Gulik, Robbert Hans van (1910-1967)

 
English | Nederlands

GULIK, Robbert Hans van (1910-1967)

Gulik, Robbert Hans van (Robert), diplomaat en sinoloog (Zutphen 9-8-1910 - 's-Gravenhage 24-9-1967). Zoon van Willem Jacobus van Gulik, officier van gezondheid in het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger, en Bertha de Ruiter. Gehuwd sinds 18-12-1943 met de Chinese diplomatendochter Shui Shih Fang (Frances). Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Gulik, Robbert Hans van

Van Gulik bracht zijn kindertijd door in Nederlands-Indië, waar zijn diepgaande interesse voor de oosterse culturen een oorsprong nam. Reeds tijdens zijn gymnasiumtijd te Nijmegen nam hij les in Sanskriet en Chinees, welke studie hij samen met die van het Japans eerst te Leiden en later te Utrecht voortzette. Tevens werd door hem het kandidaatsexamen in het recht en de staatsinrichting van Nederlands-Indië afgelegd. Op 24-jarige leeftijd promoveerde hij cum laude op een proefschrift over Hayagriva. The mantrayanic aspect of horse-cult in China and Japan (1935). Eerder reeds waren van zijn hand een aantal artikelen verschenen waaruit een romantische bewondering voor de Chinese lyriek bleek, terwijl zijn contact met de befaamde taalgeleerde dr. C.C. Uhlenbeck in 1930 had geresulteerd in een gezamenlijke uitgave van een woordenboek van de taal der Zwartvoet-indianen. In 1932 was bovendien zijn vertaling uit het Sanskriet van een Indisch toneelstuk, Urvaçî, uitgekomen.

In 1935 in dienst getreden van het ministerie van Buitenlandse Zaken maakte hij als diplomaat snel carrière. Na tot 1942 te Tokio werkzaam te zijn geweest, kwam hij na een kort verblijf in Oost-Afrika in de Chinese oorlogshoofdstad Chungking terecht. Van 1946 tot 1947 werkte hij in Den Haag, vervolgens tot 1948 in Washington. Van 1948 tot 1951 was hij politiek adviseur van de Nederlandse Militaire Missie te Tokio, vervolgens tot 1953 ambassade-raad te New Delhi. Van 1954 tot 1956 werkte hij wederom in Den Haag om in het laatste jaar als gezant naar Beiroet te worden gezonden. In 1959 werd hij benoemd tot buitengewoon gezant, later tot ambassadeur te Kuala Lumpur. Na verdere werkzaamheid op het ministerie in Den Haag volgde in 1965 ten slotte de benoeming tot ambassadeur te Tokio. Hij overleed op ziekteverlof in Nederland.

Als sinoloog richtte hij zijn aandacht voornamelijk op een aantal gebieden die traditioneel tot de sfeer van de Chinese ambtenaar-geleerde behoorden. Studies over Chinese inktstenen, schilderkunst en muziek legden daar getuigenis van af. Ook zelf ontwikkelde hij zich tot een Chinees kalligraaf en bespeler van de ch'in of Chinese luit, terwijl hij tevens optrad als kunstverzamelaar. Andere publikaties behandelden de Chinees-Japanse verhoudingen, alsmede een geschiedenis van de Sanskriet-studie in China en Japan. Nieuwe wegen in de sinologie werden betreden met zijn bestudering van Chinese erotica. Door zijn voorliefde voor deze 'randgebieden' gold hij onder sinologen wel als een geniale amateur; zijn vakmanschap vond o.a. erkenning in zijn benoeming tot lid van de Kon. Ned. Akademie van Wetenschappen en een hoogleraarschap te Kuala Lumpur.

Bij een groter publiek werd hij bekend door zijn veelvuldig vertaalde rechter Tie romans, die in een authentieke sfeer de werkzaamheden van een oude Chinese speurder beschrijven. In deze romans kwam ook sterk Van Guliks eigen levenshouding naar voren, die er een was van geresigneerde aanvaarding van het nieuwe gepaard aan een sterke voorliefde voor het oude. Rechter Tie, onkreukbaar, plichtsgetrouw ambtenaar en geleerde, belichaamde daarbij een ideale figuur met wie hij zich vereenzelvigde tot een punt waarop hij zeggen kon, 'rechter Tie ben ik'.

P: Bibliography of dr. R.H. van Gulik (D. Litt.). Comp. for the benefit of the Boston University libraries - Mugar Memorial Library 'Robert van Gulik collection'. [S.l, c. 1970]. Zie ook de bibliografie in het hierna te noemen art. van Hulsewé in T'oung Pao.

L: R. Bulthuis, 'Meer dan speelse ontspanning in Van Gulik's schrijverschap', in Haagsche Courant, 7-12-1963; L.J. Capit, 'Minstens drie ikken', in Panorama 51 (1964) 9 (23-29 febr.); A.F.P. Hulsewé, in T'oung Pao 54 (1968) 116-124; J. Roggendorf, in Monumenta Nipponica 23 (1968) I-VII; C.C. Berg en A.F.P. Hulsewé, 'Herdenking van T.S. Tjan, R.H. van Gulik en A.D.A. de Kat Angelino', in Jaarboek der Kon. Ned. Akademie van Wetenschappen 1969-1970, 290-292.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1969-1970 (Amsterdam 1970) afbeelding tegenover pagina 287.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013