Feylbrief, Jan Koos (1876-1951)

 
English | Nederlands

FEYLBRIEF, Jan Koos (1876-1951)

Feylbrief, Jan Koos (ps. J. van Oudshoorn) prozaschrijver, ambtenaar (Den Haag 20-12-1876 - Den Haag 31-7-1951). Zoon van Jacobus Johannes Feylbrief, beambte aan het Algemeen Rijksarchief, en Johanna Cornelia Rating. Gehuwd sinds 16-4-1914 met Marie Teichner, mannequin. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Feylbrief, Jan Koos

Ofschoon Van Oudshoorn van 1905 tot 1933 in Berlijn woonde, was hij een echte Hagenaar. Geboren in de Heerenstraat, groeide hij op aan de Hoefkade. In deze toenmalige nieuwbouwwijk van het zich snel uitbreidende Den Haag werd de kiem gelegd voor het Victoriaanse schuldbesef dat zijn in eerste instantie pessimistisch aandoend proza beheerst. Na zijn HBS-jaren aan het Bleijenburg studeerde hij vanaf 1895 aan de Indische Instelling in Delft. Het eerste gedeelte van het zg. grootambtenaarsexamen verliep in 1896 succesvol, maar het vervolg werd, mede door de toen zeer scherpe selectie, een mislukking. Na een jaar intens bezig zijn - voor zichzelf - met de toenmalige Europese literatuur van Russen, Scandinaviërs en Fransen werd Van Oudshoorn per 1 oktober 1899 aangesteld bij het departement van Buitenlandse Zaken. Hij ontmoette er als collega Janus (A.J.G.) Schmitt, medestudent van de Indische Instelling. Samen bestudeerden zij de grote filosofen van de 19de eeuw (vooral Hegel, von Hartmann en Schopenhauer). Intussen bleef hij zich eenzaam voelen, een vreemde, die zich door vreemden omgeven wist. In februari 1905 werd hij benoemd tot tweede kanselier van het gezantschap in Berlijn. Naar alle waarschijnlijkheid ontdekte hij daar zijn talent als schrijver in een intense briefwisseling met de in Nederland achtergebleven Schmitt, waarvan het na zijn dood uitgegeven prozaboek Het Onuitsprekelijke (1968) de neerslag lijkt te bevatten. Kort na het sterven van zijn moeder in november 1909 schreef hij in de winter van 1910-1911 zijn aangrijpende roman van de tot waanzin leidende eenzaamheid, Willem Mertens' Levensspiegel (1914). Zijn zelfvertrouwen nam toe. Behalve dat hij in 1911 zijn debuutroman schreef, werd hij in dat jaar ook eerste man op de kanselarij. In augustus 1912 ontmoette hij de Berlijnse mannequin Marie Teichner, en ondanks het feit dat hij onder invloed van Strindberg en Schopenhauer het huwelijk beschouwde als 'een hoger soort vergissing' en sprak van 'de lijfsdwang van het huwelijk', trouwde hij met haar, op 16 april 1914. Nagenoeg tegelijkertijd verscheen zijn roman, en naast de banvloeken van christelijke zijde waren er ruimschoots loftuitingen van belangrijke tijdgenoten, o.m. Willem Kloos en Dirk Coster.

Had Van Oudshoorn zich in zijn eersteling uitgesproken over een fase van grote vereenzaming tijdens zijn Haagse ambtenarenjaren, de eerste drie hoofdstukken van zijn tweede roman. Louteringen (1916) laten zien wat de vakanties in het Leidse bakkersgezin van zijn oom Johan Christiaan Rating die met een meisje Oudshoorn getrouwd was, als oase voor hem hebben betekend. Hij heeft aan de naam van die familie zijn pseudoniem ontleend.

De oorlogsjaren 1914-1918 waren juist voor deze auteur en zijn vrouw moeilijker dan voor de meeste landgenoten in het neutrale Nederland. Beiden woonden zij in een vertwijfeld en op den duur uitgehongerd en verslagen Berlijn, terwijl Van Oudshoorn ver van familieleden tussen de Pruisische verwanten van zijn vrouw de oorlog mee moest maken. Van oktober tot december 1917 schreef hij zijn toneelstuk Zondag, een poging tot conflict (1919), waarin de Strindbergiaanse strijd tussen de geslachten centraal staat. Intussen had hij ook een aantal verhalen op schrift gesteld, sommige over het huwelijk, andere in directe relatie tot de oorlogssfeer, weer andere vanuit de herinnering aan het verleden. Deze verhalen werden gebundeld met een later geschreven novelle, 'Verzoening', in de uitgave Verhalen (1922). Tussen 1920 en 1923 bewerkte Van Oudshoorn zijn brieven aan Schmitt tot Het Onuitsprekelijke en schreef voorts enige minder belangrijke schetsen en verhalen. Tussen voorjaar 1924 en najaar 1928 kwamen vier grotere werken gereed: de belangrijke roman Tobias en de Dood (1925) - persiflage op de Roaring Twenties -, de autobiografische novelle Pinksteren (1929) waarin het verlangen, de twijfels en de schaamte beschreven worden van een jongen en een meisje die voor het eerst met elkaar naar bed gaan, de wat mysterieuze geschiedenis Laatste dagen (1927) en het rouwverhaal In Memoriam (1930). Het was kenmerkend voor de tijd dat het met zoveel pudeur geschreven Pinksteren een lange lijdensweg langs de uitgevers moest gaan voor een van hen het, meer per abuis dan moedwillig, uitgaf.

Langzamerhand was Van Oudshoorn - in de kringen der Berlijnse Nederlanders uitsluitend gekend als J.K. Feylbrief - gehecht geraakt aan de Duitse hoofdstad. Zijn voortijdig ontslag ten gevolge van de crisis per 1 januari 1933 heeft hij dan ook maar moeilijk kunnen accepteren. Met zijn vrouw ging hij terug naar zijn geboortestad waar hij vrijwel onopgemerkt zijn laatste levensjaren doorbracht. Als man van vaste gewoonten wandelde Van Oudshoorn graag in de stadsparken of zat in Scheveningen uit te zien over de zee en het strand, bij voorkeur met zijn bolhoed op en zijn wandelstok tussen de knieën. Toch ging hij nog schrijven. De invloed van het expressionisme en de nieuwe zakelijkheid is merkbaar in zijn autobiografische roman Achter groene horren (1943), waaraan hij in 1936 begon. Het eerste gedeelte ervan geeft een beeld van zijn eigen leven tot hij in 1899 ambtenaar werd. Het tweede vormt een satire op het ambtelijk bestel waarin hij van 1899 tot 1905 werkte en leidt tegelijk zijn vertrek naar Berlijn in. Van Oudshoorns eigenaardig gevoel voor humor kwam nog eens - na Tobias en de Dood - tot uitdrukking in zijn verhaal over een geval van bilocatie. De Fantast (1948). Vlak voor zijn dood voltooide hij de novelle Bezwaarlijk verblijf (postuum 1965; 2e uitgebr. dr. 1969). Daarin gaf hij weer hoe hij zich gevoeld had in 1932, toen hij, kort voor zijn dreigend ontslag, in Antwerpen een week lang tevergeefs gepoogd had daar op het consulaat-generaal aan de slag te komen. Vereenzaamd en miskend, vol rancune ook tegen het maatschappelijk bestel, nam hij tijdens de bezettingstijd een weinig principiële houding tegenover de Duitsers aan. Ofschoon het daardoor mogelijk werd dat zijn Achter groene horren in 1943 werd uitgegeven, paste heel de satirisch-pessimistische inslag van zijn werk weinig bij de nazistische verwachtingen van een voor de kunst zo nodige 'levensbepalende' letterkunde en zo bleef Van Oudshoorn ook in deze tijd een hoofdzakelijk genegeerd auteur.

Pas tegen het einde van Van Oudshoorns leven en na zijn dood is men gaan inzien van welk eminent belang voor de Nederlandse literatuur zijn proza is. Nog tijdens zijn leven verzorgde uitgever G.A. van Oorschot een keuze uit de werken onder de karakteristieke titel Doolhof der Zinnen (1950). Na vijftien jaar stilstand is vanaf 1965 een Van Oudshoorn-revival begonnen - o.m. met de uitgave van ongepubliceerd werk en van de Verzamelde Werken door Athenaeum Polak & Van Gennep die tot op heden voortduurt (zie literatuuropgave). In zijn werk is de lijn zichtbaar die loopt van het Franse naturalisme en realisme (meer Flaubert dan Zola), via het Nederlandse impressionisme (Van Deyssel) en realisme (Emants, Aletrino, Coenen) naar het psychologisch en symbolisch realisme (Vestdijk), waarbij men hem ook wel een existentialist avant la lettre heeft genoemd. Grote waardering ondervond zijn werk van de Tachtigers Kloos, Van Eeden en Van Deyssel, maar ook van latere critici en romanschrijvers als Van Vriesland, Bordewijk, Vestdijk en Hermans. Daarentegen had Du Perron er grote moeite mee terwijl ook de andere Forumcriticus Ter Braak zich ambivalent toonde in zijn oordeel. In onze hedendaagse literaire kritiek is de lof voor Van Oudshoorns beheerst emotioneel geladen proza vrijwel unaniem (zie Fens, Kaleis, Dinaux, 't Hart e.a.).

In de literatuurgeschiedschrijving is het belang van Van Oudshoorn als beschrijver van het door schuld en eenzaamheid verscheurde innerlijk tegen de achtergrond van het fin de siècle door niemand zo sterk benadrukt als door Knuvelder. De andere geschiedschrijvers moffelden deze naast Emants onbetwist sterkste representant van het fin de siècle weg tussen de vele sombere auteurs die onze prozaliteratuur van de eeuwwende rijk is. Aan een van dezen, Frans Coenen, heeft Van Oudshoorn in zijn schrijversleven veel te danken gehad. Coenen introduceerde het werk van de Berlijnse eenling bij Nederlandse uitgeverijen, inspireerde hem met zijn eigen werk en stimuleerde hem herhaaldelijk tot nieuwe publikaties.

Toch zou de oorsprong van dit werk ons gemakkelijk kunnen doen vergeten dat de grondtoon ervan die van de romanticus is: de gespletenheid in het bestaan, de ambivalentie, de onvrede met het bestaande, het geluksverlangen dat waarneembaar is achter muren van zondigheidservaren en schuldgevoel, en ook een vorm van geluksgevoel zoals dit in de beleving van de mystiek aanwezig is. Dit alles gedragen door een nauw gedwongen emotionaliteit. Wil men Van Oudshoorn recht doen, dan kan men, beter dan hem een realist te noemen, spreken van het romantisch-realisme dat een groot deel van zijn werk kenmerkt: Willem Mertens' Levensspiegel, Louteringen, Het Onuitsprekelijke, Pinksteren, In Memoriam en Achter groene horren, en van het sardonisch, ironisch fantaisisme dat men vindt in Tobias en de Dood, Laatste dagen en De Fantast.

A: Archief- J. van Oudshoorn, beheerder W.A.M. de Moor, Surinameweg 6, Nijmegen.

P: Romans, novellen en schetsen zijn opgenomen in Verzamelde Werken (Amsterdam, 1968--. 3 dln.) waarvan 2 dln. gepubliceerd zijn; van dl. I verscheen in 1976 een 2e bijgew. en herz. dr. Deel III zal het overige werk (toneel, nagelaten werk, dagboek e.d.) bevatten. Inmiddels is hiervan verschenen in een voorlopige editie Het Onuitsprekelijke. Verz. en toegel. door W.A.M. de Moor (Amsterdam, 1968); voorts 'Galant avontuur', in Maatstaf 25 (1977) 7 (juli) 34-38.

L: J. van Oudshoorn, Bezwaarlijk verblijf. Uitg. en toegel. door W.A.M. de Moor [2e uitgebr. dr.]. (Amsterdam, 1969) bevat o.a. een lijst van publikaties over de schrijver tot 1 februari 1969); verder Huug Kaleis, 'Van Oudshoorn, de zelfmoord en het vrouwelijk geslacht', in Schrijvers binnenste buiten (Amsterdam, 1969) 121-145; Dirk Coster, 'Een zielsbelijdenis', in Literatuur en leven [= Verzamelde Werken, dl. XII (Leiden, 1970) 51-66]; idem, 'J. van Oudshoorn, 'Tobias en de dood', ibidem, 67-80; René Marres, 'Vervreemding van de wereld en zichzelf', in Raam (1970) 70 (december) 37-42; idem, 'Mystiek en satire bij Van Oudshoorn', ibidem, (1971) 73 (april) 35-40; C.J.E. Dinaux, 'J. van Oudshoorn', in Herzien bestek (Amsterdam, 1974) 85-92; Kees Verheul, 'De aanblik van het ondoorgrondelijke', in Verlaat debuut .. .(Amsterdam, 1976) 67-74; G.P.M. Knuvelder, Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. 5e herz. dr. (Den Bosch, 1976) IV, 546-555; 'J. van Oudshoorn, 1876-1976', in Tirade 20 (1976), (november-december) 219-220. Onder red. van G.A. van Oorschot met W.A.M, de Moor als gastredacteur; Wam de Moor, 0ver J. van Oudshoorn. Uitgave [in eigen beheer] J. van Oudshoorn Archief (Nijmegen, 1976); idem, 'De schetsen van J. van Oudshoorn', in Maatstaf 25 (1977) 8-9 (aug./sept.) 42-57; idem, 'J. van Oudshoorn en het hoertje van de filosofie. Enige kanttekeningen bij zijn werk', in De Revisor 4 (1977) 4 (augustus) 59-69; Maarten 't Hart, 'Het beste aller dingen', in De som van misverstanden [Amsterdam, 1978] 35-50; Binnenkort staat te verschijnen: Wam de Moor, 'Over Willem Mertens'. 'Levensspiegel van J. van Oudshoorn.'

I: Verzamelde Werken. Uitgegeven door W.A.M. de Moor, deel II (Amsterdam 1974) afbeelding na inhoudsopgave.

W.A.M. de Moor


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013