Hamaker, Hendrik Jacobus (1844-1911)

 
English | Nederlands

HAMAKER, Hendrik Jacobus (1844-1911)

Hamaker, Hendrik Jacobus, jurist (Hilversum 16-9-1844 - Utrecht 2-3-1911). Zoon van Hendrik Gerard Hamaker, litterator, en Cornelia Anna van Vloten. Gehuwd op 27-7-1871 met Maria Brooshooft. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Hamaker, Hendrik Jacobus

Hamaker had zijn schooljaren doorgebracht te Katwijk, waarheen zijn ouders reeds in 1845 verhuisd waren. Daar kreeg hij ook privaatlessen - van zijn vader onderwijs in de Latijnse taal - totdat het gezin zich in 1858 te Leiden vestigde, waar hij sindsdien het gymnasium bezocht en zich in 1863 als student deed inschrijven aan de Universiteit. Na voltooiing van zijn juridische studie te Leiden in 1870 met een dissertatie De historische school in de staathuishoudkunde (1870) was hij daar ongeveer tien jaar werkzaam als advocaat en repetitor. Op 28 september 1877 volgde zijn benoeming tot hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht om onderwijs te geven in handelsrecht, rechtsencyclopedie en het door hem als nieuw studievak te introduceren internationaal privaatrecht. Zijn voorkeur voor dit laatste toonde hij door de oratie, waarmede hij op 12 december 1877 zijn ambt aanvaardde, getiteld Aard en doel van het internationaal privaatrecht (1878), waarvan ook een Duitse vertaling verscheen. Niet alleen uit enige tijdschriftartikelen bleek zijn gezag op dit gebied, maar ook uit zijn in 1885 voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging uitgebracht preadvies Behoort uitlevering van eigen onderdanen verboden te zijn? Zoo ja, moet dit verbod in de Grondwet worden uitgedrukt? en door zijn voordrachten voor het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen op 26 juni 1883 'Beschouwingen over en naar aanleiding van Hugo de Groots Jus belli ac pacis' en op 2 juli 1890 over 'De organisatie der menschheid'. In plaats van handelsrecht doceerde hij sinds 1878 burgerlijke rechtsvordering en sinds 1885 burgerlijk recht; in 1905 droeg hij het onderwijs in de rechtsencyclopedie over aan prof. D.G. Rengers Hora Siccema. Hij maakte deel uit van de in 1887 ingestelde staatscommissie tot voortzetting van de herziening van het Burgerlijk Wetboek en van 1895 tot 1904 was hij lid van de redactie van het Weekblad voor privaatrecht, notaris-ambt en registratie (WPNR). Als rector magnificus van de Utrechtse Universiteit sprak hij op 26 maart 1884 zijn beroemde diesrede uit Dogmatische en empirische rechts-beschouwing, waarmede hij als eerste de rechtssociologie in Nederland introduceerde. Zijn denkbeelden hierover werkte hij nadien uit in zijn boek Het recht en de maatschappij (1888) en in verscheidene artikelen.

Deze 'levenverwekkende geest' (Paul Schölten), die grote wijsgerige diepgang en verfrissende originaliteit paarde aan een glasheldere betoogtrant, had echter als kind van de 19de eeuw omtrent recht en moraal een natuurwetenschappelijke opvatting, die thans ten enen male wordt verworpen. Tegenover de louter dogmatische leer, die hij aan de kaak stelde, plaatste hij de door hem ontwikkelde 'historisch-positieve' opvatting, waarin hij leerde dat het positieve recht bestaat in het rechtsbewustzijn van de mensen. Recht en moraal waren volgens hem geen begrippen van wat behoort te zijn, maar de samenvatting van hetgeen men pleegt te doen, geen normatieve begrippen, maar empirische zijnsverschijnselen. Lerend dat alle menselijke handelingen door de wetten van de causaliteit worden geregeerd, ontkende hij dat de mens verantwoordelijk kon zijn voor zijn daden. Hieraan verbond hij de strafrechtelijke opvatting, dat niettemin de misdaad door de straf moet worden gevolgd, omdat de misdadiger daardoor een ervaring rijker wordt die hem tot een ander en hopelijk beter mens maakt. Hoewel hij grote waardering had voor de historische school, benaderde hij deze leer van zijn historisch-positivistische overtuiging uit, zodat hij door anderen vaak voor een bestrijder van die leer werd gehouden. Voorts overdreef hij de betekenis van de rechtssociologie doordat hij deze wilde voorstellen als de rechtswetenschap bij uitstek. Ondanks de algemene afwijzing van zijn standpunt, wordt hij toch gewaardeerd als een dynamisch bemiddelaar tussen oude en nieuwe opvattingen.

P: Zie behalve de reeds genoemde werken H.J. Hamaker, Verspreide geschriften. Verz. door W.L.P.A. Molengraaff en C.W. Star Busmann (Haarlem, 1911-1913. 7 dln. in 6 bdn.).

L: Rechtsgeleerd Magazijn 30 (1911) 380-383; S.J. Fockema Andreae, in Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1911, 79-104; D. Simons, in Utrechtsche Studenten Almanak voor 1912, 425-430; W.L.P.A. Molengraaff, in Utrechts Jaarboekje 71 (1912) III-X; P. van Heijnsbergen. Geschiedenis der rechtswetenschap in Nederland (Amsterdam, 1925) 202-205; P. Scholten, in Mr. C. Asser's Handleiding tot de beoefening van het Nederlandsch burgerlijk recht. Algemeen deel 2e dr. (Zwolle, 1934) 245-246; J.H.W. Verzijl, in De Utrechtsche Universiteit 1636-1936 (Utrecht, 1936) II, 185-214; W.J.A.J. Duynstee, Geschiedenis van het natuurrecht en de wijsbegeerte van het recht in Nederland (Amsterdam, 1940) 66, 68, 79, 85-86. [= Geschiedenis der Nederlandsche rechtswetenschap. II: l]; J. Valkhoff, Rechtssociologische elementen in de Nederlandse rechtswetenschap van de XIXde eeuw (Haarlem, 1955) 19-20, 90-105; G.E. Langemeijer, De wijsbegeerte des rechts en de encyclopaedie der rechtswetenschap sedert 1880 [Amsterdam, 1963] 15-23; 84-85. [= Geschiedenis der Nederlandsche rechtswetenschap: 6].

I: Beroep op de wetenschap. Utrechtse geleerden tussen universiteit en samenleving 1850-1940. Onder red. van L.J. Dorsman (Utrecht, 1999) 104.

F. Doeleman


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013