Eijk, Pieter Nicolaas van (1887-1954)

 
English | Nederlands

EIJK, Pieter Nicolaas van (1887-1954)

Eijk, Pieter Nicolaas van (naamsverandering in Van Eyck bij K.B. van 8-8-1957 no. 71) dichter, criticus, essayist (Breukelen 1-10-1887 - Wassenaar 10-4-1954). Zoon van Pieter Johannes van Eijk, notarisklerk, en Jacoba van Vreeswijk. Gehuwd op 28-4-1914 met Nelly Estelle Benjamins. Uit dit huwelijk werden 2 zonen geboren. afbeelding van Eijk, Pieter Nicolaas van

Na de lagere school in Breukelen en Leiden volgde Van Eyck een opleidingsklas voor het admissie-examen te Den Haag. Van september 1901 tot juli 1906 was hij leerling van het Gymnasium Haganum. Omstandigheden noodzaakten hem in 1906 het staatsexamen af te leggen. Daarna studeerde hij rechten aan de Leidse Universiteit.

Ondertussen publiceerde hij in verschillende bladen en werd in 1912 vast medewerker aan het culturele tijdschrift De Beweging van Albert Verwey. Hij had al in 1904 contact met deze Tachtiger gezocht en naar eigen overtuiging in 1907 onder diens leiding in De Beweging gedebuteerd. Een teken van erkenning en eerbied waarop zich met enkele verstoringen een vriendschap ontwikkelde die tot over Verweys graf zou reiken. Aanvankelijk schreef hij in De Beweging over buitenlandse letteren. Inmiddels promoveerde hij in april 1914 op stellingen en werd correspondent voor de NRC in Rome. Als journalist schreef hij over 't algemeen goed gedocumenteerde stukken waaraan een persoonlijke visie niet ontbrak. Soms leidde dit laatste tot conflicten met de hoofdredactie van de NRC zoals in 1915, toen Van Eycks opvatting van Nederlands houding in de Wereldoorlog niet overeenstemde met de koers die het blad wenste te volgen. Hij had liever gezien dat Nederland de zijde van de geallieerden had gekozen. Eind 1915 keerde hij naar Nederland terug en woonde van 1916 tot 1918 als ambteloos burger in Driebergen. In die tijd behandelde hij in De Beweging Nederlandse schrijvers. Hij doet dit alles met een zo sterke hang naar precisie dat door detaillering en gecompliceerde zinsbouw zijn bijdragen moeilijk leesbaar werden al geven zij de lezer die zich inspant, het besef het behandelde werk of de beschreven auteur tot op de kern genaderd te zijn. Wanneer Van Eyck een boek wenst te bespreken, vraagt hij het tot dan verschenen oeuvre van de schrijver op, om nauwkeurig diens ontwikkeling te kunnen volgen en het te behandelen werk daarin te situeren. Het hierbij nagestreefde perfectionisme kwam voort uit de overtuiging dat literatuur méér was dan een gedrukte tekst, dat zij op haar wijze een verschijning was van het ene Leven, zoals hij dat onder invloed van Platonische en Spinozistische studies geleidelijk aan duidelijker meende te zien.

Ondertussen volgde in 1918 zijn benoeming tot souschef van de afdeling Volksgezondheid bij het ministerie van Landbouw, Handel en Nijverheid. Van 1920 tot 1935 werkte hij wederom als correspondent voor de NRC, nu te Londen. In zijn tweede journalistieke periode interesseerde hij zich in sterke mate voor de Ierse kwestie, waaraan hij reeds in 1921 een omvangrijke brochure wijdde. Het beginsel van de nationaliteit lag bij hem in het verlengde van dat der individualiteit, een principe dat hij krachtig voorstond mede op grond van zijn psychische structuur. Maar ook in die Engelse jaren concentreerde zijn aandacht zich vooral op het culturele, in het bijzonder op het litteraire leven. Literatuur bleef voor hem het belangrijkste domein, omdat hij daarin - en dan vooral in de poëzie - een 'Godskracht' meende te ontwaren die meer waard was dan het leven zelf! De volstrekte toewijding in 'strenge plicht' aan de letteren hangt daarmee nauw samen. Van jongs af aan richtte Van Eyck zijn aandacht op schrijvers en boeken. De essayist en criticus volgde met niet bezwijkende trouw de ontwikkeling vooral van buitenlandse auteurs. Hij beperkte zich daarbij niet tot dichters in engere zin, maar bestudeerde cultuurhistorisch werk van Walter Pater, een biografie als van Richard Wagner en diens verhouding tot Nietzsche. Dergelijke studies bewijzen een tastend zoeken naar de oplossing van het raadsel dat leven voor hem was: een spanning tussen droom en werkelijkheid of tussen verbeelding en zintuiglijke waarneembaarheid. Als verwanten en voorgangers waardeerde hij vooral bepaalde symbolistische dichters als Henri de Régnier, Albert Samain, terwijl boven allen uit Charles Baudelaire rees.

In 1924 en 1925 was hij als criticus aan De Gids verbonden, maar zijn individuele opvattingen, zich mede tonend in de zeer persoonlijke, veeleisende stijl leidden tot een conflict met de toenmalige redactie. Hij voelde zich gegriefd door de wijze waarop de redactie bij monde van haar secretaris Colenbrander, hem als medewerker bedankte. Het is niet ondenkbaar dat dit conflict bijgedragen heeft tot de, met Geyl ondernomen aanval op Colenbrander in 1933 wegens verondersteld plagiaat. Met F.C. Gerretson en P.C.A. Geyl redigeerde hij in 1930 en 1931 het tweemaandelijkse tijdschrift Leiding dat in zijn titel programmatisch de taak aanduidde welke volgens Van Eyck de dichter en de hem verwante 'Geesten' in maatschappij en cultuur toekwam. De belangrijke, helaas niet voltooide studie 'Een halve eeuw Noord-Nederlandsche poëzie' blijft zijn belangrijkste bijdrage aan dit tijdschrift. Ook om hem zelf te leren kennen.

Zo bleek ook uit dit stuk dat Van Eyck een tamelijk geïsoleerde figuur was gebleven. Zijn omgang beperkte zich tot enkele zeer intieme vrienden als Geyl. In zijn vroege jeugd had een nerveuze geaardheid tot conflicten geleid die aanleiding gaven hem tijdelijk buiten de familiekring te plaatsen. Het isolement werd aldus versterkt. Zijn eigenlijke milieu vond hij in de literatuur, wat tot een belezenheid voerde die tijdgenoten als A. Roland Holst, J.C. Bloem en G.H. 's-Gravesande verbijsterde. Het beeld dat hij in 'Een halve eeuw Noord-Nederlandsche Poëzie' van de letterkundige ontwikkeling geeft, onthult tevens zijn eigen problematiek: een spanning tussen zintuiglijke waarneembaarheid en het daardoor gevoede en versterkte verlangen van de ziel - 'hemeldroom' noemt hij dit. Die spanning lijkt beslissend voor de overgang van Impressionisme naar Symbolisme, deze als polariteit op te vatten is typerend voor Van Eycks derde werkzaamheid, het dichterschap.

Overziet men zijn poëzie dan vallen duidelijk twee perioden te onderscheiden die door zijn verblijf in Italië (1914-1915) gemarkeerd worden. De vroegere jaren leveren poëzie waarin de vermelde spanning nog een tweespalt is tussen zinnelijke schoonheid en een duister heimwee naar een duurzaam geluk. Getuigt De getooide doolhof (1909) van deze verscheurdheid tot in de gedichten die of lyrisch of allegorisch - of een kruising van beide - zijn, de daarop volgende bundels laten in hun titels al merken hoe nadrukkelijk het geluksverlangen geponeerd wordt: Getijden (1910). De sterren (1911), Uitzichten (1912). Men krijgt de indruk dat de jonge dichter op zijn wijze een zin van het leven wilde afdwingen door het te bezweren met een poëtisch ritueel. Die 'zin' was voor hem het principiële, beslissende. Ervaringen en overpeinzingen in Italië lijken hem een bevredigende oplossing voor deze innerlijke tweespalt geboden te hebben, zoals de prozabundel Opgang (1918) kan bewijzen. Van dan af wordt de tegenstelling steeds duidelijker een polariteit: een spanning tussen twee elementen van het éne leven. Treft in Inkeer (1922) en Voorbereiding (1926) nog een weemoedige sfeer, geleidelijk krijgt deze een lichtere toets die in Herwaarts (1939; uitgebr. herdr. 1949) en vooral in Verzen 1940 (1941) met naar mystiek zwemende vervoeringen verbonden wordt. Het waren visionairen en mystici in wie hij zijn Meesters (1946) op deze weg herkende.

Zijn hoogleraarschap, in 1935 volgde hij Albert Verwey op in de Nederlandse taal- en letterkunde te Leiden, was van het voorgaande niet in strikte zin te onderscheiden. Slechts zou men kunnen zeggen dat hij daarin zelf als 'meester' fungeerde voor wie in, met en door poëzie of ruimer: literatuur de 'weg' naar levenseenheid wenste te ontdekken. Dat gebeurde zowel in borende onderzoekingen naar de grondgedachte van letterkundige werken (bijv. in de inleiding tot Hermingard van de Eikenterpen van 1939) als in een magistraal essay Over leven en dood in de poëzie (1938).

Als waardering voor zijn gehele werk werd hem eind 1947 de Constantijn Huygensprijs toegekend door de Haagse Jan Campertstichting. In mei van hetzelfde jaar had hij van de Universiteit van Amsterdam al een eredoctoraat gekregen. Van 1947 af ging zijn gezondheid sterk achteruit, wat hem in 1949 op een ziekbed bracht, dat pas op 10 april 1954 eindigde.

P: Van Eycks poëzie, in Verzameld Werk (Amsterdam, 1958-1964. 7 dln.) met een bibliografie van zijn gedichten in dl. 2 en van zijn in boekvorm verschenen publikaties en van zijn artikelen in dl. 7.

L: K. Meeuwesse, 'P.N. van Eyck of het polaire dichterschap', in Roepina 21 (1943) 333-365; C. Bittremieux, P.N. van Eyck (Antwerpen [enz.], 1947): P. Geyl, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1954-1955. Levensberichten 302-311; H.A. Wage, Dagend dichterschap. Een onderzoek naar de ontwikkeling van de dichter P.N. van Eyck tot en met de Italiaanse periode (Leiden, 1967.2 dln.) Proefschrift Leiden; K. Hellemans. Imaginatio Dei. Levensbeschouwing en dichterschap in het werk van P.N. van Eyck [Leuven, 1978. 4 dln.] Proefschrift Leuven.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1954-1955 (Amsterdam 1955) afbeelding tegenover pagina 302.

H.A. Wage


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013