Eggens, Jannes (1891-1964)

 
English | Nederlands

EGGENS, Jannes (1891-1964)

Eggens, Jannes, rechtsgeleerde (Utrecht 20-10-1891 - 's-Gravenhage 30-7-1964). Zoon van Jakob Eggens, notaris, en Adriejeene Constance Vorsterman van Oijen. Op 1-2-1916 huwde hij Sophie Henriette Elisabeth Torchiana. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. afbeelding van Eggens, Jannes

Eggens doorliep het gymnasium te Utrecht en liet zich in 1910 inschrijven aan de faculteit der rechtsgeleerdheid aldaar. Hij beëindigde zijn rechtenstudie in 1916 na in het voorafgaande jaar rector senatus van het Utrechtse studentencorps te zijn geweest. Tevens slaagde hij in 1915 voor het laatste gedeelte van het notariële staatsexamen. Zijn promotie volgde in 1917 te Utrecht op stellingen.

Van 1917 tot 1919 was Eggens als gemobiliseerde werkzaam op het parket van het Hoog Militair Gerechtshof. Na van 1919 tot 1922 commies ter griffie van dit college te zijn geweest ging hij zich wijden aan de opleiding voor het notariële staatsexamen. Al spoedig viel Eggens op door zijn originele persoonlijke manier van doceren. Hij verhief de opleiding, die toen nog geheel extra-universitair was en bij de juristen geen al te goede naam had, tot een wetenschappelijk niveau. Na enkele belangrijke artikelen te hebben gepubliceerd in het Weekblad voor Privaatrecht, Notaris-ambt en Registratie (WPNR) zoals 'Iets over den samenhang van verbintenissen uit onrechtmatige daad met die uit andere oorzaak' (1923) en 'De notarieele acte partij-acte' (1926), werd hij met ingang van 1 januari 1927 lid van de redactie van dit, door de Broederschap der Candidaat-Notarissen uitgegeven, periodiek. Inmiddels was Eggens van 1921 tot 1923 lid van de afdeling Utrecht van deze Broederschap. Van 10 september 1923 tot 17 juni 1927 maakte hij deel uit van het hoofdbestuur. In 1935 volgde zijn benoeming tot hoogleraar in het Nederlandsch-Indisch burgerlijk recht, alsmede (van 1940 tot 1946) in het notariële recht aan de Rechtshogeschool te Batavia in het voormalige Nederlandsch-Oost-Indië. Op 16 mei 1935 aanvaardde Eggens dit ambt met de intreerede Iets over de ontwikkeling van het privaatrechtelijk denken in de laatste halve eeuw [Batavia, 1935]. Hij wijst hierin op de grote verschillen tussen het privaatrecht van zijn tijd en dat van vijftig jaar daarvoor. Het recht is in heftige beweging. De richting ervan wordt bepaald door het juridisch denken, dat 'de macht is die den vorm der rechtsverschijnselen bepaalt'.

In zijn diesrede van 28 oktober 1941 te Batavia over Het "misbruik van recht" en de vrijheid (2e dr. (Groningen [enz.], 1946) liet Eggens zijn vaderlandse gezindheid duidelijk doorklinken. Kon daarop riep de Nederlandse regering hem naar Engeland, waar hij hoofd werd van de afdeling Rechtsverkeer in Oorlogstijd van het departement van Koloniën en lid van de Buitengewone Raad van Advies. Hij had daar een groot aandeel in de rechtsherstelwetgeving. Terug in Nederland nam Eggens op 20 oktober 1945 zijn werk als redacteur van het WPNR (tot 1951) weer op. Op 7 oktober 1946 volgde zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar voor het burgerlijk recht in het Indologisch instituut aan de Universiteit te Utrecht, welke functie hij tot de opheffing van deze instelling in 1954 bleef bekleden. Zijn intreerede luidde: Transpositie en conversie. Van 22 december 1950 tot 1 januari 1958 was hij advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Zijn conclusies geven blijk van zorgvuldig afwegen van de bedoeling van de wetgever, van onderkennen of en wanneer schijnbaar woordelijke toepasselijkheid van een wetsvoorschrift tevens juridische toepasselijkheid betekent. Van grote scherpzinnigheid getuigen bijv. zijn conclusies bij twee zeer belangrijke arresten, te weten dat aangaande overeenkomsten in strijd met de wet ('Flora' tegen M.H.C. van der Kamp in Nederlandse Jurisprudentie 1952, nr. 127) en het zogenaamde Sioarrest (ibidem 1954, nr. 189) betreffende het dubbele constitutum possessorium. In 1953 werd Eggens benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. In 1954 werd hij opgenomen in het driemanschap voor het ontwerpen van een nieuw Burgerlijk Wetboek, te zamen met J. Drion en F.J. de Jong. Ofschoon het werk zelf hem aanvankelijk zeer aantrok, bleek de samenwerking met anderen voor deze individualist uiterst moeilijk te zijn. De jarenlang door hem opgebouwde denkwijze correspondeerde niet met die van de nauwer aan elkaar verwante beide anderen. Gelukkig was het hem gegeven de laatste jaren van zijn uiterst werkzame loopbaan te wijden aan een taak die hij reeds lang ambieerde. Als hoogleraar in het burgerlijk recht, het recht op de industriële eigendom en het burgerlijk procesrecht aan de Universiteit van Amsterdam volgde hij M.H. Bregstein op, wiens leerstoel door diens tragische dood in 1957 was opengevallen. Het was Eggens' oud-leerling A. Pitlo, voorzitter van de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam, die hem hiertoe aanzocht. Met het uitspreken van de intreerede Over het fingeren van rechtsficties (Haarlem, 1958) aanvaardde hij vol overgave zijn opdracht. Hij boeide zijn studenten door de ongemene wijze waarop hij het levende recht wist te doceren. In december 1961 kwam een einde aan zijn professoraat, wegens het bereiken van de door de wet gestelde leeftijdsgrens. Een warme huldiging viel hem ten deel. Zijn afscheidscollege, getiteld Iets over de verhouding van wet en recht, in verband met "ongerechtvaardigde verrijking" en "misbruik van dwangpositie", werd later opgenomen in het WPNR (no. 4704-4705). In dit college legde hij voor een aandachtig gehoor nog eens getuigenis af van zijn doorleefd en fijnzinnig denken en afgewogen taalgebruik. Enkele maanden later openbaarde zich een kwaal, die deze markante, vitale, voor zichzelf en anderen ongemakkelijke, doch ook speelse man ten grave zou slepen. Als docent en als auteur heeft hij op velen een onuitwisbare indruk gemaakt.

P: Behalve de hierboven genoemde werken o.a. bewerkingen van J.G. Klaassen, Huwelijksgoederen- en erfrecht (Arnhem, 1931-1932; 2 dln. vele dr.) en N.K.F. Land, Verklaring van het Burgerlijk Wetboek (Haarlem, 1933) dl. 6, boek IV, titel 1-6; 'Het erfrecht in het Burgerlijk Wetboek van 1838 tot heden', in Gedenkboek Burgerlijk Wetboek 1838-1938. Uitg. onder red. van P. Schölten en E.M. Meijers [Zwolle, 1938]; 'Over de verhouding van eigendom en verbintenis', in Meded. der Kon. Ned. Akad. van Wetensch. afd. Letterk. N.R. 23: 7 (Amsterdam, 1960); preadviezen voor de Broederschap van Candidaat-notarissen en de Nederlandse Juristen Vereniging resp. in 1923, 1947 en 1951 en vele artikelen in het WPNR voor zover niet opgenomen in zijn Verzamelde privaatrechtelijke opstellen (Batavia [enz.], 1938-1959. 2 dln.).

L: WPNR 82 (1951) 4184 (31 maart) 141; A. Pitlo, in WPNR 92 (1961) 4701 (9 december) 502-503; G.E. Langemeijer, in Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1964-1965, 370-377; A. Pitlo, in NRC, 4-8-1964; WPNR 95 (1964) 4823 (15 augustus) 359; G.E. Langemeijer, in Nederlands Juristenblad 39 (1964) 769-770; H.K. Koster, in Folia Civitatis 18 (1964) 1 (12 september) 1-2; H. Dooyeweerd, in Ars Aequi 20 (1971) 159-164.

I: Eggens bundel. Een selectie uit het werk van Jannes Eggens. Bez. door Prof.mt. H.C.F. Schoordijk en mr. J.M. Smits (Overveen 1998) 62.

W.M. Peletier


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013