Haighton, Coenraad Alfred Augustus (1896-1943)

 
English | Nederlands

HAIGHTON, Coenraad Alfred Augustus (1896-1943)

Haighton, Coenraad Alfred Augustus, publicist en politicus (Rotterdam 26-10-1896 - Beekbergen, gem. Apeldoorn 13-4-1943). Zoon van Johannes Gerard Haighton, boekhouder, en Louisa Mathilda de Haas. Viermaal gehuwd: op 26-1-1923 met Maria Gerhardina Reintjes (gescheiden 21-3-1930); op 24-6-1930 met Johanna Hermina van Nooten (overleden 20-7-1935); op 6-11-1937 met Berta Speigl (overleden 17-10-1941); op 23-1-1942 met Adela Maria Boode. Uit deze huwelijken waren geen kinderen. afbeelding van Haighton, Coenraad Alfred Augustus

Zijn vader, die eerst boekhouder was op een cargadoorskantoor in Rotterdam en vanaf 1900 op een bank in Den Haag - de stad, waar Alfred opgroeide en onderwijs ontving - was een vindingrijk man: hij bedacht een systeem van verzekering tegen nieten in de staatsloterij (een vernuftige ontduiking van de Loterijwet); op basis daarvan werd op 9 juli 1902 in Den Haag de N.V. De Eerste Nederlandsche Maatschappij tot Verzekering van Risico in Loterijen (Lotisico) opgericht met Haighton sr. als directeur. Ondanks herhaalde conflicten met de justitie werd de onderneming een financieel succes en toen J.G. Haighton op 27 mei 1919 overleed, was hij schatrijk.

De toen 22-jarige Alfred volgde op 24 juni 1919 zijn vader op als directeur van Lotisico. Het werk lag hem echter niet en in juni 1921 werd hij op zijn verzoek niet herbenoemd als directeur, doch tot commissaris gekozen. Sedertdien leidde hij, dank zij het van zijn vader geërfde vermogen, een leven zonder beroep en geheel gewijd aan zijn hobbies: literatuur, politiek en buitenlandse reizen.

In de literatuur probeerde hij van alles: hij schreef een roman en gedichten, maar zijn voornaamste genre werd het essay; zonder echte literaire gaven, maar redelijk journalist, wist hij goed leesbare essays te schrijven, al irriteerde hij daarin door zijn egocentrisch subjectivisme en de eenzijdigheid, waarmee hij zijn stokpaardjes bereed: verguizing van Multatuli, verheerlijking van de Tachtigers,' bewondering voor het fascisme etc.

Tijdens een verblijf in Amerika verwierf hij in 1926 aan de America University te Los Angeles de doctorstitel op een ongepubliceerde dissertatie over Schopenhauer. Sedertdien noemde hij zich 'dr. Haighton', tot spot van zijn kennissen, die aannamen, dat hij zijn titel eenvoudig gekocht had. Van 1928 tot 1933 was hij redacteur van het oude maandblad Nederland; verzameling van oorspronkelijke bijdragen op het gebied van letterkunde en beeldende kunst. Ook werkte hij mee aan De Nieuwe Gids; met Willem Kloos raakte hij bevriend.

Haightons voornaamste betekenis ligt echter niet op literair, maar op politiek gebied: al jong fel anti-democraat en autoritair nationalist, inspireerde Mussolini's machtsgreep hem tot het oprichten van de eerste fascistische partij in Nederland: samen met o.a. H.A. Sinclair de Rochemont stichtte hij in december 1922 het Verbond van Actualisten (VVA); met zijn geld verscheen vanaf september 1924 het weekblad van het VVA, De Vaderlander.

In de geschiedenis van het vroege Nederlandse fascisme heeft niet alleen Haightons geld, maar ook zijn karakter een grote rol gespeeld: hij was twistziek en ziekelijk achterdochtig en door hem opgerichte organisaties brak hij later weer af door zijn ruzies. Zo scheurde al in 1926 het VVA in tweeën. Van het restant trok Haighton zijn handen weldra af om zijn geld te steken in een nieuwe fascistische onderneming: het weekblad De Bezem, dat meer op de 'gewone man' mikte dan De Vaderlander en waaromheen zich in 1931 de Fascistenbond De Bezem vormde. De economische crisis blies deze bond de wind in de zeilen, maar in 1932 scheurde hij uiteen door ruzie tussen Haighton en de voornaamste spreker van de bond, de Amsterdamse marktkoopman Jan Baars; het gros van de leden volgde Baars in een nieuwe organisatie (de ANFB) en met een zeer klein groepje zette Haighton De Bezem voort.

In het voorjaar van 1933 kwam er in Haightons politieke evolutie een beslissend punt: zijn overgang tot het antisemitisme, dat vanaf die tijd de kern van zijn politieke 'overtuiging' vormde en waarvan hij in zijn geschriften op de meest agressieve en inhumane wijze getuigenis heeft afgelegd. Eind april 1933 liet hij zijn groep opgaan in de Nationaal-Socialistische Nederlandsche Arbeiderspartij (NSNAP) van A. Smit; zelf werd hij 'rijksleider' van dit partijtje, Smit werd redacteur van De Bezem. Persoonlijke ruzies deden zich ook nu weer voor en in oktober 1933 droeg Haighton de leiding van de partij aan een zekere A.F. Schouten over en ging op reis. Pas op 18 mei 1935 liet hij zich in de politiek weer horen, toen hij in een laatste nummer van De Bezem meedeelde, dat hij was toegetreden tot Zwart Front van Arnold Meijer.

Zwart Front, met zijn 'proletarische' sfeer en zijn antisemitisme, lag hem goed. Hij werkte mee aan het weekblad Z wart Front en schreef op Meijers verzoek een in 1937 uitgekomen boek Waarheen voert Mussert? (Oisterwijk, 1937), waarin hij een Duitse aanval op Nederland en een toekomstige vazallenrol daarbij van de NSB voorspelde. Met de omzetting (begin 1940) van Zwart Front in het meer 'salonfähige' Nationaal Front was hij verre van gelukkig, al bleef hij nog meedoen.

Na de meidagen van 1940 raakte hij politiek weer op drift: het geestdriftige besef, dat zijn oude fascistische en antisemitische wensen vervuld gingen worden, was sterker dan zijn patriottisme; hij liet zijn anti-Duitse houding varen en werd een vurig pleiter voor de rassenleer (tot dan toe was zijn antisemitisme niet racistisch, maar cultureel gefundeerd geweest). Nationaal Front was hem nu veel te slap. In juli 1940 verliet hij deze beweging en trad toe tot de NSNAP van majoor Kruyt, maar na een onderhoud met Arnold Meijer kwam hij op beide besluiten terug; niet voor lang: op 31 oktober 1940 stapte hij definitief uit Nationaal Front. In een brochure Arnold Meyer's maskerade (Amsterdam, 1940) rekende hij af met zijn vroegere leider, die z.i. de weg van verburgerlijking en reactie was opgegaan.

Een politieke rol heeft Haighton daarna nog alleen gespeeld in De Nieuwe Gids, waarvan hij in juni 1938 (na de dood van Kloos) hoofdredacteur was geworden. Zijn geld hield het blad draaiende en daardoor kon hij ook de koers bepalen: pro-Duits, racistisch en antisemitisch. Stuitend zijn vooral zijn boekbesprekingen, waarin hij de bezetter tot scherpere maatregelen aanspoorde (zo bijv. in De Nieuwe Gids 1941, blz. 261, n.a.v. het boek Echtscheiden van Benno Stokvis; 'Het wordt hoog tijd, ook hier te lande den jood te verbieden, zich door woord, geschrift of daad met onze aangelegenheden te bemoeien'.) Zijn plotselinge dood in 1943 betekende tevens het einde van De Nieuwe Gids.

Haightons optreden werd zoals reeds eerder vermeld gekenmerkt door twistziekte, achterdocht en streven naar macht-achter-de-schermen. Naast aangeboren karaktertrekken heeft zich daarin ook een sociaal minderwaardigheidscomplex doen gelden, nl. het feit, dat hij ondanks zijn rijkdom niet door de 'high society' geaccepteerd werd; ook een gevoel van lichamelijke inferioriteit (hij was mank) moet hebben meegespeeld.

A: Archief-Haighton in Rijksarchief in Noord-Brabant met inventaris van J. Vriens.

P: Behalve de reeds genoemde: Systematisch overzicht ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van de N.V. "De Eerste Nederlandsche Maatschappij tot Verzekering van Risico in Loterijen" op 9 juli 1922. (Rotterdam, 1922); Verzen (Leiden, 1926); Successie (roman) (Leiden, 1927); Roode leugens over Italië of de laster van Pietro Nenni (1ste dr. Leiden, 1932). Verder talrijke tijdschriftartikelelen in o.a. Nederland, De Nieuwe Gids, De Bezem en Zwart Front.

L: I. Schöffer, Het nationaal-socialistische beeld van de geschiedenis der Nederlanden (Arnhem [enz.], 1956); L.M.H. Joosten, Katholieken en fascisme in Nederland, 1920-1940 (Hilversum [enz.], 1964); A.A. de Jonge, Crisis en critiek der democratie (Assen, 1968); W. Zaal, De Nederlandse fascisten (Amsterdam, 1973).

I: G.J.G. de Gier, Alfred Haighton. Financier van het fascisme (Amsterdam 1988) omslagfoto.

A.A. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013