen van Oye. [Samengest. door H. Dekeyser]. (Gistel, 1970) 62-71; idem, 'Ds. Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard (25-7-1870-4-1-1955), een Vlaming uit het Noorden', in Het Pennoen 20 (1970) 3 (januari) 6-11; idem, 'De vooravond en het begin van het radicale activisme te Gent', in Wetenschappelijke Tijdingen 32 (1973) 4-5 (juli-oktober) kol. 193-216; idem, 'Het persfenomeen "De Vlaamsche Post" (1915-1916)', ibidem 33 (1974) 4-5 (juli-oktober) kol. 233-264; idem. Het strijdbare leven van J.D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard. Vlaming door keuze (Buitenpost, 1976).

I: L. Buning, Het strijdbare leven van J.D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard. Vlaming door keuze (Buitenpost, 1976) fotokatern [Domela als predikant te Oostende].

L. Buning†


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013