Gosses, Izaak Hendrik (1873-1940)

 
English | Nederlands

GOSSES, Izaak Hendrik (1873-1940)

Gosses, Izaak Hendrik, historicus (Dokkum 9-1-1873 - Groningen 23-1-1940). Zoon van Sjoerd Gosses, hoofdonderwijzer, en Doetje Poutsma. Gehuwd sinds 4-11-1902 met Jacoba Keij. Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren. afbeelding van Gosses, Izaak Hendrik

Gosses bezocht na de lagere school enige maanden de normaalschool te Dokkum en vervolgens het gymnasium te Leeuwarden. Na zijn eindexamen in 1893 liet hij zich inschrijven als student in de nieuwe letteren te Leiden en maakte nog juist R. Fruin mee in het laatste jaar van diens hoogleraarschap. In zijn verdere studietijd was P.J. Blok zijn voornaamste leermeester. Na het doctoraal examen in 1897 kreeg Gosses een stipendium voor enige semesters aan de universiteiten van Marburg en Wenen (1898-1899), waar grondige kennis werd opgedaan van de 'Wirtschaftsgeschichte'. Terug in Nederland was hij eerst tijdelijk leraar te Venlo (1899-1900) en 's-Gravenhage (1900-1902) en vervolgens leraar in vaste dienst aan de Ie gemeentelijke HBS met 5-j.c. te Amsterdam (1902-1915). In 1903 volgde zijn promotie cum laude bij P.J. Blok op een proefschrift Stadsbezit in grond en water gedurende de Middeleeuwen. Een historisch-oeconomische beschouwing. Als druk bezet leraar publiceerde hij in de volgende jaren slechts een klein aantal artikelen, vooral in Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde; hiervan verscheen ook afzonderlijk De vorming van het graafschap Holland (1915). Eind 1908 toegelaten als privaat-docent voor paleografie en diplomatiek aan de Universiteit van Amsterdam, opende hij zijn lessen met een rede over 'Karakter en studie van de geschiedenis der Middeleeuwen' (in Onze Eeuw 10 (1910) I, 206-232). Na het vertrek van J. Huizinga naar Leiden werd Gosses diens opvolger als hoog leraar in de algemene en vaderlandse geschiedenis te Groningen en aanvaardde zijn ambt met een oratie Van veete en oorlog (1915). Het spreken in het algemeen en het college geven in het bijzonder viel hem niet gemakkelijk. Veel beter drukte hij zich schriftelijk uit in zijn misschien niet meeslepende, maar wel kernachtige en beeldende stijl. Zijn belangstelling richtte zich op beperkte gebieden, met name de rechtsgeschiedenis en de geschiedenis van Friesland. Belangrijke studies van zijn hand waren De rechterlijke organisatie van Zeeland in de Middeleeuwen (1917) en Welgeborenen en huislieden. Onderzoekingen over standen en staat in het graafschap Holland (1926). Met N. Japikse publiceerde hij het Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland (1920; 2e herz. dr. 1927), waarvan de inleiding en het gedeelte tot 1568 door hem werd geschreven. Hij gaf een vrij volledig overzicht van de geschiedenis van het landsheerlijke tijdvak, maar zorgde er bovendien voor in de gecompliceerde materie hoofdlijnen te trekken en vast te houden; van bijzonder belang was zijn beschrijving van de staats- en rechtsinstellingen omstreeks 1300. Het valt op dat Gosses zich geheel zelfstandig, los van de 'Utrechtse school' van O. Oppermann, ontwikkelde tot mediaevist; hij gaf ook blijk van een ruimere instelling door aandacht te schenken aan economisch- en cultuurhistorische problemen. In het najaar van 1928 hoopte Gosses op verlichting van zijn taak door het aantrekken van de Groninger Universiteitsbibliothecaris J.S. Theissen als buitengewoon hoogleraar voor de nieuwe geschiedenis, toen eindelijk de toezegging afkwam had Theissen reeds een functie te Amsterdam aanvaard.

Van 1923 tot 1939 was Gosses bestuurslid van het Historisch Genootschap, van 1928 tot 1937 redactielid van de Nomina Geographica Neerlandica. In 1922 volgde zijn benoeming tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, in wier Mededelingen... enige belangrijke studies over Friese geschiedenis het licht zagen. Het in 1932 verleende eredoctoraat in de rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam werd door hem als een grote eer beschouwd.

Gosses was geen allemansvriend, had iets gereserveerds en stroefs in zijn optreden; degenen die hem beter kenden wisten echter met een zachtmoedig, eerlijk en onzelfzuchtig man te maken te hebben. Hij was een onvermoeibare werker die slechts weinig eisen aan het leven stelde. Zijn vrije tijd vulde hij met muziekbeoefening en zijn gezinsleven dat hem boven alles ging. De onverwachte dood van zijn echtgenote op 22 januari 1937 trof hem als een zware slag, kort hierna werd hij zelf ernstig ziek. Er trad een kortstondig herstel op, doch na een beenbreuk ging zijn gezondheidstoestand zo achteruit, dat een vervroegd emeritaat in 1939 moest volgen; na een jaar van hevig lijden overleed hij. Postuum verscheen De organisatie van bestuur en rechtspraak in de Landschap Drente (tot den tijd der Republiek) (1941): in 1946 bezorgden F. Gosses en J.F. Niermeyer de heruitgave van een aantal van zijn belangrijkste publikaties in Verspreide Geschriften.

P: 'Bibliographie', in I.H. Gosses, Verspreide Geschriften. Bezorgd door F. Gosses en J.F. Niermeyer (Groningen [enz.], 1946) 533-535.

L: C.W. van der Pot, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen 1939-1940, 225-241; M. Hartgerink-Koomans, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1939-1940. Levensberichten 20-33; J.W. Berkelbach van der Sprenkel, in Tijdschrift voor Geschiedenis 55 (1940) 111; F. Jansonius, 'De stijl van de historicus I.H. Gosses', in Levende Talen 1954, 491-493.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 546.

S.B.J. Zilverberg


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013