Dorren, Corneille Jacques Odilon (1880-1970)

 
English | Nederlands

DORREN, Corneille Jacques Odilon (1880-1970)

Dorren, Corneille Jacques Odilon, marineofficier (Breda 22-6-1880 - Rotterdam 5-12-1970). Zoon van Christiaan Hubertus Dorren, 1e luitenant infanterie, en Maria Antonia Marijnen. Gehuwd sinds 3-6-1905 met Maria Cornelia Brouwer. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren.

Dorren volgde, na enige jaren de R.K. lagere school te Beek bij Nijmegen bezocht te hebben, het onderwijs op de R.K. kostschool De Ruwenberg te St. Michielsgestel en daarna van 1892 tot 1895 op het Seminarie te Culemborg. Omdat hij officier wilde worden, verliet hij deze instelling en ging ter voorbereiding op de toelating tot het Koninklijke Instituut voor de Marine naar het internaat Wegerif te Nijmegen. In 1897 begon zijn 4-jarige adelborsten-opleiding tot officier der mariniers. Dorren werd op 21-9-1901 benoemd tot 2e luitenant. Diverse detacheringen vonden aan boord van schepen en op walinrichtingen plaats, zowel in Nederland als in het voormalige Nederlands-Oost-Indië. Zo was hij o.m. eerste officier op het Koninklijk Instituut voor de Marine, tevens belast met militaire vorming en opvoeding van adelborsten en voerde hij bevel over de marinekazerne Goebeng in Soerabaja. In 1926, ten tijde van de communistische onlusten op Java, was hij als kapitein der mariniers, op verzoek van het civiel bestuur, belast met het bevel over de troepenmacht ter beveiliging van vitale objecten in Soerabaja. In 1933 was Dorren president van de zeekrijgsraad daar bij de berechting van betrokkenen bij de muiterij aan boord van Hr.Ms. De Zeven Provinciën. Van 1-11-1934 tot l-9-1938 was hij chef van het Korps Mariniers in de rang van kolonel der mariniers. Tijdens dit commando werd de eerste 'vredesoperatie' van het Korps uitgevoerd door deelneming van een detachement mariniers onder leiding van de kapitein der mariniers M.R. de Bruyne aan de internationale troepenmacht bij de volksstemming in het Saargebied.

Na zijn pensionering per 1 -9-1938 maakte hij zich verdienstelijk met het schrijven van geschiedkundige werken, in het bijzonder over het Korps Mariniers. Op grond van zijn wetenschappelijk werk De geschiedenis van het Nederlandsche Korps Mariniers van 1665-1945 ('s-Gravenhage, 1948) werd hij op 1-12-1947 bevorderd tot generaal-majoor der mariniers (titulair). Verder publiceerde hij in het Marineblad van 1950 'Een historische terugblik op de ontsluiting van Japan na de maritieme strafexpedities tegen Kagoshima en Simonoseki (1863-1864)'. Tegelijkertijd begon hij een studie over de mariniersbrigade, die werd uitgegeven onder de titel Onze mariniersbrigade (1945-1949). Een veelbewogen episode in de korpsgeschiedenis ('s-Gravenhage, [1955]), handelende over de activiteiten van het Korps Mariniers van na de Japanse capitulatie tot aan de souvereiniteitsoverdracht. Ook publiceerde hij regelmatig in het periodiek voor officieren der mariniers Qua Palet Orbis, zelfs nog op 90-jarige leeftijd, kort voor zijn dood, 'Paradox bewapeningswedloop en 's mensen gedragspatroon in het dreigend conflict mens-biosfeer' (1970).

P: Behalve de reeds genoemde werken: 'Hoe staan de kansen voor een derde wereldoorlog', 'Een zaak op leven en dood van het mensdom' en 'Japan, explosief fenomeen na de vrede van Tokyo (1945)', in Qua Palet Orbis van 1969.

W.G. Snellen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013