Fockema Andreae, Joachimus Pieter (1879-1949)

 
English | Nederlands

FOCKEMA ANDREAE, Joachimus Pieter (1879-1949)

Fockema Andreae, Joachimus Pieter, burgemeester van Utrecht en commissaris der Koningin in de provincie Groningen (Leiden 30-7-1879 - Utrecht 27-7-1949). Zoon van Sybrandus Johannes Fockema Andreae, hoogleraar in het oud-vaderlands recht te Leiden, en Elisabeth Reinardina Tonckens. Hij was ongehuwd. afbeelding van Fockema Andreae, Joachimus Pieter

Fockema Andreae bezocht het stedelijk gymnasium te Leiden, studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit aldaar en promoveerde er cum laude op 5 februari 1904 op het onderwerp: Tien jaren rechtspraak van den Hoogen Raad. Bijdrage tot de leer der wetsuitlegging. Op 1 april 1904, nog geen 2 maanden dus na de voltooiing van zijn universitaire studie, volgde zijn benoeming tot commies-redacteur ter secretarie te Utrecht. In die kwaliteit was de liberale Fockema Andreae vooral belast met problemen op het terrein der openbare werken en de volkshuishouding. De wijze waarop hij zijn taak verrichtte was voor het gemeentebestuur aanleiding om hem - 26 jaar oud - bevoegd te verklaren om, zo nodig, als plv. gemeentesecretaris op te treden. Toen op 25 oktober 1907 de wethouder van openbare werken A.W. Mees overleed, bevorderde vooral burgemeester dr. B. Reiger de aanwijzing van de jonge Fockema Andreae tot Mees' opvolger: nadat hij op 28 november 1907 verkozen was tot raadslid volgde zijn benoeming op 19 december 1907 door de gemeenteraad met grote meerderheid tot wethouder. In deze functie toonde hij zich vooral een groot kenner van de vraagstukken rond woningbouw en stadsontwikkeling.

Bij KB van 18 maart 1914 werd Fockema Andreae geroepen tot het burgemeesterschap van Utrecht - een benoeming die allerwege voldoening gaf. In zijn ambtsperiode van 1914 tot 1933 die gemarkeerd werd door een crisis aan het begin en het eind voltrok zich het politiek proces van de teruggang van het liberalisme en de groei van het arbeiderselement in de gemeenteraad. De invoering van het algemeen kiesrecht en het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging hebben daar in belangrijke mate toe bijgedragen.

Fockema Andreae zag zich in dat tijdvak gesteld voor de taak een stad te besturen die uit haar singels en haar grachten barstte, die van een rustige landstad met een universiteit een knooppunt werd van modem verkeer. Hij heeft die uitdaging adequaat beantwoord en trad als initiator en stimulator van vele grote en belangrijke zaken op. Zo werd Utrecht de spoorwegstad van Nederland en kreeg het mede door de aanhoudende zorg van de burgemeester in 1917 de Nederlandse Jaarbeurs - later in 1931 Koninklijke Nederlandse Jaarbeurs. Zijn stedebouwkundige en commerciële belangstelling bleek o.a. uit de woningbouw en uit stadsuitbreiding die op grond van een algemeen basisplan van Berlage in 1924 plaatsvond, alsmede uit zijn aandacht voor de stichting van de Handelsbeurs, de bouw van de nieuwe elektrische Centrale aan het Merwedekanaal (1926), de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal langs de stad Utrecht (1928), het gereed komen van de nieuwe markten, veilinggebouwen aan de Croeselaan (1928 en 1931), de verbouwing en uitbreiding van het Stads- en Academisch Ziekenhuis en de voltooiing van de restauratie van de Domtoren (1929) en de bouw van het nieuwe hoofdbureau van politie aan het Paardenveld (1931) en van het nieuwe Stedelijk Gymnasium aan de Homeruslaan (1932).

Naast zijn punctueel vervuld burgemeesterschap -zo miste hij als voorzitter hooit een raadsvergadering in zijn 20-jarige ambtsperiode - bekleedde Fockema Andreae vele belangrijke locale en landelijke functies. Hij was bijv. van 1917-1923 voorzitter en later ere-voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Jaarbeurs, curator en president-curator der Rijksuniversiteit (1929-1933), voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (1924-1927) en had zitting in vele staatscommissies.

Zijn benoeming in 1933 tot commissaris der Koningin in de provincie Groningen kwam onverwacht en werd in Utrecht als pijnlijk ervaren. Lang heeft Fockema Andreae deze functie niet waargenomen. In februari 1937 kwam zijn aftreden. Hij gaf te kennen ambteloos burger te willen zijn en zich te wijden aan de wetenschappelijke studies, waartoe hij zich aangetrokken voelde. Vermoedelijk waren het de problemen rond de huisvesting, welke Fockema Andreae tot zijn besluit brachten. Hij vond de ambtswoning veel te groot en kon geen geschikt woonhuis vinden. Vanaf 1april 1937 woonde Fockema Andreae in 'De Leemhoeve' aan de Soestdijkseweg in Bilthoven. De oude banden met de stad Utrecht waren niet verbroken. En terecht. Op 30 december 1948 bood het gemeentebestuur van Utrecht hem een woning aan. Hij zou er echter nooit wonen. De verbondenheid met de burgerij kwam in 1949 - 15 jaar na zijn burgemeesterschap - nog eenmaal aan het licht, toen duizenden in de hal van het stadhuis van de gelegenheid gebruik maakten om hun zo geliefde burgemeester de laatste eer te bewijzen.

P: Behalve in de tekst genoemd werk: Moderne praetuur?... (Haarlem, 1907); De hedendaagsche stedenbouw (Utrecht, 1912); De kunst van het wetgeven op en om het Binnenhof (Utrecht , 1913); 'De stad Utrecht omstreeks 1823', in Jaarboekje van "Oud-Utrecht" 1924, 28-39; De stad Utrecht, haar historie en haar toekomst (Utrecht, 1926); Het geheim van de raadkamer (Utrecht, 1934); Verzamelde redevoeringen 1914-1933... (Utrecht, 1934); An important chapter from the history of legal interpretation... (Leiden, 1948).

L: J. Boot, in Provinciale Almanak voor Utrecht 2 (1927) 127-136; J. de Lange, in Jaarboekje van "Oud-Utrecht" 1950, 25-38; A. Graafhuis, 'Utrechts Burgemeesters 1813-1948. Dr. Joachimus Pieter Fockema Andreae 1879-1949', in De Schakel. Personeelsorgaan van de gemeente Utrecht (1970) 69 (september) 7-9.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 480.

A. Graafhuis


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013