Graaff, Herman Hendrik Albert de (1903-1972)

 
English | Nederlands

GRAAFF, Herman Hendrik Albert de (1903-1972)

Graaff, Herman Hendrik Albert de, militair en rechtsgeleerde (Amsterdam 27-1-1903 - Goslar (D.) 5-7-1972). Zoon van Hendrik Albert de Graaff, majoor bij de infanterie O.-I. leger, en Maria Lilly Luciela Henriette Donker Curtius. Gehuwd op 28-11-1932 met Erna Hermine Berghuis. Uit dit huwelijk werden 3 zonen en 2 dochters geboren.

De Graaff bezocht van 1914 tot 1918 de HBS te Amsterdam, deed in 1919 staatsexamen Grieks en Latijn en volgde enkele colleges in de exacte vakken aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna werd hij cadet bij de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Als zeventienjarige verbond hij zich op 10-2-1920 als gewoon vrijwilliger bij de vrijwillige landstorm te Amsterdam. Na zijn opleiding aan de KMA werd hij bij KB van 31 juli 1923 no 30 benoemd tot tweede luitenant en aangesteld bij het regiment vestingartillerie. Reeds spoedig traden zijn grote gaven als instructeur bij het militair onderwijs in het wapen der artillerie aan het licht. Dat de wetenschap hem belang inboezemde blijkt uit het feit, dat hij zich in 1925 als extraneus aan de Leidse Universiteit liet inschrijven; in 1932 beëindigde hij zijn juridische studie door het afleggen van het doctoraal examen. Van 1924 tot 1932 werkte hij bij de topografische dienst te 's-Gravenhage. In 1927 werd hij eerste luitenant. Tot 1940 diende hij als beroepsofficier bij het wapen der artillerie; vanaf 1942 verbleef hij als krijgsgevangene in kampen in Duitsland en Polen, waar hij o.m. dienst deed als diaken tijdens de kerkdiensten van de legerpredikant, colleges in het militaire recht gaf en daarin, met toestemming van de Universiteit van Leiden, examens afnam. Na in 1949 eervol de dienst verlaten te hebben, werd hij president van de krijgsraad te Arnhem (tot 1960). Tot zijn andere militair-juridische functies behoren die van hoofd van de sectie Juridische Zaken bij het hoofdkwartier van de generale staf en van directeur van de Militair Juridische Dienst (MJD). Van dit laatste dienstvak kan hij de oprichter worden genoemd (in 1949). In 1962 werd hem de titulaire rang van Brigade-Generaal van de MJD toegekend.

In 1951 schreef hij de alom in de krijgsmacht bekende en hooggewaardeerde Handleiding Militair Recht, een jaar nadat hij aan de Leidse Universiteit was benoemd tot privaatdocent in het militair straf- en tuchtrecht. Hij aanvaardde zijn ambt met een openbare les, getiteld De militaire rechter en zijn onafhankelijkheid. In 1957 promoveerde hij te Leiden cum laude op het proefschrift De Militair-Rechterlijke Organisatie en haar verband met de bevelsverhoudingen bij de Landmacht, 1795-1955, waaruit zijn grote belangstelling voor de geschiedenis blijkt. In hetzelfde jaar werd hij benoemd tot lector in het militaire straf- en tuchtrecht aan de Universiteit van Amsterdam (openbare les: Een reïntroductie), welke opdracht in 1960 werd uitgebreid tot het geven van onderwijs in het commune strafrecht en strafprocesrecht. In 1963 werd hij tevens tot lector in het militaire straf- en tuchtrecht te Leiden benoemd. Op 11 oktober 1971 aanvaardde hij het ambt van bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam vanwege de Koninklijke Vereniging ter beoefening van de Krijgswetenschap met een oratie getiteld Een Grensverkenning. Hij was rechtsgeleerd lid van het Hoog Militair Gerechtshof en raadsheer-plaatsvervanger in het gerechtshof te Arnhem vanaf 1963. Als persoonlijk adviseur van de minister werkte hij mee aan het tot stand komen van de wijziging van de militaire rechtspleging in 1965. Met name bestudeerde hij de systemen van het militaire tuchtrecht in het buitenland. Ook adviseerde hij de commissie-Lagerwerf bij het opstellen van de nota herziening militair tuchtrecht. In de kring van de Société internationale de droit pénal militaire et de droit de la guerre heeft hij een belangrijke rol gespeeld. In 1966 werd hij benoemd tot voorzitter van een werkgroep voor militaire rechts- en tuchtgeschiedems van deze Société. De generaal De Graaff was een innemende persoonlijkheid, trouw in zijn vele vriendschappen. Dat zijn hart hem vele malen waarschuwde zich in zijn bezigheden te beperken en zijn hoge levenstempo te matigen, verdroot hem zeer. Hij overleed tijdens een vakantiereis in Duitsland te Goslar.

P: Behalve de reeds genoemde werken: Strafuitsluitingsgronden in het militaire straf- en tuchtrecht, preadvies uitgebracht voor de Militair-rechtelijke Vereniging in 1937; vele artikelen in o.m. het Militair-Rechtelijk Tijdschrift, het Nederlands Juristenblad, Militaire Spectator, Tijdschrift voor Strafrecht, Mavors, Revue de droit pénal militaire et de droit de la guerre, een zestal publikaties in De Tijd (1958) onder de titel 'Het militaire recht op de helling' en een bijdrage aan de Recueil d'études en hommage à J.M. van Bemmelen, getiteld 'Conséquences of International Military Co-Operation'.

L: W. Kasten, in Militair-Rechtelijk Tijdschrift 65 (1972) 445 en in de Revue de droit pénal militaire et de droit de la guerre 2 (1972) 363-364; J. van Waning, in Ons Wapen 18 (1972) 6 (26 augustus) 250.

W.M. Peletier


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013