Genechten, Robert van (1895-1945)

 
English | Nederlands

GENECHTEN, Robert van (1895-1945)

Genechten, Robert van, politicus (Antwerpen 25-10-1895 - Den Haag 13-12-1945); genaturaliseerd bij de Wet van 14-6-1930 Stbl. 237. Zoon van Fredericus Lambertus Hubertus van Genechten, onderwijzer te Antwerpen, en Maria Rosalia Mariën. Gehuwd op 23-10-1922 met Popkje Hiemstra. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. afbeelding van Genechten, Robert van

In 1916-1918 studeerde Van Genechten rechtswetenschap aan de door de Duitse bezetters gestichte Vlaamse universiteit te Gent en nam hij ijverig deel aan de 'activistische' beweging voor samenwerking met de Duitsers. Als gevolg daarvan moest hij bij het einde van de Eerste Wereldoorlog uitwijken naar Nederland, waar hij ook in 1914-1915 al gewoond had; in 1920 veroordeelde het Assisenhof te Antwerpen hem bij verstek tot 8 jaar gevangenis.

In Nederland zette Van Genechten zijn rechtenstudie voort - met speciale belangstelling voor economie - aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. In 1927 promoveerde hij aldaar cum laude op een proefschrift De ontwikkeling der waardeleer sinds 1870. Inmiddels had hij zich in 1925 te Utrecht gevestigd als advocaat en procureur, in associatie met mr. A.J.vanVessem; in 1928 werd hij voorts toegelaten als privaatdocent in het algemene deel van de theoretische staathuishoudkunde aan de Utrechtse universiteit. Zijn kwaliteiten als wetenschapsman vonden veel waardering en ook wel erkenning, ofschoon een hoogleraarschap in Utrecht hem ontging. In 1930 werd hij genaturaliseerd tot Nederlander.

Ook in Nederland bleef Van Genechten ijveren voor de zaak van de Vlaamse autonomie en diverse publikaties van zijn hand zijn aan de Vlaamse kwestie gewijd: Wat willen de Vlamingen ? (Amsterdam, 1925), De slechte oneindigheid van het Vlaamsche belgicisme (Brugge, [1926], Vlaanderens economische ontwikkeling na den oorlog (Brugge, 1928).

In 1934 werd hij - in navolging van zijn compagnon mr. Van Vessem - lid van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). In januari 1936 werd hij opgenomen in de redactie van het theoretisch orgaan van de NSB: Nieuw Nederland: maandblad voor economie, staatkunde en cultuur. Vanaf januari 1938 was hij de enige redacteur van Nieuw Nederland ; dat is hij gebleven tot september 1944, toen het blad zijn verschijnen staakte. Zelf heeft hij in zijn blad talrijke artikelen geschreven, over economische, historische, algemeen-culturele en algemeen-politieke onderwerpen. De Vlaamse kwestie raakte geleidelijk bij hem op de achtergrond, al schreef hij in 1938 nog voor de NSB een brochure Dietsche verbondenheid. Hoofdzaak in zijn geschriften werd de bestrijding van rationalisme en humanisme; daarnaast kwam een in heftigheid toenemend antisemitisme. De gelegenheid om zijn denkbeelden op grotere schaal aan 'de beweging' op te leggen dan in het te beperkt intellectuele Nieuw Nederland mogelijk was, kreeg Van Genechten, toen hij oktober 1938 door Mussert belast werd met de 'vorming' van de NSB-leden. In de oorlogsdagen 10-15 mei 1940 zat Van Genechten geïnterneerd in de gevangenis van Hoorn. Als één der eerste NSB'ers kreeg hij van de Duitse bezetters een belangrijke functie: in september 1940 werd hij procureur-generaal bij het Gerechtshof te Den Haag. In deze functie (en vooral als openbaar aanklager bij het voor politieke delicten ingestelde Vredesgerechtshof) toonde hij zich een fanatiek en wraakzuchtig NSB'er, speciaal bij de vervolging van mensen, die zich in de meidagen van 1940 tegen zijn partijgenoten misdragen zouden hebben, of die tijdens de bezetting openlijk van hun anti-nationaal-socialistische gezindheid blijk gaven.

Ondanks zijn ijver voor het nationaal-socialisme kwam Van Genechten over allerlei kwesties in conflict met de Duitse machthebbers; zo verzette hij zich tegen het Duitse optreden tegen de studenten, tegen het werven van vrijwilligers voor de Waffen-SS en tegen het doden van gijzelaars voor aanslagen op NSB'ers; in 1942 weigerde hij aanwezig te zijn bij het afleggen van de eed op Hitler door de Nederlandsche SS. Dat alles leidde ertoe, dat hij op 1 februari 1943 van zijn functie van procureur-generaal ontheven werd; in plaats daarvan werd hij benoemd tot commissaris van de provincie Zuid-Holland.

Inmiddels hadden de spanningen van de bezettingstijd zijn zenuwen hevig aangetast en begin mei 1943 deed hij, in een depressieve toestand, een mislukte zelfmoordpoging. Hij werd toen door Mussert ontheven van de functies, die hij in de NSB bekleedde: die van vormingsleider (welke functie hij waargenomen had vanaf 1938 met een onderbreking in oktober 1940-maart 1941, toen Rost van Tonningen haar van hem had overgenomen) en van gemachtigde voor onderwijs en opvoeding. Het ambt van commissaris van Zuid-Holland heeft hij nooit werkelijk uitgeoefend en in augustus 1943 werd hij er weer van ontheven. Hij werd toen benoemd tot gewoon hoogleraar in het strafrecht aan de Rijksuniversiteit te Leiden (vanaf juli 1941 was hij reeds bijzonder hoogleraar in de volkshuishoudkunde vanwege de Stichting tot Bevordering van de Studie van het Nationaal-Socialisme); aangezien de Leidse universiteit gesloten was, betekende deze benoeming in feite, dat Van Genechten buiten spel gezet werd. Zijn politieke rol was nu nagenoeg uitgespeeld, al bleef hij nog artikelen publiceren in Nieuw Nederland en andere NSB-organen.

Na de bevrijding werd hij in zijn woning te Voorburg gearresteerd. Het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag veroordeelde hem op 17 oktober 1945 ter dood; hangende zijn beroep in cassatie pleegde hij in de gevangenis zelfmoord. In een brief aan de griffier van het Bijzonder Gerechtshof, waarin hij zijn zelfmoord motiveerde als een poging om de tegenstellingen binnen het Nederlandse volk te helpen verzoenen, heeft hij op waardige wijze zijn spijt betuigd over zijn daden uit de bezettingstijd, welker misdadigheid hij 'in de eenzaamheid der cel' was gaan inzien ('Het is alsof ik uit een droom ontwaakt ben').

Van Genechten was een intellectueel zeer begaafd man, die echter te onevenwichtig van karakter en te onbeheerst van temperament was om die posities te verwerven, waarvoor hij qua intellectuele gaven geschikt zou zijn geweest. Niet in staat of bereid om de oorzaak van zijn frustraties bij zichzelf te zoeken, koesterde hij een heftig ressentiment tegen lieden, die maatschappelijk beter wisten te slagen; op zijn politieke ontwikkelingsgang heeft dat ressentiment stellig grote invloed gehad. Anderzijds maakte zijn karakter hem ongeschikt voor het intrigeren en manoeuvreren, dat nodig was voor wie in nazi-Duitsland en zijn bezette gebieden politiek omhoog wilde komen. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat zijn politieke rol tijdens de bezetting kort geduurd heeft.

P: Behalve de reeds genoemde: Beginselen der geldtheorie (Leiden, [1933]); Der Kapitalismus in den Niederlanden (Lübeck, 1942); Voorts talrijke tijdschriftartikelen en brochures.

L: Van Genechten (Amsterdam, [1946]). Bronnenpublicaties [van het] Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Processen: 2; I. Schöffer, Het nationaal-socialistische beeld van de geschiedenis der Nederlanden (Arnhem [enz., 1956]).

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 66984 [Genechten in juli 1941].

A.A.de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013