Hamel, Gerardus Antonius van (1842-1917)

 
English | Nederlands

HAMEL, Gerardus Antonius van (1842-1917)

Hamel, Gerardus Antonius van, strafrechtsgeleerde (Haarlem 17-1-1842 - Amsterdam 1-3-1917). Zoon van Joost Adriaan van Hamel, Waals predikant, en Gesina Celia Gerarda Ramaer. Gehuwd op 1-2-1877 met Maria s'Jacob. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. afbeelding van Hamel, Gerardus Antonius van

Van Hamel studeerde eerst in Groningen, later in Leiden, waar hij in 1865 promoveerde op het proefschrift De nietigheid van den verkoop van eens anders goed (1865). Hij was achtereenvolgens advocaat en rechter-plaatsvervanger te Leiden, substituut-officier van justitie te Heerenveen en Rotterdam; in 1878 werd hij benoemd tot 'rechtskundig adviseur' aan het departement van Oorlog. In 1880 stonden hij en J. Domela Nieuwenhuis kandidaat voor een benoeming tot hoogleraar in de Strafvordering, het Strafrecht en de Wijsbegeerte van het recht aan de Universiteit van Amsterdam. Daar men geen keuze kon maken, moest het lot beslissen: het wees Van Hamel aan. Zijn oratie op 24 september 1880 droeg als titel De grenzen der heerschappij van het strafrecht (1880). Hij was rector magnificus van 1890 tot 1891. Ook op politiek terrein was hij actief; hij was jarenlang hoofdbestuurslid en voorzitter van de Liberale Unie, voor welke partij hij in 1892 in de Provinciale Staten van Noord-Holland kwam. De portefeuille voor Justitie, hem aangeboden in 1905, weigerde hij. Sedert 1909 was hij lid van de Tweede Kamer voor de Liberale Unie, hij heeft dit ambt tot zijn dood toe vervuld. In 1910 trad hij af als hoogleraar, zijn oudste zoon, Joost Adriaan volgde hem op.

Hoewel zijn dissertatie een privaatrechtelijk onderwerp behandelde, is hij helemaal de kant van het strafrecht opgegaan. Onder zijn publikaties zijn er maar enkele die een strafprocesrechtelijk onderwerp behandelen. Hij was een vruchtbaar en briljant schrijver, meer nog een briljant spreker, waartoe zijn gaven voor muziek en toneel, zijn litteraire belangstelling en zijn mooie stem hem schenen voor te beschikken. In 1870 deed hij in De Gids verslag van een vergadering van de Deutsche Juristentag; hij besloot het verslag met een warm pleidooi voor het oprichten van een Nederlandse Juristenvereniging. Zij werd inderdaad dat zelfde jaar opgericht en hij was daarin jarenlang de stuwende kracht. Hij was medeoprichter van het Tijdschrift voor Strafrecht, dat in september 1886, toen het nieuwe Wetboek van Strafrecht van kracht werd, voor het eerst verscheen. Als aanhanger van de Italiaanse School was hij er stellig van overtuigd dat in de strijd tegen de misdaad nieuwe wegen gezocht moesten worden en dat men andere methoden zou moeten volgen. Hij vond een groot vriend en geestverwant in Franz von Liszt, hoogleraar te Marburg; samen met hem en de Belgische hoogleraar Ad. Prins richtte hij in 1889 de Internationale Kriminalistische Vereinigung op. Kernpunt van haar doelstellingen was: de consequenties, die voortvloeiden uit de overtuiging, dat misdaad en straf zowel uit sociologisch als uit juridisch oogpunt moesten worden bezien, in wetenschap en wetgeving te doen huldigen. De Eerste Wereldoorlog maakte een eind aan het bestaan van de vereniging. Eveneens aan het initiatief van Van Hamel zijn te danken de oprichting van de vereniging Pro Juventute in 1896 en in 1907 het Psychiatrisch-Juridisch Gezelschap, waarvan hij tot 1915 voorzitter was.

In de dertig jaar van zijn hoogleraarschap heeft hij een onvoorstelbaar grote activiteit weten te ontplooien. Hij was een begenadigd docent en zette zich met hart en ziel in voor de algemene vorming van zijn studenten. Vooral hieraan is het te danken dat al in 1889, drie jaar na de invoering van het Wetboek van Strafrecht, zijn Inleiding tot de studie van het Nederlandsche strafrecht verscheen. Dit werk, nog steeds van onschatbare waarde als bron voor de bestudering van de geschiedenis van het strafrecht, beleefde vier drukken. In deze periode schreef hij bovendien tal van artikelen en preadviezen; de meeste zijn te vinden in de twee bundels Verspreide Opstellen, hem in 1912 bij zijn zeventigste verjaardag aangeboden. Op vele congressen en manifestaties in het buitenland was hij als Nederlands gedelegeerde aanwezig. Zijn grote talenkennis en zijn innemende persoonlijkheid stelden hem in staat veel belangrijke internationale contacten te leggen. Als geen ander in Europa was hij op de hoogte van de ontwikkelingen op strafrechtelijk gebied en de stand van de wetgeving in velerlei landen, tot Japan toe. Van Hamel, aanvankelijk een geestverwant van A.E.J. Modderman, die tot de neo-klassieke richting gerekend kan worden, distantieerde zich later van diens opvattingen. Zijn definitieve keuze voor de Nieuwe Richting dateert van 1884. Een beginselverklaring daaromtrent treft men aan in zijn rectorale rede van 1890: De tegenwoordige beweging op het gebied van het strafrecht (1891). Hij zag een groot gevaar in het dogmatisme in de strafwetenschap: het delict is niet iets juridisch, maar vóór alles iets menselijks; de betekenis van de misdaad is vooral een antropologische en sociale. Over de straf zegt hij: straf is een noodzakelijk middel ter handhaving van de rechtsorde; zij is vergeldend, niet als grondslag, maar wel als noodzakelijk gevolg; de ideale straf omvat vooral de zorg voor de hogere en zedelijke belangen van de dader. Hij was voorstander van een speciale preventie gericht op verbetering en genezing van de misdadiger en pleitte voor een sociaal verdedigingsrecht. In plaats van begrippen als toerekenbaarheid, straf en delict, hanteerde hij liever termen als gevaarlijkheid en beveiligingsmaatregel. Zijn denkbeelden zijn niet alleen van grote invloed geweest op de toenmalige ontwikkeling van de strafrechtswetenschap, maar vele ervan zijn ook nu nog actueel.

Ook tijdens zijn kamerlidmaatschap zette hij zich in voor verbetering van het strafstelsel: vurig pleitte hij voor de invoering bij de wet van ruimere toepassingsmogelijkheden van de voorwaardelijke veroordeling (1915). Van Hamel maakte voorts deel uit van de Staatscommissie die in 1887 opdracht kreeg een Wetboek van Strafrecht voor Europeanen in Nederlandsch-Indië te ontwerpen, alsmede van de Staatscommissie die in 1910 opdracht kreeg een nieuw Wetboek van Strafvordering samen te stellen.

A: Archief en knipselverzameling op het seminarium 'Van Hamel' van de Universiteit van Amsterdam.

P: Verdere bibliografie in Verspreide Opstellen: 1870-1912. (Leiden, 1912. 2 dln.).

L: De Hollandsche Revue I (1896) 782-791; Fr. von Liszt, in Zeitschrift für die gesamte Strafrechtswissenschaft 38 (1917) 553-569; Tijdschrift voor Strafrecht 28 (1917) 340, I-IV; Weekblad van het Recht 79 (1917) 10057 (5 maart) 6 en 10061 (7 maart) 4; Rechtsgeleerd Magazijn 36 (1917) 133; Jacob Israël de Haan, in De Beweging 13 (1917) I, 271; A.J. Rethaan Macaré, in Tijdschrift voor Armenzorg 18 (1917) 47; G.L. de Vries Feyens, in Eigen Haard 43 (1917) 213; B.C.J. Loder, in Amsterdamsche Studenten-Almanak voor het jaar 1918, 67-78; F. Dahl, in Tijdschrift voor Strafrecht 29 (1918) 60-69; G.L. de Vries Feyens, in Tijdschrift voor Strafrecht 46 (1936) 131-143; W.P.J. Pompe, Geschiedenis der Nederlandse Strafrechtswetenschap sinds de codificatie-beweging (Amsterdam, 1956) 365-384.

I: J.H.A. Lokin en C.J.H. Jansen, Tussen droom en daad. De Nederlandse Juristen-Vereniging 1870-1995 (Zwolle, 1995) 206 [Portret: Hart Nibbrig].

Mw. L.C. Meulenhoff-Kouwenhoven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013