Friedericy, Herman Jan (1900-1962)

 
English | Nederlands

FRIEDERICY, Herman Jan (1900-1962)

Friedericy, Herman Jan, bestuursambtenaar in Nederlandsch-Indië, ambassaderaad voor persen culturele zaken en schrijver (Onstwedde 8-6-1900 - Londen 23-11-1962). Zoon van Jan Friedericy, postdirecteur, en Harmanna Hillinga. Gehuwd op 16-1-1928 met Lucia Wilhelmina van Wijk. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. afbeelding van Friedericy, Herman Jan

Friedericy ging na zijn HBS te Eindhoven in 1918 indologie studeren te Leiden. Op zijn 21e jaar, als een van de jongst afgestudeerde Indologen vertrok hij in 1921 naar Nederlands-Indië en werd op Zuid-Celebes geplaatst. Hij bleef er tot 1930. Van dat jaar tot 1933 was hij in Nederland met studieverlof en bereidde zijn dissertatie voor. In zijn proefschrift, verdedigd voor de Leidse faculteit van Letteren en Wijsbegeerte, getiteld De standen bij de Boegineezen en Makassaren (1933) bleek hij zich zo met het leven van de Boeginese adel vereenzelvigd te hebben, dat zijn visie op de samenleving daardoor bepaald werd. Na zijn promotie en verlof was hij van 1933 tot 1938 bestuursambtenaar te Palembang (Zuid-Sumatra) en van 1938 tot 1940 te Batavia, waarna hij over ging naar het kabinet van de Gouverneur-Generaal. In die tijd schreef hij nog geen verhalen, wel brieven aan zijn ouders die tegelijk een soort dagboek vormen en, met weglating van al te persoonlijke stukken, later bijeengebracht werden in De eerste etappe (1961).

Friedericy was een weergaloos verteller die zijn natuurlijke aanleg ontwikkeld had tot een speciale kunst zoals men dat onder Nederlanders zelden aantreft.

In 1942, na de inval van de Japanners, werd hij geïnterneerd, eerst te Batavia, later te Bandoeng, tot augustus 1945. In die periode begon hij met schrijven, 'als een vlucht uit de realiteit', zoals hij zelf veronderstelde. Friedericy vertelde ook als hij schreef met grote intensiteit. Hij zei eens in een gesprek: 'Het is alsof ik er bij ben, bij wat ik beschrijf. Ik zie de maan, ik ruik de geuren, ik hoor de trommels, ik neem deel aan de gesprekken.' (Het Vaderland van 9 april 1959). Deze intensiteit maakte alles wat hij schreef niet alleen 'plastisch', het kreeg er ook een voortdurende spanning door.

Zijn eerste litteraire proeve was het verhaal 'Reigerdans', niet zonder reminiscenties aan het proza van Van Schendel. Hierna volgde 'Bloed', een meesterlijk voorgedragen verhaal, met een glimlach verteld en met een nauwelijks bedwongen bewondering voor de moordenaar die wraak neemt. Nog enkele andere verhalen zoals 'Vazal' en 'De dubbele aar' spelen in dezelfde samenleving van Zuid-Celebes, waar hij dagelijks onder de bevolking had verkeerd, vooral te midden van de hoofden en vorsten. Met het na de oorlog geschreven verhaal 'De bendeleider' werden ze samengebracht onder de titel Vorsten, vissers en boeren, een bundel die in 1957, vele jaren na hun ontstaan, uitkwam. In Japanse krijgsgevangenschap begon Friedericy bovendien aan een historische roman, bestaande uit drie delen: 'De moeder 1870-1890', 'De generaal 1890-1906' en 'De zoon (1906-1930)', die eveneens in de Boeginese samenleving werd gesitueerd. Het werk verscheen in 1947 getiteld Bontorio. De laatste generaal, onder pseudoniem H.J. Merlijn. Het boek bleef onbekend tot in 1958 de uitgever van zijn verhalenbundel ook Bontorio onder veranderde titel herdrukte. In deze editie, onder Friedericy's eigen naam, liet de uitgever het derde en laatste deel weg, daar hij het als litterair mislukt beschouwde, al is het verhaal daarmede niet tot het heden afgerond. Friedericy's ambtelijke carrière werd na de oorlog voortgezet als chef Politieke Zaken van het ministerie van Overzeese Gebiedsdelen met de rang van resident. Van 1947 tot 1949 was hij hoofd van de Indonesische afdeling van het Nederlands Informatiebureau te New York, waarna hij van 1950 tot zijn vrij onverwacht overlijden de functie bekleedde van Ambassaderaad voor pers- en culturele zaken, achtereenvolgens te Washington, Bonn en Londen.

In de periode dat Friedericy te Bonn werkzaam was, schreef hij De Raadsman (1958), waarin hij zich volkomen heeft gerevancheerd voor het mislukte derde deel van Bontorio, door over zijn ervaringen als bestuursambtenaar in een andere vorm en toon te schrijven. Deze sobere op ingehouden toon vertelde verhalen zijn door de wederzijdse gevoelens van liefde tussen de jonge Toewan Petoro (aanduiding voor de bestuursambtenaar) en de al oudere Toewan Anwas (een van de hoofden) een rechtvaardiging geworden van een ethisch bestuursbeleid zoals Friedericy het voorstond en beleed. Schokkend en tegelijk ontroerend is het slot.

P: Bibliografie in het hieronder genoemde levensbericht.

L: R. Nieuwenhuys, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1969-1970. Levensberichten 119-126; idem, Oost-Indische Spiegel 3e dr. (Amsterdam, 1978) 494-504.

I: In Indië geweest. Maria Dermoût, H.J. Friedericy, Beb Vuyk. Onder red. avn J. van den Berg [e.a.] (Den Haag 1990) 83 [Friedericy omstreeks 1959].

R. Nieuwenhuys


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013