Dresden, Samuel (1881-1957)

 
English | Nederlands

DRESDEN, Samuel (1881-1957)

Dresden, Samuel (Sem), Nederlands componist en muziekpedagoog (Amsterdam 20-4-1881 - Den Haag 30-7-1957). Zoon van Marcus Dresden, commissionair in diamant, en Anna Mijerson. Gehuwd met Jacoba Catharina Adriana Dhont op 25-3-1907. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. afbeelding van Dresden, Samuel

Sem Dresden ontving zijn muzikale opleiding aan het Amsterdams Conservatorium, waar hij vooral de invloed onderging van de componist en theorieleraar Bernard Zweers. Later zette hij zijn studie voort te Berlijn bij Hans Pfitzner. Terug in Amsterdam werd hij eerst leraar, in 1919 hoofdleraar aan het conservatorium aldaar waarvan hij tussen 1924 en 1937 directeur was. Naast zijn pedagogische werk ontwikkelde Dresden een opmerkelijke en veelal invloedrijke activiteit als koordirigent. Zo leidde hij enige jaren de.afdelingen Tiel en Laren van de Mij. tot Bevordering der Toonkunst. Door zijn huwelijk met de altzangeres Jacoba Dhont kreeg hij vele contacten met Amsterdamse vocalisten, met wie hij in 1914 het a-capella-koor de Madrigaalvereeniging stichtte. Deze ging later op in de Haarlemse Motet- en Madrigaalvereeniging. Met dit koor bracht hij veel polyfone renaissance-muziek tot nieuw leven, schonk daarnaast echter ook veel aandacht aan het eigentijdse repertoire. Deze omstandigheid zal hem waarschijnlijk tot het componeren van koormuziek hebben aangezet.

Toen hij in 1924 Julius Röntgen was opgevolgd als directeur van het Amsterdams Conservatorium, legden organisatorische problemen steeds meer beslag op zijn tijd, hetgeen nog toenam, toen hij Johan Wagenaar opvolgde als directeur van het Koninklijk Conservatorium te Den Haag. Het is bijna onbegrijpelijk dat hij, behalve dit alles nog gelegenheid vond journalistieke medewerking te verlenen aan De Telegraaf (1923-1927) en een boek te publiceren over Het muziekleven in Nederland sinds 1880 (Amsterdam, 1923), zijn medewerking te geven aan S. van Milligen, Ontwikkelingsgang der muziek... (Den Haag, 1923) en een geheel opnieuw bewerkte druk van J. Worp - S. van Milligen Algemeene muziekleer (Groningen [enz.], 1931) samen te stellen die lange tijd het voornaamste leerboek bleef op dit gebied en nog in 1963 een 11de druk beleefde onder redactie van J. Daniskas. Van 1941 tot 1945 was Dresden ten gevolge van de Duitse bezetting gedwongen zijn werkkring in de steek te laten en onder te duiken. Ook in die benarde tijd onder de meest primitieve omstandigheden slaagde hij erin te componeren. Na de bevrijding kon hij zijn functie aan het Kon. Conservatorium weer uitoefenen en wel tot zijn pensionering in 1949. Het is echter voor Dresden karakteristiek, dat hij zich in de daaropvolgende jaren zeer actief heeft beziggehouden met de stichting Jeugd en Muziek (directeur 1948-1953) waarvoor hij regelmatig voordrachten hield. Verder was hij voorzitter van de Raad voor de Kunst afd. Muziek en lid van de sectie Opera en Dans.

Als componist was Dresden ondanks zijn scholing bij Zweers en Pfitzner een navolger van het Franse impressionisme. Hij stemde hierin overeen met de jonge Pijper van 'ca. 1920, met de late Diepenbrock en met B. van den Sigtenhorst Meyer, maar behield niettemin zijn eigen oorspronkelijkheid. Evenals Debussy en Ravel ontwikkelde Dresden zich al spoedig in de richting van een neoclassicisme dat de klassieke vormtraditie poogde te bewaren, echter in vereniging met de klankverworvenheden van de nieuwe richtingen van 1900 en later. Het meeste van de werken die hij voor 1940 schreef, behoren tot dit pluritonale neoclassicisme. Na de oorlog werd zijn schrijfwijze iets pathetischer, zijn Dansflitsen (1951) sluiten wellicht meer aan bij de door de Weense school bepleite bondigheid en economie. Zo bijv. in de oratoria Saint Antoine (1953), en Sint Joris voor het Holland Festival 1956. Door zijn positie in het Nederlandse muziekleven en door zijn innemende en overtuigende persoonlijkheid heeft Dresden, naast Pijper en H. Andriessen, op het componeren in Nederland een zeer grote invloed uitgeoefend. Zijn streven was gericht op een synthese van traditie en vernieuwing, en van dit gezichtspunt uit is zijn over het geheel genomen belangwekkende oeuvre te verstaan.

A: Archief-Dresden in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.

P: Naast Stromingen en tegenstromingen in de muziek (Haarlem, 1953) waren zijn belangrijkste muziekwerken: Thema en veranderingen voor groot orkest (1913); 2 strijkkwartetten (1924); liederen; koormuziek o.a. Chorus tragicus (1927); 2 vioolconcerten (1936, 1941/2); symphoniëtta voor klarinet en orkest (1938); hoboconcert (1939); pianoconcert (1942); orgelmuziek, pianomuziek en vioolsonate (1943); operette Toto op eigen tekst (1945); fluitconcert (1949); orgelconcert (1952/3); Carnavalscantate (1955); symphonie concertante (1956); Rembrandt's " Saul en David " voor sopraan en orkest (1956); opera François Villon (georkestreerd door Jan Mul, 1956/7).

L: Wouter Paap, in Mens en Melodie 12 (1957) 225-227; idem, 'De opera "François Villon" van Sem Dresden', ibidem, 13 (1958) 131-135; Jos Wouters, in Sonorum Speculum (1965) 25 (,) 1-13.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 387.

J. van der Veen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013